Tobias

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
Nellineke
Vulpen
Beheer:
Berichten: 113
Lid geworden op: do nov 17, 2016 10:15 am

Tobias

ma dec 16, 2019 7:59 pm

‘Eenenzestig, tweeënzestig, drieënzestig…’
Terwijl Tobias naast me naar het bankje loopt, telt hij zijn stappen, zoals altijd. Zijn stappen zijn overwogen, voorzichtig, alsof de grond uit elkaar zal vallen onder zijn voeten als hij te snel zou lopen.
‘Pas op, een boomwortel!’
Het is automatisme, een poging om hem te helpen. Tobias weet dat na stap zevenenzestig een boomwortel uit de grond steekt, daarvoor hoef ik hem niet te waarschuwen. Zonder een reactie te geven stapt hij eroverheen, ondertussen verder tellend. Het zijn exact honderd stappen van het huis naar het bankje. We zijn er bijna. De grote, eeuwenoude eik staat als een wachter over het groen uitgeslagen bankje uitgestrekt. Alle moeite die we hebben gedaan om het bankje schoon te krijgen, heeft geen effect gehad, hoewel het hout niet meer afgeeft als we erop gaan zitten.
‘Honderd.’
Met zijn handen voor zich gestrekt, voelt Tobias voorzichtig waar de zitting van het bankje zich bevindt. Vervolgens laat hij zich langzaam zakken, totdat hij eindelijk zit. Ik kijk op mijn horloge. Deze keer heeft onze wandeling vijf minuten geduurd, twintig seconden langer dan gisteren.
Zonder iets te zeggen ga ik naast mijn broer op het bankje zitten. Hij heeft zijn hoofd in zijn nek gelegd, zijn nietsziende ogen zijn op de dikke takken boven hem gericht. Zijn witte, magere gezicht valt daardoor in de schaduw, waardoor hij nog bleker lijkt dan anders. Het valt me op hoeveel hij is veranderd in de laatste maanden. De vrolijke, levenslustige Tobias is verdwenen, een schaduw van hem is ervoor in de plaats gekomen.
‘Staat hij er nog steeds?’
Zijn stem is zo zacht, dat hij nauwelijks boven de zacht fluitende wind uitkomt. Met moeite houd ik mijn tranen in, terwijl ik antwoord geef: ‘Ja’.
Een zweem van een glimlach glijdt over zijn gezicht.
‘Weet je, Sander, vroeger dacht ik,’ hij hapt naar adem, ‘dat hij magisch was.’
Zijn borst gaat sneller op en neer dan eerst en ik weet dat hij tijd nodig heeft voordat hij verder kan vertellen.
‘Weet ik, mam heeft het me weleens verteld.’
Heel even draait hij zijn gezicht naar me toe en glimlacht naar me. Zijn helderblauwe ogen ontmoeten die van mij en heel even wens ik vurig dat hij me ziet, hoewel ik weet dat het onmogelijk is. Sinds drie maanden leeft hij in het donker en bestaat zijn leven uit getallen. Hoeveel stappen het is naar de badkamer, hoeveel het er zijn van zijn slaapkamer naar de woonkamer. Hoeveel stappen er zijn van zijn bed naar het raam in zijn slaapkamer. Het raam waardoor hij de eik altijd kon zien.
Toen we hierheen verhuisde, rende Tobias als eerste het nieuwe huis door, om de beste slaapkamer te kiezen. Ik liep er zo snel mogelijk achteraan, om hem voor te zijn. Tot mijn verbazing koos Tobias echter de kleinste slaapkamer, waarin net plaats was voor een bed en een bureau, maar met uitzicht op de enorme eik in de achtertuin.
Hoe vaak heb ik hem niet betrapt, terwijl hij op zomeravonden nog urenlang vanuit zijn raam naar de eik staarde, verhalen verzon over wezens die in die eik zouden wonen. Af en toe hoorde ik hem over de gang sluipen, als pap en mam al naar bed waren. Dan haastte ik me naar zijn kamer en zag ik hem in zijn pyjama naar de eik lopen. Soms klom hij er zelfs in, waardoor hij tussen de bladeren verdween en ik hem niet langer kon zien.
‘Mam was niet blij toen ik hier in slaap viel.’
Er klinkt een glimlach door in zijn stem.
‘Ik kan me er iets bij voorstellen.’
Ik kon het me nog vaag herinneren. Slaperig was ik die dag aan het ontbijt gekomen, klaar voor school, toen ik ineens Tobias in zijn pyjama midden in de keuken zag staan. Zijn zwarte krullen waren vochtig van de dauw, er hingen kleine druppeltjes aan zijn wimpers. Mam ging tegen hem tekeer, het was duidelijk dat ze erg boos op hem was. Hij leek heel bedeesd naar haar te luisteren, maar zijn ogen ontmoetten die van mij en lachten. De volgende dag was hij ziek.
