Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel XI

di okt 10, 2017 12:49 pm

Op de grond zag Tara één van de ontelbare klodders bloed liggen. De vreemde neiging kwam in haar op om door het gras te kruipen en het bloed tot zich te nemen als een van de legendarische weerwolven uit de verhalen van Ysvarolek en zijn Rijders uit het Wilde Noorden. Ze wist de neiging niet te weerstaan. Tara Karasethe, de Vloek der Koningen, de gevreesde engel van de dood eens berucht van Darlasse tot Allisar, ging op handen en knieën en liet haar tong als een bloeddorstig beest over de overblijfselen van de man Nergal gaan.
Ze werd gedwongen op te houden toen ze een geharnaste hand op haar schouder voelde.
‘Tara!’ klonk een snauwende stem, scherp als het staal van een wapen uit de legendarische smidsen van de Wilde Elven van de Aren Duir. ‘Wat ben je in hemelsnaam aan het doen? Hou ermee op! Dit is niet wat Seban gewild zou hebben!’ Tara draaide haar hoofd met een beestelijk gegrom naar kapitein Bredon Jassil, die verafschuwd had staan kijken naar het afgrijselijke tafereel. Ze siste als een slang.
‘Wie denk jij wel dat je bent, oude man? Weet je wel tegen wie je spreekt? Ik ben-’
‘Ik weet wie je bent,’ onderbrak Bredon haar. De jonge huurmoordenares wendde haar hoofd af en keerde terug naar het oplikken en tot zich nemen van de resten, maar daar liet de kapitein zich niet door tegenhouden. ‘Op het moment ben je een wanhopig, bloeddorstig en uitzinnig beest. Maar dat is niet zoals ik je ken! Zie het licht, Tara! Ga niet ook verloren, zoals Se-’
Met een kreet uit het diepste van haar hart kwam Tara razendsnel overeind en haalde ze uit naar de oude soldaat. Haar vlijmscherpe klauwen waren als messen in de handen van de dood en maakten drie diepe sneden in de kwetsbare borst van de verraste Bredon. De bevelhebber strompelde naar achteren, viel op zijn knieën en hield zijn beide handen zwijgend tegen de gapende wond. Toen stortte hij in.
Glimlachend liep Tara naar het lijk en boog zich erover. Diep in de donkere dieptes van de krankzinnigheid gestort kuste ze hem vurig op de lippen, niet tegengehouden door het feit dat hij veel ouder was dan zij en nu het leven verlaten had- en dat hij enkele momenten terug nog lachend met haar had gesproken over de gewaagde reddingsmissie. Ze bewoog zich met grote bewegingen over het levenloze lichaam van de in koelen bloede vermoorde kapitein zoals een minnares over het naakte lichaam van haar geliefde beweegt. Toen liet ze los, plantte haar scherpe nagels in zijn keel en zette haar lippen op zijn huid.
Net voordat ze zijn keel wilden openrijten om al het bloed dat hij nog had op te zuigen, hoorde ze in de struiken voor haar een verdachte ritseling. Met gespitste oren en een frons van haar wenkbrauwen keek ze op van haar bezigheden, net op tijd om de achterkant van de vrouw Sise haastig de open plek te zien ontvluchten. Tara kwam overeind, greep haar zwaard en rende haar achterna.
De achtervolging voerde haar terug naar de duisternis, terug naar de diepe schaduwen tussen de dicht op elkaar geplaatste bomen en afgestorven doornstruiken. Tara rende, blind voor de gevaren die nog immer op haar pad lagen op de heuvels en in de dalen van het woud.
Uiteindelijk wist ze haar doelwit in te halen. De knappe naakte vrouw met de blonde haren en de smalle heupen had uit alle macht geprobeerd te ontsnappen aan het kwaad dat één van haar bondgenoten was overkomen; maar haar vlucht was geëindigd toen ze onhandig struikelde en als een idioot in een plas donker water terecht kwam. Daar was ze blijven liggen, en daar keek ze verafschuwd toe terwijl de engel van de dood haar naderde. Het koude staal van Valarite staarde haar aan.
