Ik ben Trallic (fragment)

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Ik ben Trallic (fragment)

wo jan 04, 2017 2:52 pm

Hoi allemaal,

Vandaag (4 januari 2017) heb ik even de moeite genomen om ook een account te maken op deze site. Mijn verhalen op onlineverhalen.nl gaan natuurlijk gewoon door!
In ieder geval, ik wilde deze mogelijkheid aangrijpen om wat advies te krijgen van jullie. Ik ben bezig met een nieuw project, en ik zou heel graag weten wat jullie ervan vinden.
Ik plaats hier een fragment zodat je een impressie kunt krijgen van wat "Ik ben Trallic" (want zo heet het) zo'n beetje inhoudt.
Ik hoor graag wat jullie ervan vinden!

fragmenten uit
Deel III: Het Broederschap van de Draak

“Je wilt waarschijnlijk dat ik begin bij het begin.
Je wilt waarschijnlijk dat ik mijn verhaal vertel vanaf het moment dat ik voor het eerst het genadige licht van het leven zag. Je wilt waarschijnlijk dat ik alle gebeurtenissen die zich voor me hebben afgespeeld in geuren en kleuren beschrijf, ook al kan ik me die niet herinneren. Je wilt waarschijnlijk dat ik alle gedachtes die door mijn hoofd zijn geflitst en alle persoonlijke ontdekkingen die ik heb gedaan zonder na te denken aan je toevertrouw.
Nou, dan heb je pech.
Mijn verhaal begint niet op een koude winteravond in het nachtelijke Trallic. Mijn verhaal begint niet in een onbereikbare kamer in de hoogste torens van het Centrale Paleis. Ik was een edelman, toen, en over edelmannen heb je denk ik al meer dan genoeg verhalen gehoord.
Nee. Mijn verhaal begint op de dag dat ik in een ondergrondse oorlog werd gezogen die weldra de hele stad in vuur en vlam zou zetten. De dag dat ik, jong en onwetend als ik was, terechtkwam in het hart van een strijd die vele malen groter was dan ik.
De dag dat ik de Heer Draak ontmoette.”


V.
Na een kort trekken en stoten beval Drav zijn onderdanen dan eindelijk het bevel van Aethan op te volgen. De bewoners van Bunker 4 kwamen schoorvoetend in beweging, en binnen enkele momenten was de zojuist zo overvolle ruimte volledig leeggestroomd.
De nog steeds ietwat zenuwachtig overkomende Aethan leidde de menigte door de gangen en de hallen van de Enkulikan. Ik deed mijn uiterste best een beetje een beeld te krijgen van de opbouw van dit ondergrondse bouwwerk, maar moest die poging uiteindelijk opgeven nadat ‘ie simpelweg jammerlijk mislukt was. Hoe langer me ik hier bevond, hoe groter alles om me heen leek te worden en hoe sterker het vermoeden werd dat er meer onder en boven me was dan ik me voor kon stellen.
Na een tijd door het beruchte hoofdkwartier van het Broederschap gelopen te hebben, haast onherkenbaar in de neerslachtige en koppig zwijgende menigte, kwam ik samen met de rest aan bij een enorme vesting. Mijn mond viel open van verbazing. Als de Enkulikan het Trallic van de onderwereld was, dan was dit wel te vergelijken het Centrale Paleis waar de koning zetelde.
De Zwaardentoren was, ondanks de aanwezigheid van het woord in de tweede helft van de naam, veel meer dan alleen een toren. Het was een enorm kasteel dat veel van de forten der wereld nog te schande zou hebben gezet, zo enorm zelfs dat ik de top ervan niet eens kon zien toen ik mijn nek haast verrekte om naar boven te kijken. Volgens de verhalen was de uitvalsbasis van de machtige Heer Draak ondoordringbaar voor normale stervelingen zoals jij en ik, en werd er alleen voet in gezet als de koning der kelensnijders daar persoonlijk toestemming voor gaf. Er zouden ontelbare rijkdommen verscholen liggen achter lagen en lagen onbreekbare deuren en andere slinkse mechanismen, en de Heer Draak zou er wezens en voorwerpen bewaren die meer waard waren dan we konden bevatten. De enige weg naar binnen was dan ook, zo werd ons verteld, een gigantische poort aan de overkant van een ondergrondse rivier die als een beschermende cirkel om het paleis heen liep.
Op een signaal van Aethan werd een grote houten brug met een krakend kabaal neergelaten, waarop het terecht kwam op de grond op enkele kleine stappen afstand. Uit een eenzame, zware wachttoren voor de poort kwam een man aanlopen in een zwart en rode wapenrusting met een sierlijke mantel- een lid van de Drakengarde, zoveel was duidelijk. Een masker in de vorm van een draak verhulde zijn gezicht, maar toen hij Aethan herkende verwijderde hij dat masker zodat wij zijn getinte huid en donkere haren konden zien.
‘Halt! Wat is de reden van dit bezoek?’ vroeg hij bars.
Aethan kuchte enigszins ongemakkelijk in zijn vuist, draaide zich om en wees met een wijd gebaar naar de menigte die zich voor de poort verzameld had.
‘De Heer Draak verwacht ons, Chaer,’ mompelde hij.
De wachter maakte een beweging met zijn hoofd, lachte op bijzonder vreemdsoortige wijze en liet zijn blik spottend over de mensenmassa gaan.
‘Hij verwacht je? Met dit zooitje aan je zijde? Kom op nou!’ Dat kwam de bewaker op aardig wat verontwaardigde woorden en niet nader te noemen verwensingen te staan. De bewoners van Bunker 4 waren niet heel blij met zijn gebruik van het woord zooitje, dat was wel duidelijk.
‘De vieze teringlijer beledigt ons, godver de godver!’
‘Wat is zijn probleem?’
‘Rot lekker op naar je eigen land, vuile donkerhuid!’
‘Ja! Ga lekker zandhappen in dat gekke “Akanif”!’
‘... en ga op de pik van die kutprinsen zuigen zoals ze daar allemaal doen!’
‘We willen je hier niet, rattenneuker!’
Een bekend spreekwoord waarschuwt ons voor het feit dat de geschiedenis de ietwat vervelende neiging heeft zich te herhalen. De schreeuwende menigte om mij heen had wellicht beter moeten luisteren naar dat advies. Plotseling schoten een dozijn smalle vormen boven onze hoofden heen, waarop enkele agressievelingen in de mensenmassa een pijl in hun kop kregen en tegen de grond klapten- dood. Ik keek naar boven naar de toren, angstig voor het komen van nog meer dodelijke projectielen. Maar het geweld leek voorbij te zijn, het uitzinnige gejoel van mijn tientallen lotgenoten vervlogen.
‘Pas maar op wat je zegt, nafajj,’ snauwde de bewaker. Zijn stem was zacht, maar op de een of andere vage manier voor iedereen duidelijk te horen. ‘Ik ben hier op verzoek van Zijne Majesteit Raza Zagyaras, Handelsprins van Akanif. Jullie Heer Draak zal het weinig op prijs stellen als een van zijn afgevaardigden op zo’n werkelijk barbaarse manier wordt uitgejoeld terwijl hij slechts zijn werk doet. Het is mijn beroep vragen te stellen, jongelui.’
Ik bleef de wachter geïntrigeerd aankijken terwijl hij luid een bevel gaf aan de mannen die op de balustrade ver boven ons stonden te wachten op een signaal. Met een diep, rommelend geluid opende de houten poort zich, en de legendarische Zwaardentoren, het hart van de beruchte republiek der kelensnijders, lag voor ons.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik erg onder de indruk was van de vesting van de Heer Draak, hoewel het achteraf gezien niet geheel op hetzelfde niveau was als de dingen die nog voor mij lagen op de slingerende Weg. Toen de poort opengegaan was en wij schoorvoetend de sloot waren overgestoken, kwamen we terecht in een grote binnenplaats. In het midden stond wederom een statig beeld van niemand minder dan onze grote weldoener- degene die thans zat op zijn luie reet en wachtte totdat de zich wel erg sloom voortbewegende menigte eindelijk in zijn troonzaal arriveerden, gokte ik. Even terugkomend op het standbeeld: deze bleek bij nadere inspectie te bestaan uit zuiver goud, het type dat de Dwergen met honderden tonnen tegelijk uit hun mijnen sleepten in het Eerste Tijdperk maar vandaag de dag nog maar moeilijk te vinden is. Uit de handen van de vaardig nageaapte Heer Draak stroomde voortdurend een gestage stroom van een of andere glinsterende substantie, waarvan ik sterk het vermoeden had dat het wéér goud was. Ik kan me herinneren dat ik dacht: Bij Glarric! Deze plaats moet wel op de ruïnes van een Dwergenstad gebouwd zijn! Later zou het blijken dat ik er niet eens zo heel ver naast had gezeten toen die gedachte door mijn hoofd flitste.
