Altijd winter

Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Altijd winter

zo jan 22, 2017 5:24 pm

I.

De nacht is jong, de lucht is donker om me heen, en diep in mijn hart weet ik wat eraan zit te komen. De Grote Heer heeft ons verlaten. De Legioenen hebben zich teruggetrokken naar voorbij de bergen, en wij blijven achter, alleen en overgeleverd aan de woede van de monsters die vanuit het oosten oprukken. Ze komen met bijlen, ze komen met zwaarden en ze komen met vuur. Met die bijlen vellen ze onze bomen, met die zwaarden doden ze onze vrouwen en met dat vuur verbranden ze onze bossen. Ze zijn niet te stoppen. De wezens, ze zijn met zo veel. Duizenden zijn het er nu, en dagelijks kruipen er steeds meer uit de grond. Is dat niet vreemd? Het zijn bijna mensen, lijken zelfs wel wat op ons, en toch worden ze pas geboren als ze zich een weg uit de stenen weten te vechten. Waar ze al die strijdlust vandaan halen weet ik niet, maar de Grote Heer zei dat ze het hele oosten al veroverd hebben. Stenen citadels schieten als paddestoelen uit de grond.
 Zo veel eeuwen lang hebben wij, het Ware Volk, hier ongestoord geleefd. Wij gedijden onder de Geheime Vrede. De Grote Heer en zijn legers van duisternis trokken zich terug in hun zwarte kastelen, en wij leefden hier het leven wat wij wilden, één met de natuur en één met onze goden. Nooit namen wij meer dan we moesten om te overleven. Het woud was onze vriend, de berg onze beschermer. En wat krijgen wij ervoor terug? Oorlog. Oorlog in heel het land. Draghkaal begint te krimpen, zeggen ze. We worden steeds verder teruggedreven. Mijn broeders en zusters vallen bij de duizenden aan de bijlen van de Moghkali.  
 En niets wat ik eraan kan doen. De Grote Heer zegt dat de vallei al omsingeld is door de vijand. Het is slechts een kwestie van tijd voordat ze de bergen oversteken en ook ons thuis verbranden. Ondertussen trekt hij zich als een lafaard terug in zijn schaduwtoren op de asvlaktes in het uiterste westen. Hij vergeet onze afspraak, vergeet de Geheime Vrede. Sommige van mijn broeders hebben gezworen onze voormalige bondgenoot te laten boeten voor het verbreken van het heilig verbond. Hele strijdgroepen zijn uitgerukt en hebben de bergen overgestoken. Ze zijn nooit teruggekeerd. Bravod is nu half leeg. De overlevenden zijn bang en hebben weinig te eten. Zelfs Beoll is weg, vertrokken naar het zuiden. De zomer is voorbij, ben ik bang. En de lange winter is begonnen.
Ik heb gehoord dat er voor sommigen nog hoop is. Ze zeggen dat een of andere vechtersbaas genaamd Vjorlund een paar clans heeft weten te verzamelen in het zuiden. Hij trekt nu op met een kracht groot genoeg om de vijand het hoofd te bieden. Maar voor ons zal de hulp te laat komen. Wij zitten hier gevangen in het noorden, en onze bondgenoten zijn ver te zoeken. Ik heb een vermoeden dat deze Vjorlund de noordbergen over wil steken en een nieuw leven gaat beginnen in de wildernis. Maar tegen de tijd dat hij in de buurt van Bravod komt, ja. Dan zal de vallei leeg zijn, onze huizen verbrand en onze lichamen weinig meer dan hoopjes as en botten.
 Voor de rest van het Ware Volk, voor hen voor wie er geen redding meer kan komen, zijn er slechts twee opties. Slavernij of de dood. De vijand klopt aan onze deuren en zal ze spoedig met geweld inslaan. Ons pad eindigt in een tweesprong. We zouden onze zwaarden neer kunnen leggen, op onze knieën gaan en ons overgeven aan de macht van onze veroveraars. Maar dat gaan we niet doen. Het is niet de manier van het Ware Volk om op te geven, zelfs niet wanneer de overwinning niet langer in zicht is. Ik zou liever eervol sterven in de strijd met een zwaard in de hand en een pantser om mijn lichaam dan de rest van mijn dagen te slijten onder de heerschappij van anderen. Wij zijn altijd vrij geweest, en wanneer die vrijheid ons wordt afgenomen zullen wij ermee sterven. Er is geen andere manier. Onze weg leidt slechts naar voren, enkel naar het einde van ons bestaan. Ik zie het nu duidelijk voor me. Een slingerend pad gevuld met gevaren en obstakels, en aan het einde een poort van licht en duisternis. Daar, achter die poort, zal ik voor eeuwig leven in de gelukzalige omhelzing van de hemel. Ik zal teruggaan naar mijn voorvaderen, en zij zullen mij glimlachend opnemen in hun troonzalen.
 Nee. Daar moet ik nu niet over denken. Ik moet me richten op de realiteit. De winter komt eraan. IJzig wordt haar vuist. Bloed gaat vloeien, zwaarden gaan zwaaien en wij zullen sterven. Het minste wat we kunnen doen, is zoveel van die kleine bastaarden meesleuren naar de wereld hieronder. Draghkaal zal niet sterven zonder eer.