‘Alsjeblieft, dood me niet!’ smeekte ze, waarbij ze ontkennend schudde met haar hoofd. ‘Ik heb je niets misdaan! Het is de eik. De eik die-’ Een ijzige schreeuw liet de nabij in de boomtoppen gezeten raven krassend opvliegen toen Tara een versplinterde tak in de buik van de kwetsbare vrouw stortte. De jonge huurmoordenares greep met onnatuurlijk gemak de tak vast- met de krijsende vrouw Sise er nog aan- zette die vast tegen de harde stam van de dichtstbijzijnde boom en haalde een tweede boomstronk tevoorschijn. Die joeg ze, geholpen door de kracht die ze in haar dwaasheid en overmoed aan de levensstromen had onttrokken, van onder door de vrouwelijke kenmerken in het onderlichaam van de vastgeketende Naamloze. Besmet met warm bloed en overblijfselen van organen kwam het aan de andere kant bij de linkerschouder er weer uit. De ogen van de vrouw Sise spreidden zich wijd open, maar rolden vervolgens weg naar onbekende gebieden. Haar knappe hoofd viel in een onnatuurlijke hoek naar rechts.
Een luguber beeld. Tara genoot ervan. Maar ze had nog niet genoeg gehad. Haar bloedlust was nog niet gekoeld. Méér bloed moest vloeien, meer levens moesten worden genomen deze nacht. Het was wel het minste wat ze kon doen voor haar gevallen vriend.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII

di okt 10, 2017 12:50 pm

Op goed gevoel, geleid door blinde razernij en bijna dierlijke instincten, rende Tara door de diepe wouden, haar inmiddels bloedrode zwaard in de hand en schreeuwend naar de duisternis. Ze zocht de overgebleven Naamlozen, de overgebleven misdadigers, moordenaars, verkrachters; en ze vond hen. Een voor een maakte ze een einde aan hun miserabele en waardeloze levens. Ze vond telkens weer een creatieve manier om hen te doden, ondanks de wanhopige smeekbedes die ieder van hen sprak.
De man met de blonde haren en het nette zwarte vest werd schreeuwend van angst verscheurd door een roedel wolven dat Tara opgeroepen had. De vrouw met de zwervende blik ontmoette haar ondergang toen Tara een vlijmscherpe dolk tevoorschijn toverde, het hoofd van haar slachtoffer betrad en haar zichzelf langzaam en pijnlijk van kant liet maken. De man Dracas kwam aan zijn einde toen de uitzinnige huurmoordenares zijn darmen, spieren en veel van zijn organen uit zijn lijf rukte en hem daarmee met een enorme kracht wurgde. Het gezicht van de vrouw met de strenge blik en de zwarte haren werd opengereten door een zwerm woedende bijen. De man die zijn gezicht verhuld had met een grijze kap bevroor Tara in een enorm blok ijs, waarna ze dat ijs met enkele gecontroleerde slagen van haar zwaard in duizend stukken uiteen liet spatten. En de man Qurinax sneed ze langzaam en uitermate pijnlijk aan stukken met haar nagels, genietend van ieder heerlijk moment en vervolgens zijn overblijfselen in zijn geheel opschrokkend als een beest.
Enkel de leider was nu nog over. Om hem te vinden moest Tara langer zoeken, maar uiteindelijk vond ze hem staande op de top van een bekend voorkomende heuvel, aan de voet van een bekend voorkomende eik. De man met de zwarte haren en de zwarte baard keek strak naar voren, waar een eeuwenoude eik stond als een toren van een kasteel, zijn vormen grillig en zijn stam dik en bleek van de ouderdom. Er klonken woorden in de lucht, onverstaanbare fluisteringen in een onbekende taal rijdend op de winden van tijd.