Toen we het enigszins opschepperige standbeeld waren gepasseerd, werden we door Aethan en de donkere bewaker naar een brede trap geleid. Op de treden van die trap liepen tientallen mensen, mannen en vrouwen die niet eens zo heel weinig weg hadden van de edelen zoals je die vindt in de zuilengangen van het Centrale Paleis. Het viel mij op dat ze stuk voor stuk donkere, uitzonderlijk duur ogende kleding droegen met veelal bloedrode versieringen. Ook droegen de voorbijgangers, waarvan slechts weinigen het ellendige zooitje ook maar een blik waardig keurden, vaak uitbundige fluwelen hoeden, vreemde oogglazen en overdreven lange mantels, vermoedelijk om duidelijk te maken dat ze een hoge status genoten en in de gunst van de Heer Draak verkeerden. De vrouwen droegen zelfs de laatste mode uit Darlasse, die prachtige, lichtjes doorschijnende gewaden die losjes om hun figuur vielen en één borst ontbloot lieten. Het hof van het Broederschap van de Draak leek sterk op dat van koning Dransin, realiseerde ik me.
Na een tijd door de enorme hallen en slingerende zuilengangen van de Zwaardentoren gelopen te hebben, kwamen we dan eindelijk aan bij de plaats waar we moesten zijn. Het spijt me dat ik jullie niet meer details kan verstrekken over de opbouw van de beruchte vesting van de Heer Draak- ik was gewoon te druk bezig met andere dingen. Eén van die dingen was het me mateloos, en misschien wel nodeloos zorgen maken over wat komen ging. De leider van het meest bekende criminele netwerk van de hele zuidelijke helft van Haldar, de ongekroonde koning van de gevreesde onderwereld van de Diamant van het Zuiden, wilde ons ontvangen in zijn troonzaal. Ons. Een stelletje haveloze, bebloede en verschrikkelijk stinkende nietelingen die vers uit de mijnen van Bastaard Chadra kwamen en enkele momenten daarvoor nog schreeuwend en vechtend in Bunker 4 hadden gezeten. Hoe meer ik erover nadacht, hoe zenuwachtiger ik werd van het hele idee.
Goed. Terug naar de plaats waar we moesten zijn. Dat was blijkbaar een grote poort die veel weghad van de ingang van het hele complex, maar die een stuk kleiner en een stuk fraaier versierd was. Toen Aethan en de bewaker eindelijk halt hielden en ik zo bijna tegen de persoon voor me botste, had ik onmiddellijk door dat dit de troonzaal was waar de wachter ons over verteld had.
De bewaker uit Akanif draaide zich om naar de menigte en keek ons met zijn meest emotieloze gezicht aan.
‘Dames en heren,’ schalde zijn stem over een van de talloze binnenplaatsen van de Zwaardentoren, ‘wij zijn aangekomen bij de Drakenhal. In de persoonlijke troonzaal van de Heer Draak worden geen plotselinge bewegingen of luide kreten geduld. Je zult je mond houden totdat je iets gevraagd wordt.’ Hij zette zijn hand op een draaiknop op de poort en keek ons over zijn schouder aan. ‘En onthoud, je staat hier voor de Heer Draak, de machtigste persoon die je ooit in je leven zult ontmoeten. Je zult doen wat hij vraagt, niets meer en niets minder.’
De bewaker zweeg, maar ik werd onwillekeurig herinnerd aan iets wat Andreas had gezegd. “Als hij je vraagt te gaan zwemmen in de Zarra Cestovari, dan doe je dat. Als hij je vraagt op zijn pik te zuigen, dan doe je dat. Zo simpel is het.” Je kunt je voorstellen dat deze boodschap van Andreas het er niet geheel makkelijker op maakte voor mij.
Ik ben zelden in mijn leven nog even zenuwachtig geweest als op het moment dat de poort naar de Drakenhal zich opende en ik de troonzaal binnenstapte, omringd door mensen van wie ik niet wist of ze vriend of vijand waren.

VI.
Het meest opvallende kenmerk van de persoonlijke woning van de criminele koning van Trallic was niet de enorme kroonluchter die vervaarlijk boven onze hoofden slingerde. Het waren niet de rijen en rijen schilderijen die aan de kaarsrechte muren links en rechts van ons hingen. Het waren niet de bloedrode tapijten waar we overheen liepen met onze vieze voeten, niet de machtige pilaren die overal in de zaal oprezen naar de hemelen, niet de roerloze bewakers met hun stenen gezichten en hun zwarte gewaden, en niet de trappen die leidden naar de talloze andere niveaus van het hart van de Enkulikan. Nee. Hetgeen wat me onmiddellijk opviel toen ik voor de eerste keer voet zette in de Drakenhal, was een gigantisch skelet. Honderden, wellicht duizenden botten waren hoog boven onze hoofden opgehangen, waar ze zich over het verre plafond slingerden in een typische vorm die maar al te bekend was uit allerlei verhalen.
De vorm van een draak.
Mijn mond viel spontaan open van verbazing, de zoveelste keer deze dag. De heer van Trallics onderwereld leek wel een haast onuitputtelijke stroom verrassingen voor me klaar te hebben gezet, maar de stoffige overblijfselen van een draak? Ik had het niet voor mogelijk gehouden. Volgens de leraren en professoren van het Centrale Paleis waren alle leden van dat geweldige ras van gevleugelde serpenten lang geleden gedood door Elenwë de Guldene en zijn Wachters van de Wereld, die vele lange jaren de strijd waren aangegaan met de machtige beesten maar uiteindelijk hun vuur toch hadden weten te doven. De beesten zouden nu enkel nog voorkomen in een vervloekte uithoek van de wereld bekend als het Zwarte Noorden, en het bot- of beter nog, het bloed- van een draak was door de verschrikkelijke zeldzaamheid honderden gouden koningen waard. Heersers vochten oorlogen voor zo’n schedel, krijgers maakten elkaar het leven zuur voor een wapen gemaakt van de overblijfselen van een draak, en broeders sneden elkaar de kelen door voor een kans ook maar een klein stukje te bemachtigen en te verkopen op de zwarte markt. En onze gastheer had een volledig skelet aan zijn plafond hangen voor iedere gast om zich aan te vergapen. Ik denk dat we allemaal wel kunnen begrijpen wat voor gevoel ik erbij kreeg.
Met mijn blik volgde ik het slingerende pad dat het skelet aflegde over het plafond. Ik zag dat het aan het einde een sprong in de diepte wierp en over de laatste muur kroop, alvorens te eindigen in een indrukwekkende schedel. Ik keek verbaasd naar het gigantische gevaarte, dat zeker zo groot was als een gemiddelde man- en wellicht nog groter. Het ding droeg vlijmscherpe hoorns op zijn hoofd, had zijn bek vol tanden wijd opengesperd en keek alle bezoekers aan alsof het zijn meester tegen hen wilde beschermen. Het besef dat enorme monster ooit, in tijden inmiddels lang vervlogen op de Cirkelen van Tijd, in al zijn beestachtige glorie rondgevlogen had in de lucht en allesvernietigende vlammen had laten neerdalen over de volkeren der wereld… Het bezorgde me koude rillingen over heel mijn lichaam.
Toen ik eindelijk klaar was met het observeren van het slangachtige geraamte, wendde ik mijn blik af en keek ik naar voren. Ik moest op mijn tenen gaan staan om te zien wat er tegen de laatste muur van de troonzaal stond, om hetgeen in het oog te krijgen dat schuilging onder de bescherming van de schedel van de draak.
Het was een troon. Een enorme gouden troon, minstens twee keer zo groot als ik en bezet met honderden en honderden glinsterende juwelen, stond als een dreigend standbeeld op een plateau bereikbaar door een lage trap. En op de troon zetelde de leider van het meest beruchte criminele netwerk aan deze kant van de oceaan, de ongekroonde koning van de onderwereld van Trallic, de stichter van de republiek der kelensnijders.