II.
Ik sta opnieuw wacht op de muur en kijk naar de landen erachter. Sneeuw is gaan vallen de laatste tijd. Winter is gearriveerd in al haar ijzige glorie, en de vallei is koud en bevroren zoals het zo vaak is. Zo is het altijd al gegaan. De wisseling van seizoenen is de cirkel van het leven. In de lente ontstaat er leven, in de zomer gedijt het, in de herfst neemt algehele neerslachtigheid langzaam over en in de winter sterft het leven wederom af, om na een lange periode van haast eindeloze slaap weer te ontwaken wanneer de cirkel rond is. Een eindeloze cyclus, waaruit wij, het Ware Volk, onze kracht putten.
 Het maakt een mooi plaatje, dat bevroren landschap, maar het zal ons niet veel helpen in de strijd tegen de veroveraars. Niet lang geleden zijn ze de bergen overgestoken. Duizenden zijn al in de vallei, en honderden meer stromen er elk moment toe met geheven bijlen en brandende toortsen. Ze hebben kamp opgezet aan de grens van de bergen, en onze verkenners zeggen dat ze een enorme legerbasis hebben op de ijzige vlaktes achter het bevroren woud. Als ik mijn ogen samenknijp, zie ik talloze kleine vlekken op het eindeloze witte winterkleed. Kampvuren, realiseer ik me, kampvuren van de vijand gemaakt van de bomen in onze bossen. De bossen waar wij opgroeiden, de bossen waar wij speelden, de bossen waar wij bij volle maan elkaar haast de keel doorsneden uit angst voor monsters. Die monsters zijn nooit gekomen, maar eens moet de eerste keer zijn.
 Ze tasten onze vallei aan. Er is geen andere manier om het te zeggen. Ze verslinden het. Het land van onze voorvaderen, het land waar onze beschaving honderden jaren lang een bloei heeft gekend in volmaakte balans met de natuur om ons heen, wordt langzaam maar zeker verteerd door een duivels schepsel met een eindeloze honger. Niets wat we kunnen doen. Ja, er worden elke dag kleine compagnieën van onze meest geharde krijgers en jagers op pad gestuurd om de vijand het hoofd te bieden, en ja, er wordt hard gevochten voor onze vrijheid; maar het heeft allemaal geen zin meer. De winterlingen zijn met duizenden, wij misschien met honderden. De straten van Bravod zijn leeg, de huizen verlaten en de boerderijen van onze voorouders overwoekerd met een dikke deken van mos. Eten is schaars. De mensen zijn uitgehongerd. Het weer zit alles behalve mee. Het zijn de ingrediënten voor een ramp.
 En die ramp vindt echt niet enkel plaats op het slagveld. De jagers en dappere strijders die hun zwaarden ter hand nemen en de vallei in trekken om de veroveraars te vertragen, zij zijn echt niet de enigen die sterven. Oorlog is ook uitgebroken binnen de muren van Bravod. Mensen vechten openlijk op straat, vrienden snijden elkaar de keel door voor een stukje brood, broeders branden elkaars huizen af uit pure verveling en frustratie. Vorige nacht is er nog een groep van zeven jonge vrouwen ontvoerd door een gewapende bende na een avondgebed in het bronnewoud. Kazmund was de ongelukkige die de naakte en verminkte lichamen in een stroom van bloed vond toen de dageraad kwam. Dode mannen hangen nu te waaien in koude wind, slap als de banieren van onze tegenstanders, maar wandaden als dit zullen niet zomaar ophouden. Ik vrees dat de vijand niets dan as en lijken zullen vinden wanneer ze Bravod belegeren.