Tara fronste en vernauwde haar ogen tot smalle spleetjes. Aan de onderkant van de verschrompelde stam, bij de wortels van de eeuwenoude boom, was er een diep, duister gat waar een mens makkelijk doorheen zou passen. Ze vroeg zich af welke beproevingen nog op haar pad lagen. Eerst moest ze echter maar eens afrekenen met de leider van de Naamlozen.
Met wijd opengesperde ogen vervuld van razernij en krankzinnigheid begon Tara de heuvel op te klimmen, dezelfde heuvel als waar ze in haar visioen naakt op de top van had gestaan. Haar vingers zaten stevig om het gevest van haar met bloed besmeurde zwaard geklemd, maar haar rechterhand had ze samengeknepen in een vuist zo sterk als steen. Ze liep geruisloos door het gras, een roofdier die haar prooi strak in de gaten hield; want ze wilde de man verrassen en hem onmiddellijk tegen de grond werken zodat hij geen bedreiging meer kon vormen voor het staal van Valarite. Steeds dichter naderde ze hem, steeds dichter kwam ze bij de top van de boom in het hart van het woud…
Een diepe stem klonk door de lucht.
‘Tara.’ De jonge huurmoordenares snakte naar adem. Met een schok realiseerde ze zich dat ze de stem herkende. Roshar. Het was de stem van Roshar, de oude maar ijzersterke strijder die haar de geheimen van de Weg der Koningen had laten zien en haar uiteindelijk op dit pad gezet had. ‘Tara. Waar ben je in hemelsnaam mee bezig?’ Terwijl hij dat zei draaide de man aan de voet van de eik- was het Roshar?- zich langzaam om; en Tara keek voor het eerst in twee maanden weer in de oude grijze ogen van de man die haar alles geleerd had, keek in ogen die te veel gezien hadden en te veel gehoord hadden.
‘R-Roshar?’ stamelde ze, niet in staat een geschikte houding aan te nemen.
‘Ja,’ zei de diepe stem. ‘Ik ben het. En ik heb gezien wat je gedaan hebt, Tara.’ De verschijning die ze nu in zijn volle glorie voor zich zag, was gekleed in fraaie rode gewaden met gouden versieringen en op enkele plaatsen een donkere ijzeren bepantsering; en de verschijning begon de heuvel af te dalen, schreed enkele momenten richting de verbaasd kijkende Tara. Maar toen liep hij haar straal voorbij zonder ook maar een blik op de jonge huurmoordenares te werpen. Bij de rand van de heuvel bleef hij staan en staarde naar de duistere wouden onder hem en de nachtelijke hemelen boven hem. Na een diepe zucht geslagen te hebben draaide Roshar zich weer om.
‘Heb je enig idee wat je aan het doen bent, Tara?’ vroeg hij. Er lag geen woede in zijn stem, geen verdriet of verwijt; enkel kleine aanwijzingen van teleurstelling. ‘Je hebt vriend én vijand in koelen bloede vermoord. De Naamlozen? Je gedraagt je al even erg als zij.’ Tara verstrakte en bevroor.
‘Zij verdienden het,’ snauwde ze op gedempte toon. De in rode gewaden geklede verschijning schudde resoluut zijn hoofd.
‘Nee. Ze verdienden het niet. Ja, ze hebben onschuldigen vermoord, ja, ze hebben jou onrecht aangedaan. Maar jij had niet het recht hen met gelijke munt terug te betalen. Je bent veranderd in een monster, Tara, en aan een monster heb ik de Karna niet geleerd aan de Academie van Stormrots.’ Roshar draaide zijn hoofd wederom naar de koude lucht boven hen, een veelzeggende en steenharde blik in zijn oude ogen. Tara voelde een woede jegens de verschijning opborrelen, voelde dat ze weldra weer opgeslokt zou worden door razernij. Hij begreep haar niet. Bredon Jassil had haar niet begrepen, en die was nu dood. Maar ze beet haar tanden op elkaar, slikte haar woorden in en wist haar woede in te houden.