De Heer Draak.
Trallics derde koning was gekleed in een prachtige en bijzonder ingewikkelde uitdossing die bestond uit lagen en lagen stof. Voor zover ik kon zien droeg hij, zoals velen van zijn onderdanen ook leken te doen, een enigszins ruig maar toch zeer stijlvol gewaad van donker leer, versierd met verschillende riemen, sieraden en een charmante hoge kraag. Om zijn rang aan te geven droeg hij een fraaie mantel van vreselijk duur bont die langer was dan zijn eigen lichaam. Een vlijmscherp zwaard glinsterde aan zijn zijde.
Maar de kleding van de Heer Draak was noch het meest opvallende, noch het meest belangrijke kenmerk van zijn machtige verschijning. Nee. Mijn aandacht- en ook de aandacht van mijn lotgenoten van Bunker 4, vermoedde ik zo- ging uit naar zijn hoofd. De prins van de Enkulikan was een stuk jonger dan ik had verwacht- ik schatte hem op vroeg in de dertig, wellicht jonger. Zijn huid was een gezonde tint met een kleine aanwijzing van zuidelijke afkomst, de lijnen van zijn gezicht waren al even scherp als die van Andreas, en zijn donkerblonde haren waren netjes verzorgd en naar één kant gekamd. En hoewel ik me nog op bijna honderd stappen afstand van hem bevond, voelde ik zijn intense ogen mij en de rest van de menigte in zich opnemen en recht door ons heen kijken.
Ik werd opgeschrikt uit mijn verwonderde gedachten toen er naast me plotseling een al te bekende persoon verscheen en me toefluisterde: ‘Dat is de Heer Draak, Cay.’
Ik draaide me met een ruk om, gealarmeerd, maar werd enigszins gerustgesteld toen ik zag dat het Andreas was. Waar hij vandaan kwam? Ik weet het niet.
‘Denk aan onze afspraak, jongen. Vergeet niet wie zijn ogen op je gericht heeft.’ Ik kwam er niet helemaal over uit wie hij precies bedoelde- de Heer Draak of zichzelf- maar ik had mijn gedachten al weer naar iets anders verplaatst.
‘Wat is dat?’ vroeg ik op gedempte toon. Ik wees naar de gigantische gouden troon waar de Draak zijn edele achterwerk op rustte. Ik was er zeker van dat ik het herkende, van een verhaal of een schilderij, maar kon het niet geheel plaatsen.
‘Dat is een troon, beste Cay,’ antwoordde Andreas droog.
‘Dat snap ik ook wel. Maar ik heb het een keer gezien, ik weet het zeker…’
Andreas haalde zijn schouders nonchalant op. ‘Hoogst onwaarschijnlijk. Dit is namelijk de Troon van Liscidir.’
Mijn ogen schoten wijd open toen hij dat laatste woord aan zijn lippen liet ontsnappen.
‘Wat?’ riep ik uit, net íets te hard. ‘De Troon van Liscidir? De… de zetel van de keizers van Misanqaza? In het Vierde Tijdperk? Onmogelijk! Die is vernietigd!’
Nu moet ik zeggen dat die bewering helemaal waar was, tenminste, volgens de dingen die mij geleerd waren. De meesters en meesteressen in het Centrale Paleis hadden altijd verteld dat de Troon van Liscidir, het enorme meubel in het hart van de prachtige stad Anisca (hoofdstad van het Keizerrijk Misanqaza) waar de keizers van de adellijke familie Liscidir talloze eeuwen op gezeten hadden, verwoest was door de Legioenen van de Nacht aan de vooravond van de Eeuw der Tranen. Het was, en is nog steeds, een van de beroemdste en belangrijkste artefacten van heel Haldar. Een overblijfsel uit tijden lang vervlogen, tijden waarin de citadels van alle rassen gemaakt werden uit puur goud en legendes rondliepen over de heuvels en door de bossen der wereld, tijden die aan hun einde kwamen toen de Nachtkoning terugkeerde om alles in zijn mantel van eeuwige duisternis te hullen.
En Andreas vertelde me zonder te grijnzen dat ik op dit moment naar dat artefact keek.
‘Vernietigd? Ik dacht het niet.’
‘Maar… Maar… Hoe… Waarom… Hoe dan?’
Andreas grijnsde, en deed terwijl we door de centrale zaal liepen zijn verhaal. ‘Generaal Kazhar Tah’lar van de Legioenen van de Nacht liet het naar een geheime schuilplaats brengen, waar het wachtte op de totale overwinning van Ysvarolek. Die vond echter een troon meer geschikt voor zijn… behoeften. Deze raakte uit gebruik. De beruchte krijger Jaram Kyr en zijn bende stalen het ding- Glarric mag weten hoe- uit de gevangenissen van Arkihart, een nakomertje toen hij zijn lief ging redden uit de klauwen van de Duisterelven. We dachten dat het vernietigd was. Ongeveer een decennium terug, aan het einde van de bouw van de Enkulikan, dook het plotseling op in de zwarte markt van Ashqara. Onze leider zag zijn kans schoon en kocht het van Handelsprins Raza, met wie hij nu een uitstekende band heeft.’ Hij zag dat ik nog steeds met grote ogen naar de troon stond te staren, en voegde eraan toe: ‘Geen zorgen. De meeste mensen reageren zoals jij nu doet. Maar we hebben nog veel meer verrassingen voor je, maak je maar geen zorgen.’
Met elke ontdekking die ik deed over de vesting in het hart van de Enkulikan werd ik zenuwachtiger over het naderende gesprek. Als de Heer Draak zich zowel over een skelet van een lang uitgestorven serpent als de troon van een vernietigd keizerrijk beschikte… Hij moest nog vele malen machtiger zijn dan ik had gedacht.

Na een tijd waren we de voet van het plateau waar de troon op stond zo dicht genaderd, dat de wachters de menigte wederom liet stoppen. Gelukkig ging dat een stuk soepeler en geleidelijker dan de vorige keer, en de afgang van een tweede keer op de man voor mij botsen werd me bespaard.
Ik keek verbaasd toe toen iedereen om me heen plotseling door hun knieën ging en hun blik strak op het bloedrode tapijt onder hen richtte. Naar mijn weten was er nergens een teken gegeven of ook maar een woord gesproken, dus ik wist niet helemaal wat ik moest doen. Toen Andreas me een lelijke schop verkocht en snauwde ‘Buig!’, wist ik echter wel zeker wat ik moest doen. Ik ging door mijn knieën, nam eenzelfde positie aan als de ellendelingen om me heen en keek naar het tapijt onder me. Ik verwonderde me nog even over de fraaie patroontjes op de stof- langwerpige gouden draken die hun kaken in het vlees van een ander wezen plantten- maar bevroor toen ik een stem hoorde.
De woorden van de Heer Draak schalden door de zaal in het hart van de Enkulikan, en ze waren voor alle aanwezigen akelig goed te horen.
‘Dank u, dank u,’ zei de Heer Draak. ‘Ik ben vereerd door dit gebaar van onderdanigheid, maar alsjeblieft, hou je nek intact. In deze zaal is het geheel toegestaan met je luie reet op het tapijt te zitten.’
Het spreekt denk ik redelijk voor zich dat we dat ons geen twee keer lieten zeggen. Mensen zijn namelijk, heb ik meerdere keren gemerkt, van zichzelf uitzonderlijk luie wezens die in elke situatie eens kans zullen zoeken het zichzelf zo gemakkelijk mogelijk te maken. Luiheid werd zwaar bestraft in de duistere delen van Trallic, waar je praktisch voortdurend in de weer moest zijn met overleven om de volgende dag te bereiken, dus een ontspanning als deze was meer dan welkom. Ik ging maar al te gretig op het zachte, ongetwijfeld peperdure tapijt zitten. De rest van de menigte deelde mijn visie op het hele gebeuren.