III.
Het moment is eindelijk gekomen. Het einde van de zomer hangt boven ons hoofd, en de lange duisternis doet zijn intrede temidden van strijdgewoel en doodsschreeuwen. Ik sta met mijn laarzen op de ijzige grond, de afbrokkelende muren van Bravod als een schaduw achter mij, en kijk naar voren. De strijd is losgebarsten. Ik spreek niet meer figuurlijk. De vijand heeft zijn ware gezicht eindelijk laten zien. Duizenden van hen staan tegenover enkele honderden van ons. Een bloedbad. Een moordpartij. We zijn terecht gekomen aan de poorten van de verdoemenis.
 Overal om me heen klinken de geluiden van het gevecht. Schreeuwen van angst en pijn, brandende rotsblokken scherend door de lucht boven me, wapens en pantsers krakend in de koude sneeuw. De winter houdt de landen in haar greep, en haar spierwitte kleed kleurt langzaam de zoete kleur van bloed. Dit is het einde van het Ware Volk. Wij, de kinderen van de natuur, wij keren eindelijk terug naar de koude omhelzing van de aarde. En waarvoor? De strijdlust van onbekende mannen die ons nog nooit hadden gezien? Zo is het nooit gegaan. Het is niet eerlijk. Iedereen zou vrij moeten zijn om vredig naast elkaar te leven, zonder ruzie en zonder oorlog zoals onder de Geheime Vrede.
Maar nee. Die tijd is lang voorbij. De zomer hebben we achter ons gelaten, en we kunnen niet meer terug. Een onderdeel van de eeuwige cyclus. Zoals er geen duisternis kan zijn zonder licht, zo kan er geen leven bestaan zonder dood. Misschien is deze nieuwe golf, deze nieuwe wind van verandering, wel geheel natuurlijk. Een oude beschaving sterft, een nieuwe komt op. De winter is slechts een variatie op de zomer, een situatie waar wij gewoon niet aan gewend zijn. Wij onderwerpen ons aan de wil van de natuur. Het Ware Volk zal geen voetsporen achterlaten.
 Ik kijk toe terwijl mijn broeders en zusters afgeslacht worden op het bevroren veld voor me. Ze hebben me opgedragen om de muren te bewaken. Ik moet het laatste obstakel zijn dat in de weg van totale verovering staat. Het heeft geen enkele zin. Ik leef misschien enkele momenten meer dan de rest van mijn volk, maar de dood komt voor ons allemaal.
 Ik merk dat ik mijn hand stevig om het hout van mijn bijl knijp. Vervloekt ding. Hier ben ik niet voor gemaakt. Dit is niet waarom ik besta. Anderen afslachten om mijn eigen leven te verlengen is niet mijn lot. Maar de vijand houdt geen rekening met mijn lot. De vijand weet niet dat het Ware Volk nooit heeft willen vechten. Nee. De winterlingen weten niet.
Ik ervaar een moment van vreemdsoortige vrede. Temidden van al het strijdgewoel en de schreeuwen van de stervenden vind ik rust. Ik kijk naar boven, knijp mijn ogen samen en glimlach breed. De eerste keer in een lange tijd. De laatste keer, als ik realistisch ben. Een sneeuwvlok dwarrelt naar beneden, een geschenk vanuit de wereld hierboven, en landt op mijn gezicht. Ik houd mijn bijl in de lucht en laat de sneeuw erop vallen, net zolang totdat het er helemaal mee bedekt is. Het lijkt te gloeien, maar dat kan ook net zo goed mijn verbeelding zijn.
 Dit is het dan. Het einde van de zomer. Ik stap uit de schaduwen van Bravod, mijn thuis, en begeef me op het wit. De sneeuw valt om me heen. Het is een storm. Ik geef er niets om. Ik loop rustig verder, verder de strijd in. En ik loop de winter tegemoet. Ik aanvaard haar koude omhelzing.  
 De zomer is voorbij, weet ik nu. En de lange winter is begonnen. Maar niet voor mij. Voor mij liggen de zalen van mijn voorvaderen in de verte. En ze glimlachen naar me.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
MoensKatrien
Balpen
Beheer:
Berichten: 56
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 10:49 am