‘Aanschouw je daden,’ zei de verschijning droog.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel II

di okt 10, 2017 12:50 pm

Tara werd onverwachts en onvoorbereid in een geheel andere wereld gesleurd. In de lucht verschenen één voor één herhalingen van de gebeurtenissen die zich hadden afgespeeld op en rondom de open plek. Nu waren ze echter uitgeveegd als op een doek nog nat van de verf, net zoals de beelden in haar visioen waren geweest.
Als eerste kwam de marteling en verkrachting van Corenne. Tara werd gedwongen te kijken naar hoe de onschuldige jonge vrouw een vlijmscherp zwaard in haar buik gedrukt kreeg, aangestaard werd door grenzeloos kwaadaardige ogen en op brute wijze misbruikt werd door de afgrijselijke man Qurinax. Tara wilde haar blik afwenden van het tafereel, wilde de verschrikkelijke momenten niet opnieuw beleven; maar ze kon het niet. Op de een of andere duistere manier werd ze vastgehouden op haar plaats, en hoe hevig ze ook probeerde te ontkomen, ze kon niet ontsnappen uit de onzichtbare gevangenis die haar omgeven had. In haar ooghoeken zag ze het hoofd van Roshar, die haar met emotieloze ogen en een stenen gezicht aankeek. Geen glimlach, geen grijns.
Er was een flits. In een draaikolk van duisternis en schaduwen veranderde het beeld. Voor de tweede keer deze nacht stond ze in de struiken, machteloos bij het aanzicht van de dolk die tegen de kwetsbare nek van de angstig rillende Corenne werd gehouden. Ze voelde de woede weer opkomen, wilde haar zwaard vastgrijpen om uit de struiken te stappen en de strijd aan te gaan; maar het visioen in de lucht was haar voor. De man Qurinax sneed met een vloeiende beweging de nek door. Tara voelde enkele momenten dezelfde misselijkheid weer bij zich opkomen. Maar toen begon het gevecht met een donderend kabaal. De jonge huurmoordenares kon een grijns niet onderdrukken toen ze haar perfecte technieken en vaardigheden met het zwaard van een afstandje mocht aanschouwen.
Het beeld ging met een schok over naar een gebeurtenis die ze liever niet nog een keer had willen aanschouwen. De man Qurinax was bovenop haar naakte en vastgehouden lichaam geklommen en stortte zichzelf nu met grote bewegingen in haar. Een trillende Tara zag het gebeuren vanaf een afstand, als een adelaar die overvliegt en alles ziet wat er zich afspeelt in de wereld onder hem; maar toch voelde ze in het hier en nu de afgrijselijke pijnen die ze toen ook had gevoeld. Ze snakte naar adem toen ze zag dat ze de mannelijke delen van de man Dracas Kar met grof geweld in haar mond geduwd kreeg terwijl de man Qurinax haar nog steeds van achteren beet had. De krankzinnige Naamloze werd enkele momenten daarna weggeduwd, en het bleek dat ook de man Nergal haar vrouwelijkheid geschonden had. Dat herinnerde ze zich helemaal niet meer…
Het beeld veranderde terwijl ze verafschuwd nadacht over wat voor andere vreselijke dingen de negen met haar gedaan hadden terwijl ze buiten westen was. Nu zag ze voor zich het tafereel dat had plaatsgevonden toen Tara gered was van het schaduwmonster. Ze beleefde opnieuw de angstige momenten waarin ze kwetsbaar op het gras had gelegen en verbaasd had gekeken naar hoe een dappere gestalte zich voor haar op had gesteld. Ze kromp ineen toen het beest zijn vlijmscherpe klauwen uitstrekte, Seban er door zijn borst mee doorstak en zijn lichaam met geweld in het rond begon te zwaaien.