Ik moet zeggen dat de troonzaal van de Enkulikan, één van de belangrijkste centra van macht in de hoofdstad van ons miserabele koninkrijk Allaric, in één klap heel wat gezelliger was geworden nu iedereen op de grond zat of zelfs lag, rug gebogen en handen op de onderbenen. Maar toen ik verder keek, verder dan de sluier die mij me ontspannen wilde laten voelen, merkte ik dat mijn lotgenoten nog niet geheel op hun gemak waren. Nu neem ik ze dat uiteraard helemaal niet kwalijk. We waren immers in een van de meest gevreesde, meest beruchte plaatsen van de stad, onder toezicht van een van de gevaarlijke mannen van Trallic- en geloof me, dat zegt heel wat.
Zelf was ik ook beslist achterdochtig jegens mijn omgeving, maar dat was wellicht te verklaren vanuit mijn aangeboren wantrouwen voor alle dingen onbekend. Hoe ik ooit ook maar een dag in Trallic heb kunnen leven, is mij nog altijd een raadsel.
Maar ik dwaal af. De Heer Draak was inmiddels zelf opgestaan van zijn troon- de befaamde Troon van Liscidir, als ik Andreas en mijn geheugen kon vertrouwen-, en had met enkel zijn rechtervoet een stap naar beneden gezet op het trappetje van vijf grijze stenen dat vanaf het stevige platform naar zijn zetel leidde. Ik kreeg hier onmiddellijk een vreemd gevoel bij. Dransin, of iedere andere koning op Haldar en de rest van de wereld, zou er niet eens aan gedacht hebben de moeite te doen op te staan, en al zeker niet om een toespraak te geven aan een stelletje vieze bendeleden en slachtoffers van desbetreffende bendeleden.
Dat was echter precies wat de Heer Draak van plan leek te zijn te gaan doen.
Zijn soepele stem schalde opnieuw door de zaal.
‘Mooi. Ik zal voor nu alle formaliteiten maar even in mijn figuurlijke broekzak houden, zogezegd, want formaliteiten, daar doen wij niet zo veel aan in de Enkulikan.’ De Heer Draak maakte veel scherpe bewegingen met verschillende ledematen terwijl hij sprak, een gegeven dat misschien kon wijzen op een zuidelijke afkomst.
‘Ik denk dat de meesten van jullie me al wel zullen kennen. Ik ben namelijk redelijk beroemd in deze charmante nederzetting. Voor degenen die me niet kennen: ik vervul de onbelangrijke functie van “Heer Draak”, en ik leid de kleine, schattige, volledig onschuldige instelling bekend als het Broederschap van de Draak.
‘Als je het nog niet doorhad, ik ben zo’n beetje de baas van heel Trallics, nou ja, onderwereld. De Achterwijken zijn van mij, tot aan de laatste steen en de laatste hoer en de laatste pond schijt toe. Ik heb connecties met meer belangrijke personen dan je je kunt voorstellen. De helft van jullie bezit ik, direct of indirect, en de andere helft van jullie heeft zoveel schulden bij me dat je van geluk moet spreken dat je niet allang in de Staalhart bent beland.
‘Maar ik ben niet heel beleefd aan het doen, wel?’ vervolgde hij. ‘Dan zal ik jullie maar het goede nieuws mededelen. Aangezien ik jullie bevrijd heb uit de klauwen van Augustin Chadra, in wiens mijnen jullie na een handvol maanden weggekwijnd zouden zijn van verveling, ben ik nu de eigenaar van jullie allemaal. Stuk voor stuk. Dat betekent dat ik met jullie mag doen wat ik wil.’
Die bewering kwam hem op heel wat ophef te staan. Verschillende mensen- waaronder, dat spreekt voor zich, ik zelf- zagen het idee bezit te zijn van zo’n gevaarlijke, roekeloze man niet geheel zitten. Het gebruikelijke protest dat ik de afgelopen paar uren al zo vaak gehoord had steeg weer op uit de menigte; meerdere personen begonnen luidkeels hun misnoegen te uiten. Al spoedig werd de troonzaal in het hart van de Enkulikan gevuld met rebelse kreten en onsubtiele verwensingen.
En uiteraard waren onze meerderen daar niet geheel blij mee. De Heer Draak was inmiddels terug gaan zitten in zijn troon, had zich voorover gebogen en keek nu met een duim en een wijsvinger op zijn kin naar de mensenmassa onder hem; maar zijn eigen dienaren waren helemaal niet van de herrie gediend. En herrie valt, zoals we allemaal weten, het best te bestrijden met meer herrie.
Op verschillende lompe, goudkleurige dingen die men trompetten bleek te noemen bliezen plotseling een stuk of zes vrouwen, die in een net rijtje op de estrade stonden maar me niet eerder waren opgevallen, zo hard als ze konden een mooi deuntje. Nu was het probleem echter, dat deze personen waarschijnlijk helemaal niet geoefend werden in het bespelen van zo een subtiel instrument. Wat een fraaie oproep tot stilte had moeten zijn, werd zo misvormd tot een lelijk getoeter waar zelfs de Nachtkoning nog van zou hebben moeten huilen.
Mijn lotgenoten vielen na de eerste klank al onmiddellijk stil, plotseling bang voor de woede van de Heer Draak; maar het rijtje vrouwen (ze waren erg knap, dat wel, maar niet heel snugger) bleef maar doorspelen op de trompetten. Dit ging enkele pijnvolle momenten zo door, tot de koning der kelensnijders zelf opstond van zijn troon. Hij slingerde een reeks voor ons onverstaanbare verwensingen naar het hoofd van de eerste de beste trompetspeelster, greep het goudkleurige ding uit haar trillende armen, brak het op zijn knie en gooide het in de richting van dezelfde vrouw, die echter allang van het plateau verdwenen was.
Goh, dacht ik, die heeft een temperament!
‘Ahem, nou, eh,’ stotterde de Heer Draak terwijl hij de nog niet gevluchte muziekmaaksters met een grote zwaai van zijn arm wegstuurde en wat denkbeeldig stof van zijn gewaad af veegde. ‘Goed. Terugkomend op de toespraak die ik aan het geven was. Ik vind het wel een beetje onbeleefd hoor, zo door mij heen te brullen terwijl ik ook maar mijn best heb gedaan dit uit m’n kop te stampen, maar ja. Wat ik dus wilde zeggen, is dat ik de slechtste nog niet ben. Ja, zelfs ik heb zo mijn momenten van medelijden en eventueel genade, kun je het geloven. Daarom heb ik besloten jullie vandaag voor een keuze te stellen. Een voorstel, zogezegd.’
O jee, dacht ik, nu komt het. Glarric bescherme me. Dít was het voorstel waar Andreas me over verteld had. Het voorstel dat ik moest aannemen om mijn schuld bij hem ongedaan te maken. Het voorstel dat mijn leven, heb ik mij later gerealiseerd, volledig en totaal op z’n kop zou zetten.
‘Ieder van jullie heeft twee opties, die ik nu af zal gaan, gewoon, omdat ik zo vriendelijk ben. Optie één: je zweert een eed van trouw aan mij en mijn opvolgers, wordt officieel lid van het Broederschap van de Draak, en volgt vervolgens alle taken op die je meerderen je geven. Optie twee: je zweert géén eed van trouw, vindt je weg uit de Enkulikan, en gaat verder met je miserabele leventje.
‘Nu zitten er uiteraard addertjes onder het gras,’ zei hij grinnikend, waarbij hij een vinger opstak en nonchalant twee stappen van het trappetje afdaalde. ‘Aan optie 1 zitten eigenlijk niets dan voordelen, voor jou en voor mij en voor Trallic in het algemeen. Wij bieden je een dak boven het hoofd, een wekelijkse betaling afhankelijk van hoe nuttig je voor ons bent geweest, en boven alles, een familie. Een kwart van Trallic, misschien wel meer, is verenigd in het Broederschap van de Draak, en die mannen en vrouwen zijn welvarender dan velen uit de Binnenstad. In het Broederschap zijn er geen regels- wij breken de regels. Samen. Samen zullen wij het bloed onder de nagels van de adel vandaan halen, en wij zullen hun macht van hen afpakken en aan de onderdrukten geven. In het Broederschap ben je verenigd in één groot koninkrijk van prachtige criminaliteit, en alles is toegestaan. Je hoeft er slechts één ding voor te doen. Ga iedere dag de stad in, verzamel geld of andere nuttige dingen- de hoeveelheid ligt helemaal in jouw handen- en breng het terug naar de Enkulikan. In ruil, een dak boven je hoofd, een familie, en een toestemming welke fratsen dan ook uit te halen met de kroonkussers.