Re: Altijd winter

vr jan 27, 2017 2:53 pm

@JochemCommissaris : Mooie tekst. Je beschrijvingen van de omgeving, personages en gedachten zijn uitgebreid. Ik kan dat wel waarderen. Je hoofdpersonage is heel moedig! 'Ware Volk' -> geweldige keuze, door de naamkeuze alleen al vind ik ze sympathieker dan de 'Winterlingen'.
Tijdens het verhaal heb ik automatisch de 'koude, killer winter' gelinkt aan de oorlog, harde strijd met de vijand, de erge beschrijvingen van het leed dat zich voordoet. De 'warme zomer' heb ik gelinkt aan het 'Ware Volk' dat minzaam en vreedzaam is. Als dat je bedoeling was, ben je in je opzet geslaagd.
Het 'einde van de zomer' laten samenvallen met ondergang van 'Ware Volk'. De winter start dan. Goed gevonden!
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 483
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Altijd winter

za jan 28, 2017 8:12 am

Mooi geschreven verhaal en mooie combinatie van winter en de ondergang. Heel goed gedaan ook om het het verhaal binnen 2000 woorden te brengen, hierdoor heeft het verhaal zeker een bepaalde sterke inhoud gekregen waarin alles zit.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Altijd winter

za feb 11, 2017 4:05 pm

Mooi en triest verhaal. De beschrijvingen zijn beeldend beschreven, geeft je een goede kijk in de wereld van de hoofdpersoon. Zijn statement aan het einde onderstreept de moedeloosheid van de situatie die je hebt gecreëerd en dat sprong ervoor mij uit. :)

Goed geschreven!
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Altijd winter

vr feb 17, 2017 5:53 pm

Winterlingen is een mooi woord. Ik weet niet waarom, maar ik vind het mooi xD .
De Grote Heer is een heer der duisternis? Sinds wanneer sluiten die vrede met andere volkeren? Hahaha, interessant. Uh, als die Moghkali er niet waren, zou ik daar gerust bij dat volk willen gaan wonen.
Met die bijlen vellen ze onze bomen, met die zwaarden doden ze onze vrouwen en met dat vuur verbranden ze onze bossen.
Persoonlijk zou ik dit beter vinden als je op het einde iets anders laat afbranden, omdat je het al over bomen hebt gehad :P .
De vijand klopt aan onze deuren en zal ze spoedig met geweld inslaan.
Dit is vreemd. Ik begrijp perfect wat je wil zeggen, daar niet van, maar de combinatie van "op de deur kloppen" en " de deur inslaan" gaat niet echt. Zoals het er nu staat is het alsof ze dit letterlijk vlak na elkaar doen, en voor een vijand is dat niet zo logisch. Wat misschien een mogelijkheid is, is schrijven dat ze "voor de deur staan", waarna ze hem alsnog es kunnen intrappen als ze dat nou per se willen xD .
Wij zijn altijd vrij geweest, en wanneer die vrijheid ons wordt afgenomen zullen wij ermee sterven.
Ah, mooi. Het getuigt van wilskracht en vasthoudendheid, al is het ook een beetje droef natuurlijk.
...de bossen waar wij bij volle maan elkaar haast de keel doorsneden uit angst voor monsters.
Ehm WUT nee niet doen nou niet doorslaan alsjeblieft :lol: .

Wederom prachtige zinnen en omschrijvingen, met een goede verhaallijn en een stevige - zeer interessante - setting.

Wat mij wel opvalt, is dat in de kortverhalen die je al bij wedstrijden hebt ingezonden, het hoofdpersonage dikwijls niet veel doet, maar wel veel vertelt/denkt. Het is een schrijfstijl op zich en ik lees het graag, maar het hangt er natuurlijk wel een beetje van af of dat ook jouw bedoeling was :') .
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Re: Altijd winter

za feb 18, 2017 8:50 am

Bedankt voor de feedback! En ja, je hebt helemaal gelijk. Ik probeer de laatste tijd met mijn verhalen een andere richting op te gaan dan bijvoorbeeld Naamloos (op OnlineVerhalen). Hetzelfde met enkele andere verhalen die ik recentelijk op deze site heb geplaatst (Mijn tranen zijn giftig, Ik ben de storm, De woestijn vergeet niets, etc.), die hebben ook zo'n stijl. Het is gewoon zo leuk om een kijkje in het hoofd van de personages te nemen! :lol: Het was dus zeker mijn bedoeling, ja.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Gesloten: Winterwedstrijd”