‘De volgende dag was ik ziek.’
Een scheurende hoest doorbreekt zijn verhaal. De pijn in mijn hart neemt toe terwijl ik zie hoe Tobias dubbelklapt op het bankje en de longen uit zijn lijf lijkt te hoesten. Ik voel me ontzettend nutteloos en hulpeloos tegelijk. Heel mijn leven is Tobias er voor mij geweest, hoewel we elkaars volledige tegenpolen zijn, zowel innerlijk als uiterlijk. Maar nu mijn grote broer mij nodig heeft, zit ik als een standbeeld op een bankje, terwijl hij vecht om een beetje lucht in zijn longen te krijgen. Kon ik hem maar helpen, kon ik maar een klein beetje van zijn lijden overnemen. Het voelt alsof ik maar een toeschouwer ben, die totaal geen invloed heeft op de wedstrijd die zich voor hem afspeelt.
‘We moeten teruggaan, Tobias.’
Hij schudt vastberaden zijn hoofd: ‘Het gaat wel.’
Zijn stem lijkt nog zachter te zijn geworden en ik moet moeite doen om hem boven de vogels uit te kunnen verstaan. Ik schud mijn hoofd, bedenk me dat hij dat helemaal niet kan zien en pak daarom zijn hand om hem overeind te helpen. Met verbazingwekkend veel kracht verzet hij zich. Als hij in mijn hand knijpt, kan ik de botten in zijn magere hand voelen, zijn huid is bijna doorschijnend.
‘Ik wil hier nog even blijven.’
Hij laat zich een beetje onderuit zakken op het bankje, waardoor zijn hoofd op de leuning rust. Zijn ogen zijn gesloten, zijn ademhaling wordt langzaamaan weer rustiger. Zijn hand omklemt nog steeds de mijne en ik durf hem niet terug te trekken, bang de betovering te doorbreken.
Om ons heen zijn alleen de vogels te horen, die hoog in de eik zitten en hun lied door de tuin laten klinken. De wind laat de bladeren zachtjes ritselen, alsof ze tegen elkaar praten. Pas als de eerste druppels vallen, merk ik dat het donkerder is geworden om ons heen. Bij de eerste donderklap schiet Tobias overeind.
Zonder iets te zeggen staat hij op en begint te lopen. Hij loopt snel, veel sneller dan op de heenweg en ik moet rennen om hem bij te houden. Een felle bliksemschicht verlicht de hemel, gevolgd door een oorverdovende donderklap. Ik zie Tobias naast me in elkaar krimpen en realiseer me dat hij al van kinds af aan bang is voor onweer. Nu hij de bliksem niet kan zien, volgen de donderklappen zich alleen maar op, onvoorspelbaar.
Ik merk dat hij de tel kwijtraakt, als ik hem opnieuw bij twintig hoor beginnen.
‘Pas op! Boomwortel!’
Mijn stem moet moeite doen om over het geraas van de regen uit te komen, maar opgelucht zie ik dat hij eroverheen stapt. Hoe verder we echter komen, hoe langzamer zijn stappen worden en hoe sneller zijn ademhaling. Ik sla mijn arm om hem heen, om hem te ondersteunen. Het gewicht dat plotseling op mij komt te hangen, is onverwacht groot en brengt me even aan het wankelen.
Als in een droom bereiken we het huis, waar een overbezorgde moeder op ons wacht. Zonder verder iets te zeggen neemt ze Tobias van me over, om hem meteen in bed te stoppen, mij verloren bij de deur achterlatend.
De volgende dag zit ik weer op het bankje, de uitgestrekte armen van de eik boven me, de plek naast me leeg.
Gebruikersavatar
Libelle
Kroontjespen
Beheer:
Berichten: 214
Lid geworden op: di okt 17, 2017 6:59 am

Re: Tobias

di dec 17, 2019 3:52 pm

Als vanouds een mooi verhaal, Nellineke. Jammer dat ik steeds dezelfde bekende namen tegenkom, terwijl het ledental zo gegroeid is. Fijne feestdagen.
Mijn verstand breng mij van A naar B, mijn verbeelding voert mij overal.
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 502
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Tobias

di dec 17, 2019 4:17 pm

Mooi verhaal en goed geschreven, ook een traan

Terug naar “One-shots”