‘Als dit nog niet genoeg is om je te overtuigen, weet dan dat als dat je mijn voorstel niet accepteert- en dus gewoon terugkeert naar wat je ook hiervoor dan ook aan het doen was- er een grote beloning op je hoofd komt te staan. Je zult een tijdje door kunnen gaan met je leven in Trallic, rustig afscheid kunnen nemen van de misère die je gewend bent, maar na een paar dagen zul je aan je ballen opgehangen worden boven de Zarra Cestovari, zogezegd. Niemand slaat mijn aanbod af. Niemand weigert de Heer Draak.’ Niemand weigert de Heer Draak, jongen. Andreas’ woorden. Ik begon de waarheid in die woorden in te zien. De uitspraken die men hier gewend leek te zijn te doen, waren genoeg om mij angst in te jagen, en ik was me er helemaal van bewust dat de Heer Draak geen grapjes maakte over de maatregelen die hij bij disloyaliteit zou nemen. De blonde jongeman in de lange leren jas mocht dan wel op het moment een nonchalante indruk maken, maar hij had vaak genoeg zijn harde kant laten zien. Trallics derde koning regeerde met ijzeren hand over de ratten die in de duistere wereld onder en rondom hem kropen en door de knieën gingen zodra hij knipte met zijn vingers.
Je kunt je dan ook vast en zeker met ook maar de minste mate van fantasie voorstellen dat bijna niemand in de troonzaal er ook maar een moment aan dacht het aanbod in de wind te slaan. Velen van mijn lotgenoten mochten dan wel niet al te snugger zijn in hun gedrag, maar ze wisten net zo goed als ik dat zij in geen positie waren te weigeren.
Ik keek voorzichtig de menigte rond, nog steeds in een ietwat ongemakkelijke houding gezeten op het donkerrode tapijt, en deed een poging de stemming te peilen. Meerdere mensen tikten elkaar aan, fluisterden zenuwachtig in andermans oor en probeerden in enkele zeldzame gevallen nog een beslissing te nemen. Veruit het grootste deel bleef echter naar beneden staren, bang en nerveus en vervuld van vrees voor de toorn van de Heer Draak. Ik durfde het aan een blik te werpen op degene die binnenkort mijn meester zou zijn- ik had mijn keuze uiteraard allang gemaakt. De Heer Draak was gaan zitten op een van de goudkleurige treden, had zijn armen op zijn benen gelegd en keek nu met een slinkse grijns de menigte in, genietend van de macht die hij uitoefende over deze arme mensen. Eén angstaanjagend moment lang dacht ik dat hij zijn ogen over mij liet gaan, maar ik besefte al spoedig dat het dwaasheid was dat te denken: de koning der kelensnijders keek naar alle waarschijnlijkheid naar niemand in het bijzonder, en al zeker niet naar een onopvallende en niets-betekenende verschoppeling als ikzelf. Aan de andere kant- was dat niet wat iedereen hier was?
Ik was nog verbaasd dat de mensenmassa, op elkaar gedrukt en gespannen als ze waren (dat laatste was gewoon te ruiken in de lucht en te zien op elk willekeurig gezicht), niet in een verontwaardigd geroezemoes of luidruchtig protest uitgebarst waren, zoals ze al zo vaak hadden gedaan de afgelopen uren. Niet heel lang geleden hadden meerdere personen nog bij een of ander stoffig oud familie-artefact gezworen dat ze de Heer Draak bij zijn keel zouden grijpen, z’n ballen eraf zouden snijden en de inhoud van hun gehemelte in zijn gezicht zouden deponeren. Die dreigementen- die me toentertijd aardig hadden geïntimideerd, moet ik eerlijk zeggen- waren nu blijkbaar vergeten en vergeven, en hadden plaatsgemaakt voor een doodse stilte die je absoluut niet zou verwachten bij een stelletje als dit. Ik voelde onmiddellijk aan dat de Heer Draak een vreemd soort invloed had op de gedachtes en het gedrag van mensen. En dat vermoeden zal nog vele malen bevestigd worden voordat dit verhaal ten einde is.
Uiteindelijk kwam er een einde aan de ongemakkelijke stilte die was gevallen over het hart van de Enkulikan. Een bewaker (ik vermoed dat het dezelfde was als die beweerd had uit de zanden van Akanif te komen, hoewel ik het van een afstandje niet heel duidelijk kon zien) benaderde de nog altijd glimlachende Heer Draak en fluisterde wat enkele woorden in zijn oor, waarna de grijns op het gezicht van de koning der kelensnijders verdween als sneeuw voor de zon. Hij kwam overeind, rechtte zijn rug en schraapte zijn keel.
‘Dus,’ begon hij. ‘Nu dat allemaal geregeld is, kunnen we denk ik-’
De poort naar de troonzaal zocht juist dat moment uit om op beslist barbaarse wijze opengegooid te worden en zo de toespraak van de Heer Draak aardig te verstoren.
Alsof ik zojuist door een van de beruchte slangen uit de eilanden van de Canach gebeten was (ik ken het gevoel maar al te goed), draaide ik mijn hoofd naar de deur; de rest van de ellendelingen deed haast als één wezen hetzelfde als ik. Uit de opening scheen een vaag licht de hal binnen, en een nagenoeg onverstaanbaar geroezemoes werd meegevoerd door de wind van verandering. Maar noch het licht, noch de wind kwam ook maar in de buurt van het belangrijkste dat de Drakenhal op dat moment betrad.
Door de deuropening stapte een hele reutemeteut aan personen- leden van de Drakengarde, aan hun pikzwarte gewaden te zien-, geleid door een figuur dat er als één van de vele kronkelende torens van het Centrale Paleis bovenuit stak. Ik was heel wat stappen van het groepje verwijderd, dus ik kon tot mijn grote spijt niet bijzonder veel details zien van degenen die als een horde bizons de zojuist zo vredige zaal binnengestormd kwamen. Maar op dat moment maakte dat ook weinig uit.
‘Wat in de negen putten van de hel heeft dit te betekenen?’ Een vrouwenstem, hoorde ik, hoog en zuiver maar op geen enkele manier minder intimiderend dan de woorden van ruige Andreas. Ik zag het figuur aan het hoofd van de groep wild met de armen zwaaien terwijl het zich een weg naar voren baande, waaruit ik automatisch afleidde dat het wel degene moest zijn van wie de stem afkomstig was- een vrouw dus. Enigszins verrassend, dat wel, maar totaal niet ongewoon. ‘Wat voor rotzooi heb je nu weer naar de familie gebracht, hè, Corma? De hele godverdomde Enkulikan is gevuld met deze stinkende debielen, en ik kan wel raden wiens schuld dat is, verdomme!’
Ik probeerde verschrikt een brok in mijn keel door te slikken, maar die poging was niet geheel succesvol. Ik maakte mezelf zo klein mogelijk terwijl de nog onbekende vrouw en haar gevolg stijf voorbij liepen, hun zware laarzen stampend op het fraaie tapijt. Toch durfde ik voorzichtig over mijn schouder te kijken. Het viel me op dat de leider een masker had om haar gezicht te verbergen, een masker zo zwart als de rest van haar wapenrusting en op zo’n manier gevormd dat het min of meer leek op de kop van een draak. Ze droeg op talloze plekken messen, dolken en andere vlijmscherpe wapens mee, naast het paar glinsterende zwaarden in de schedes bevestigd aan haar rug. Het koude staal van de zwaarden leek me aan te staren, en ik kroop haastig terug in mijn figuurlijke holletje.
‘Ja, ik heb je vervloekte taak uitgevoerd!’ tierde de vrouwelijke wachter door en maakte nog immer kwade gebaren. De vloedgolf van woede waarmee ze ons overspoelde leek zo onstuitbaar te zijn als de de stroom van de machtige rivieren der wereld, zo stevig als de besneeuwde pieken van de reusachtige bergen die oprezen in het verre noorden. Ik keek naar de Heer Draak, hopend dat hij een einde zou maken aan deze gekkigheid; maar de koning der kelensnijders zat daar maar, voorovergebogen op de Troon van Liscidir, bevroren alsof hij zojuist het einde van de wereld had gezien. ‘Ik heb de keel van die sukkel recht opengesneden, en dat terwijl hij op z’n knieën zat en me smeekte het niet te doen! Hij smeekte me, Corma, hij smeekte me! Maar nee hoor, Sombra toont geen genade, Sombra voert de orders van de Heer Draak op tot op het woord, dat goede, altijd gehoorzame wijf! “Geen genade voor de verdoemden”, heb ik gelijk? Zijn bloed, Corma, zijn bloed overal over mijn kleren en in het hele godverdomme paleis! Eén grote teringzooi! En waarvoor? Niks! Eén arme dikzak meer vermoord, één onschuldige meer drijvend op zijn buik in de Zarra Cestovari, en wat krijg ik ervoor? Ik kom hier binnen, hier in de Enkulikan, en ik wil eens lekker in bad en een paar dwazen neuken na een lange werkdag, zoals ik godverdomme verdien! Maar wat kom ik tegen? Hè? Dit! Hoe lang duurt het nog voordat je me opdraagt de pik van de koning in mijn mond te proppen, hmm? Hoe lang duurt het nog voordat dit hele Broederschap in elkaar stort als een-’
‘Genoeg!’ galmde de schreeuw van de Heer Draak door de zaal. Geschrokken keek ik omhoog, niet langer bang voor het aanzicht van de in het zwart geklede wachters van de Drakengarde, en keek naar de muur in de verte. Daar zag ik de leider van dit haveloze zooitje, opgestaan van zijn troon en bruisend van woede, zijn lange gewaden onhandig uitgespreid over de vloer en in elkaar verwikkeld. Ondanks de grote afstand tussen mij en de Heer Draak kon ik de blik in zijn ogen helder en duidelijk zien, een blik zo intens dat het ijzer had kunnen laten smelten en duivels had kunnen laten janken van angst. De plotselinge uitbarsting had veel van de aanwezigen trillend achtergelaten, en in de doodse stilte sprak niemand een woord.
Eindelijk ging de Heer Draak weer op zijn troon zitten. Hij deed met alle macht een poging zijn bont en zijn mantels netjes te houden, maar struikelde uiteindelijk toch achteruit en viel op een enigszins onnozele wijze half op het eeuwenoude artefact. ‘Dat is genoeg, Sombra,’ zei hij opnieuw. Het overweldigende volume van zijn stem was verdwenen, maar de woede en verontwaardigende en de doordringende glinstering in zijn ogen waren dat zeker niet. ‘Ik zal dit soort taalgebruik niet accepteren, en zeker niet in het bijzijn van onze… gasten. En bij Glarric, doe dat masker af! Het ziet er dommer uit dan mijn oma die-’
‘Hou je bek over Glarric, goddeloze idioot!’ siste de vrouw die Sombra werd genoemd. Ze was inmiddels op minder dan tien stappen van de trap naar de troon genaderd, nog steeds gemaskerd door de kop van een pikzwarte draak, en zwaaide met één van haar glinsterende zwaarden dreigend naar de man boven haar. ‘Jij bent geboren in Duirmon, jij slang, in het zuiden! Jullie Duirmani weten niets van genadige Glarric! Niks, zeg ik je!’
Op dat moment fronste de Heer Draak diep en opende hij zijn mond om iets te gaan zeggen (ik had sterk het vermoeden dat het een weinig subtiele belediging naar de in het zwart geklede vrouw zou zijn), maar iemand was hem te vroeg af. Uit de schaduwen links van de Troon van Liscidir stapte een stevig gebouwde man met krullend bruin haar en een charmant stoppelbaardje. Hij was gekleed in een simpele wapenrusting van donker leer en talloze riemen, had de bovenste knoopjes van zijn bovenkleding nonchalant opengehouden en droeg een gigantische, simpele houten strijdbijl op zijn rug. In zijn hand hield hij echter een ingewikkeld uitziende boog vast, waarvan hij de pees gespannen had en de pijl nu recht op de vrouw Sombra gericht had.
‘Pas op, schat,’ mompelde hij met een lichte grijns op zijn met littekens bedekte gezicht. ‘Kom aan de Heer Draak, dan kom je aan mij. Hetzelfde geldt voor beledigingen en dreigementen. Doe dat nog eens, en ik jaag deze pijl recht door je strot, begrepen?’
De Heer Draak, die zijn armen op zijn knieën had gelegd en zijn handen in elkaar had geslagen, draaide zijn hoofd met een frons en een verwilderde blik naar de man met de boog. Opnieuw leek hij wat toe te willen voegen aan de discussie, maar opnieuw kreeg de koning der kelensnijders niet helemaal wat hij wilde.
‘Bayraz! Waar ben je in hemelsnaam mee bezig! Doe dat ding weg!’ Een diepe, krachtige stem, die desondanks stonk naar hoge ouderdom, werd spoedig vergezeld door het verschijnen van een vierde gestalte. Een man was opgestaan van een bescheiden stoeltje dat eerst onttrokken was geweest aan mijn zicht, en stelde zich nu op rechts van de troon. Alles aan deze man schreeuwde ouderdom, en alles aan hem was grijs. Niets dan grijs. Hij ging gekleed in een eenvoudig grijs gewaad dat niet verder kwam dan zijn enkels, had slechts een paar grijze haren op zijn verder kale hoofd, en had een al even grijze houten staf in zijn hand die ik dacht te herkennen uit een of ander prentenboek uit mijn jeugd. Zelfs zijn ogen leken van een afstandje grijs, hoewel dat wellicht slechts bedrog was.
‘Hou je erbuiten, Marrus!’ schreeuwde de vrouw in het zwart naar de man in het grijs. Bijna op hetzelfde moment hoorde ik de krijger met de boog snauwen: ‘Ga weg, Max. Nu. Dit is geen plaats voor jou.’
‘Jazeker is het een plaats voor mij!’ kaatste de nieuwkomer terug. ‘Dit is waar ik altijd ben, en ook altijd zal zijn! Ik zal de Heer Draak dienen tot ik in de bleke ogen van de dood kijk en ik de paden naar de Verdoemenis bewandel!’
‘Misschien is dat wel sneller dan je denkt!’ krijste de commandant van de Drakengarde terwijl ze wild zwaaide met haar zwaard en met de linkerhand dreigende bewegingen maakte rond haar keel. Ze had nog steeds haar gezicht verhuld met het intimiderende masker, maar toch kon ik me voorstellen hoe haar ogen vuur spuwden zo heet als het oppervlak van de zon. ‘Misschien zoek ik je vannacht wel even op, hè?’
‘Niet als ik eerst jóuw keel opensnijd, wat dacht je daarvan?’ schoot de man met de boog lelijk grijnzend in.
Toen viel er, geheel buiten mijn eigen verwachtingen, een stilte in de troonzaal in het hart van de Enkulikan. Niemand sprak een woord. Niet de stijve wachters van de Drakengarde, niet de grijnzende maar doodserieuze krijger in de leren wapenrusting, niet de trillende oude man in zijn grijze gewaad. Zelfs de Heer Draak hield zijn mond, zittend op zijn troon, zijn bezorgde gezicht verborgen in sterke, verweerde handen. De ellendelingen op het bloedrode tapijt hielden hun adem in, angstig voor zich uitstarend naar al het verbaal geweld voor hen. Plotseling deed de vrouw Sombra haar zwaard terug in de schede op haar rug, pakte ze het zwarte masker stevig vast en smeet ze het met een ruk op de grond. Het ding rolde over de grond en kwam enigszins dramatisch nét voor het trappetje naar de troon tot stilstand.
Ondanks het feit dat ze haar masker eindelijk had afgeworpen en nu haar ware gezicht toonde aan de Heer Draak, kon ik nog steeds niet zien hoe ze er precies uitzag. Wel zag ik haar haren. Die waren vreselijk warrig, reikten helemaal tot aan het midden van haar rug en hadden de kleur van het drakenvuur van weleer: een authentiek, onvervalst vurig rood. Passend, dacht ik, voor iemand met een hoge rang binnen het Broederschap van de Draak.
‘Durf dat nog eens te zeggen,’ snauwde de vrouw, nauwelijks hoorbaar voor de meeste nieuwkomers. ‘Durf het. Je valt dood voordat je om je moeder hebt kunnen schreeuwen.’
‘Dat laat ik me niet zomaar zeggen!’ siste de man in het leer. Hij hief de boog hoog voor zich uit en richtte op zijn tegenstander, probeerde uit alle macht intimiderend te lijken; maar het effect ging enigszins verloren door het zenuwachtig trillen van zijn hand.
Het is wellicht een vreemd beeld dat ik nu schets, dat realiseer ik me ten volste. Een troonzaal met de stoffelijke overblijfselen van een beest uit de legendes hangend aan het plafond. Een knappe blonde man in de gewaden van een koning zittend op de beroemdste troon ter wereld, zijn handen in elkaar geslagen en zijn blik zinspelend op wanhoop. Een stevige, met littekens bedekte krijger die een enorm monster van een boog gericht had op een indringend kijkende vrouw met haren rood als vuur, maar die desondanks leek te trillen van angst. Een oude grijze wijsgeer aan de zijde van de koning die geen koning was, zijn lichaam dun en zijn huid bleek en verweerd, zijn borstelige wenkbrauwen vertrokken in een frons die ergens tussen woede en bezorgdheid leek te balanceren. En eromheen een gehavende bende, een verzameling ellendelingen met hun luie reeten op een tapijt van bloedrood en goud, angstig kijkend naar het tafereel voor hen en niet wetend wat te doen. Ja, een vreemd beeld is het. Trallic kan een merkwaardige plek zijn, af en toe.
De man in het grijs deed voorzichtig een poging de ontstane problemen op te lossen. ‘We realiseren ons allemaal wel dat deze discussie werkelijk-’
‘GENOEG!’ De uitbarsting van de Heer Draak liet de fundamenten van de troonzaal haast trillen van schrik, en de drie rivalen deinsden zenuwachtig terug. Mijn lotgenoten krompen in elkaar, de oude wijsgeer struikelde naar achteren en viel half tegen de muur, en de krijger liet onbedoeld de pees van zijn boog los. De pijl schoot door de lucht en kwam terecht juist voor de voeten van de vrouw in het zwart, die als enige haar zenuwen enigszins had weten te behouden; maar niemand durfde het aan hun blik af te halen van de Heer Draak. Die was met een ruk opgestaan en sloeg nu met zijn vuisten verwoed op de gouden leuningen van zijn troon, een angstaanjagend woedende uitdrukking op zijn normaal zo knappe gezicht. ‘Ik zei, genoeg, alle drie! Sinds wanneer is Jarin Ozke dara Bayraz de Heer Draak van het Broederschap? Sinds wanneer zit Sombra Slava op de Troon van Liscidir? Sinds wanneer is Maximilian Marrus de derde koning van Trallic, hè? Zeg het me!’
Niemand sprak. De man met de houten strijdbijl keek fronsend naar de man in het grijs, die op zijn beurt weer naar de commandant van de Drakengarde staarde.
‘Dat dacht ik ook! Volgens mij is het nog steeds Laureano Corma die het Broederschap van de Draak leidt! Volgens mij is het nog steeds Laureano Corma die dit stinkende hol van een stad heeft verrijkt met zijn aanwezigheid! En volgens mij is het nog steeds Laureano Corma die een ongeorganiseerd stelletje debielen zoals jullie omgevormd heeft tot een kracht om rekening mee te houden! Dus waag het niet, waag het niet om mij nog één keer te onderbreken, of ik zal jullie hoofden zien rollen door de modder. Meteen! Alle drie! Is dat duidelijk?’ Stilte. ‘IS DAT DUIDELIJK, ZEI IK!’
De drie rondom de troon konden niet veel anders dan haastig knikken om verdere woede-uitbarstingen te voorkomen. Ze kwamen allemaal tegelijkertijd in beweging. De man in het grijs trok zich terug in de schaduwen, zachtjes in zichzelf mompelend en voortdurend buigend om zijn spijt te uiten. De krijger in de leren wapenrusting hing zijn monsterlijke boog over zijn rug, stak beide handen in de zakken en leunde nonchalant tegen de eerste de beste pilaar, zijn gezicht praktisch onleesbaar. En de vrouw met de vuurrode haren leek op een of andere voor mij totaal onbegrijpelijke manier weer te ontspannen, liep losjes naar het trappetje en ging zitten op één van de grijze treden, haar bleke hand stevig om het gevest van een van haar zwaarden.
‘Fijn. Dan is dat geregeld,’ zei de Heer Draak, maar ik was er niet helemaal van overtuigd dat deze discussie geen consequenties zou hebben voor de betrokkenen. Zoals Aethan Conda en de beste Andreas mij al duidelijk hadden gemaakt, kon ingaan tegen de Heer Draak in deze delen van Trallic gelijk staan aan een wisse dood.
Voor nu leek dat echter nog even niet aan de orde te zijn. De koning der kelensnijders sloeg vastberaden zijn bonten mantel om zich heen, ging zitten op zijn troon en legde zijn armen over de gouden leuningen. Zijn bewegingen waren niet langer zenuwachtig, verbaasd of simpelweg onhandig, en ik kreeg sterk het gevoel dat al dat toekijken en geklungel van zojuist slechts een illusie was geweest, een meesterlijk uitgevoerd mini-toneelstuk om zich anders voor te doen dan dat hij wellicht was. Nu zat hij daar op de eeuwenoude Troon van Liscidir, zijn ene arm ontspannen liggend op het glinsterende goud en zijn andere in een vuist langs zijn hoofd, een blik in zijn ogen die harder was dan de hardste steen. Dit was een man om tegenop te kijken, wist ik nu, een man om te dienen en te gehoorzamen. En plotseling vond ik het niet eens meer zo gek dat deze blonde jongeman de Heer Draak van Trallic had kunnen worden en zowat de hele criminele wereld had weten op te eisen in krap vier jaar.
Opnieuw was het akelig stil in de centrale zaal van de beroemde en beruchte Zwaardentoren. Ik en mijn lotgenoten- mijn lotgenoten en ik, excuses- hadden de hele tijd verbaasd staan kijken naar het vreemde tafereel, verwoed pogingen wagend onze mond níet open te laten vallen van pure verrassing. Simpel gezegd: een verhitte discussie tussen een handvol personen met een belangrijke positie binnen het Broederschap, bijgestaan door doodsbedreigingen en agressieve gebaren van alle kanten, was niet precies wat we verwacht hadden toen we praktisch uit de bomvolle bunker gesleurd werden om vervolgens gedumpt te worden in het kloppend hart van de Enkulikan.
Uiteraard was het de Heer Draak, nog steeds een tikkeltje leunend naar rechts en met een blik van pure duisternis, die het woord nam en mij zo uit mijn gedachten sleepte.
‘Ahem,’ begon hij, onhandig rommelend in een van zijn broekzakken. Langzaam maar zeker haalde hij er een voorwerp uit dat er vanaf hier uitzag als een soort draagbare klok. Hij nam zijn tijd terwijl hij een blik wierp op het horloge, zijn hoofd quasi-teleurgesteld schudde en het vervloekte ding een tikkeltje dramatisch weer in zijn zak stopte. ‘Weet je, ik had hier allang klaar willen zijn. Ik heb meer dingen te doen, kun je je misschien wel voorstellen.’ Hij wierp een blik van zuiver vergif naar de drie die om hem heen stonden. ‘Het besturen van meer dan de helft van een stad is al best wel ingewikkeld, zal ik maar zeggen, zeker als deze drie kraaien hier mij constant lastig zitten te vallen.’
Nu was het de beurt van de drie om met een frons naar de Heer Draak te kijken, maar die negeerde hen straal en met een lichte hint van een glimlach spelend om zijn mondhoeken.
‘Hoe dan ook, ik denk dat dit een perfecte gelegenheid is jullie eens voor te stellen aan onze kleine disfunctionele familie, denk je niet?’ Alle ogen richtten zich op de drie personen die zich om de Heer Draak heen verzameld hadden: de vrouw met de rode haren rustend op het trappetje, de man in het grijze gewaad op een armzalige houten stoel die aardig uit de toon viel bij het gigantische gouden gevaarte ernaast, en de man met het stoppelbaardje losjes leunend tegen de pilaar. Een vreemd stel, dat waren ze, maar deze drie waren vertrouwelingen van de Heer Draak. Vrienden, zou ik bijna kunnen zeggen. Misschien zijn enige in heel Trallic en omstreken.
‘Dit zijn mijn dichtste dienaren. Ze zijn stuk voor stuk oneindig loyaal aan mij, en zullen je zielige kop van je romp scheiden als je er ook maar aan denkt één haar van mijn hoofd te krenken. Ik zou dus twee keer nadenken voordat je iets probeert bij ze.’ Hij glimlachte lichtjes, maar het gezicht van zijn vertrouwelingen was nog altijd onleesbaar. ‘Laten we beginnen met Jarin. Dit hier is Jarin Ozke dara Bayraz, misschien beter bekend als de Schorpioen,’ klonk de soepele stem van de koning der kelensnijders, die met een haast ongeïnteresseerd gebaar de man met de bijl aanduidde. ‘Ieder van jullie denkt nu waarschijnlijk dat hij een huurling is. Tot vijftien jaar geleden was hij dat ook. Ruige tijden achter de rug, vele gevechten meegemaakt en al dat soort onzin. Om een lang verhaal kort te houden: die littekens komen echt niet van ‘s nachts uit bed flikkeren of struikelen over wat groene zeep. Mijn geboortestad heeft haar leven te danken aan de offers die hij gebracht heeft, en ik heb mijn eigen leven te danken aan zijn doorzettingsvermogen in het Land van Duizend Ruïnes. Daarnaast moet ik erbij vermelden dat die strijdbijl- “Maanklever”, was het toch?- aan het einde van je Weg zal staan als je de regels van de Enkulikan breekt. Wat ik wil zeggen is: pas op voor Jarin.’
De Heer Draak richtte zijn blik op de man Jarin, die nog steeds tegen het marmer geleund stond en met een lichte frons de menigte in zich opnam. Trallics derde koning leek te wachten op een applaus, ongetwijfeld geschikt voor deze situatie, maar er kwam geen enkel geluid uit de mensenmassa. Niemand durfde meer een woord te zeggen na de uitbarsting van zojuist.
De Heer Draak schraapte zijn keel, een hint van ongemakkelijkheid in zijn manier van doen, en maakte een wegwerpgebaar. ‘En dit is Maximilian Marrus,’ vervolgde hij, wijzend naar de grijze man die als een wijsgeer naast de troon zat op zijn zielige stoeltje. ‘Immer mijn bron van wijsheid in roerige tijden. Zijn intellect heeft mij geholpen om van de chaos in Trallics onderwereld een eenheid te maken. Was ooit de raadgever van de aartsmagister van Duirmon, totdat die vervloekte Novus Decimus Dorne de boel platgooide en ons tot duistere daden zette. Nu geeft hij mij raad in tijden dat ik die nodig heb. Daarnaast heeft hij de doorstroming van geld in alle bordelen, gokpaleizen en arena’s in Koningskroon en omstreken in handen. Hij mag dan niet de beste zijn met het zwaard, maar zonder hem zouden we hier allemaal niet zitten, daar kan je zeker van zijn.’
Hij knikte kort naar de man Marrus, en die boog eerbiedig zijn hoofd. Ik vroeg me sterk af hoe iemand die zó oud was- de goede man wekte sterk de indruk dat hij vanaf zijn geboorte al stokoud was geweest- het meerdere jaren met een explosief type als de Heer Draak kon uithouden, maar weigerde er verder te veel over na te denken.
‘Ah, en dan kunnen we onze beste Sombra natuurlijk niet vergeten!’ lachte de prins van de Enkulikan. ‘Maak kennis met Sombra Slava. Dodelijkste vechter in Trallic en omgeving, grootste schreeuwlelijk van Haldar, en, zoals je misschien al opgemerkt hebt, de commandant van de Drakengarde.’
Eindelijk kreeg ik de kans eens goed te kijken naar de vrouw die niet zo lang geleden de troonzaal was binnengestormd en de gang van zaken volledig had verstoord. Deze Sombra Slava was een hoogst merkwaardig schepsel. Haar warrige, vuurrode haren waren werkelijk een lust voor het oog, jazeker, en onder de strakke pikzwarte wapenrusting van de elitesoldaten van het Broederschap gingen duidelijk vrouwelijke rondingen en een bewonderenswaardige boezem schuil. De weinige stukken blote huid die ik kon zien waren zo bleek als het licht van de maan en de sterren in een nacht uit de sprookjes. Haar gezicht was bedekt met een deken van sproeten, de kaaklijn en de jukbeenderen waren scherp en uitgesproken, en in haar ogen brandde een vuur warmer dan de kleur van haar haren. Maar er was iets… vreemds aan haar. Iets dat ik niet helemaal kon plaatsen.
Maar dat maakte voor nu even niets uit. De Heer Draak nam het woord.
‘Ik denk niet dat ze wil dat ik haar hele verleden hier en nu op ga noemen,’ -de vrouw Sombra schudde verwoed haar hoofd, waardoor haar haren alle kanten op vlogen in een zee van vuur- ‘dus ik zal het kort houden. Ze heeft mijn leven gered. Ze heeft me door de brandende straten van Duirmon gedragen. Ze heeft voor me gevochten, voor me gestreden en voor me gebloed toen het Broederschap nog slechts één van Trallics duizenden bendes was. En ze zou het graag nog een keer doen, in geval van nood. Kom je aan mij, kom je aan Sombra, en andersom. Daar komt nog eens bij dat wij samen heel wat nachten hebben-’
Hij kapte zichzelf haastig af toen hij merkte dat Sombra hem met een dodelijke blik aankeek en zijn opmerkingen totaal niet gepast waren voor deze situatie. Een andere keer, misschien, maar niet nu.
‘Ja, dus,’ mompelde de Heer Draak, zoekend naar de juiste woorden. ‘Eh… Wat was ik… Khast! Godverdomme Sombra, je hebt me weer helemaal uit balans gegooid.’ De vrouw met de rode haren maakte uitdagende bewegingen met haar wenkbrauwen en wendde zich toen weer naar de menigte. En de koning der kelensnijders leunde naar voren, plaatste zijn ellebogen op zijn benen en sloeg zijn handen in elkaar.
In de stilte die er viel wisten we allemaal wat er zou gaan komen. Het moment van de waarheid was aangebroken, het moment waarop dit stelletje ellendelingen zou beslissen over hun toekomst hier in Trallic. De Heer Draak zou nog een keer zijn aanbod doen, en wij zouden een eed zweren of deelnemen in een of ander vaag ritueel. Of zo iets dergelijks.
Het zweet begon mij uit de breken. Niemand weigert de Heer Draak, jongen. De woorden spookten nog immer door mijn hoofd. Ik móest accepteren. Er was geen keuze. Een tweesprong aan het einde van het pad. Twee wegen die zich hier splitsten, en één ervan leidde naar dood door verdrinking, verstikking of het ontvangen van een pijl door m’n strot.
Dit was het moment. Ik voelde mijn lot volledig op z’n kop gezet worden, en wist dat deze dag de rest van mijn miserabele leventje in deze vervloekte stad onherroepelijk zou gaan veranderen. Er was nu geen weg terug meer.
De Heer Draak stond op en sprak. Ik slikte een brok in mijn keel weg en deed mijn best me te vermannen. Of ik daarin geslaagd ben weet ik niet.
Het was op dat cruciale moment dat mijn lichaam besloot zichzelf uit te schakelen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 716
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Ik ben Trallic (fragment)

zo jan 08, 2017 7:09 pm

Hoi Jochem,
Leuk dat je hier een verhaal post. Ik zou je willen aanraden gewoon bij hoofdstuk 1 te beginnen. Het is makkelijker om aan te geven of het leuk is, omdat je dan ook de start mee maakt. Als ik het nu zou lezen, val ik ergens midden in. En - mijzelf kennende - snap ik dan mogelijk de helft niet en haak ik af. :oops: En dat lijkt me zonde, als je eerlijke feedback over de inhoud wil.

Daarnaast kun je het beste 1 à 2 pagina's per keer plaatsen (met wat tijd er tussen), zodat het behapbaar is om te lezen. Nu is zo ontzettend lang, wat in boekvorm geen probleem zou zijn. Dan stop je er een boekenlegger tussen en pak je het een volgende keer weer op. Op een scherm doe je dat niet en de door lengte geven mensen het vaak niet eens een kans. =/

Ik hoop dat ik niet te bot overkom. Als je bij hoofdstuk 1 of de proloog begint, wil ik het graag lezen. Ik heb het eerste stukje gelezen en dat kwam goed en spannend over. Dus het heeft potentie, maar ik maak het liever van het begin mee en leer dan de personages kennen. ;)
It always seems impossible until it's done. Keep writing!

Terug naar “Fantasie”