Ze stond weer naast zijn lichaam, legde haar hand op zijn ontblote borst om een poging te doen hem te helen. Maar ook in dit visioen mislukte het. Ook in dit visioen ontglipte hij haar. Ze voelde dezelfde vlaag van immens verdriet door haar heen schieten toen ze de glinstering in zijn blauwe ogen zag vervagen. Maar deze keer was er geen razernij. De woede die ze op dat moment gevoeld had was op onverklaarbare wijze vervaagd en verdwenen. Enkel pijn en verdriet bleven over. Tara wilde weer huilen, wilde zichzelf onderdompelen in haar grenzeloze verdriet en zich overgeven aan de muziek van de stilte en de fluisteringen van de immer veranderende wind; maar voordat ze dat kon doen, veranderde in de nachtelijke hemelen het beeld opnieuw.
Voor haar stond een jonge vrouw in een strakke leren wapenrusting, haar handen hoog in de lucht geheven en haar in een staart gebonden haren wapperend in de koude bries. Tara zag de energie door haar armen vloeien zoals het eens had gedaan; en de energie had de duistere kleur van bloed. Schuin voor haar zag ze het donker getinte naakte lichaam van de man Nergal roerloos zwevend in de lucht. Ze zag zijn ogen, ogen die gevuld waren van angst, ogen die de strijd hadden opgegeven en haar leken te smeken hem in vrede te laten gaan. Ze kromp ineen toen de jonge vrouw haar bloedrood gloeiende handen uit elkaar haalde en daarmee het kwetsbare lichaam van de man Nergal recht in tweeën splitste. Tara onderdrukte een verdere neiging de inhoud van haar maag op het gras van de heuvel onder haar te gooien toen ze zag hoe ze het lijk verder uit elkaar had gescheurd en zelfs zijn bloed had gedronken.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel III

di okt 10, 2017 12:51 pm

Van achteren kwam een man aangelopen, een man met grijzende haren op zijn hoofd en een gigantisch langzwaard over zijn schouders. Tara keek zwijgend toe terwijl Bredon in gesprek ging met háár, de krankzinnige jonge vrouw die zich over de overblijfselen van haar vijand gebogen had en die nu tot zich nam. Ze zag de woede in haar ogen langzaam opkomen als een storm die ontstaat in verraderlijke hooggebergtes.
‘Nee…’ wist ze zwak uit te brengen. ‘Nee… Alsjeblieft, nee…’ Haar smeekbedes haalden niets uit. Ze werd gedwongen toe te kijken terwijl het visioen haar een vreselijk beeld liet zien van een jonge vrouw die met haar vlijmscherpe nagels plotseling een diepe wond maakte in de borst van de kapitein. Toen Bredon op zijn knieën viel, zijn trillende oude handen op het bloederige litteken gedrukt, viel Tara ook. ‘Nee!’ riep ze luid; maar haar hopeloze kreten gingen verloren.
De lucht boven haar veranderde en liet genadeloos de beelden zien van de daden die ze zojuist in een blinde razernij had begaan. Een sluier van tranen lag in haar ogen en verhulde veel van de wereld om haar heen, maar de visioenen in de hemelen waren akelig duidelijk. Ze zag hoe ze een versplinterde tak door het lichaam van de vrouw Sise jaagde. Ze zag hoe haar wolven de man met de blonde haren verscheurden en met zijn afgerukte hoofd door de wouden renden. Ze zag hoe ze de vrouw met de zwervende blik zichzelf ongewillig doodde met een gifgroene dolk. Ze zag hoe ze de darmen van de man Dracas uit zijn lichaam rukte en hem er genadeloos mee wurgde. Ze zag hoe ze een zwerm woedende bijen afstuurde op de vrouw met de strenge blik- een blik die haar nu smeekten haar in vrede te laten gaan- en alle vlees van haar gezicht liet opvreten totdat er enkel een schedel overbleef. Ze zag hoe ze het blok ijs waarin de raadselachtige man met de grijze kap was veranderd in duizenden stukjes openspleet. En ze zag hoe ze het naakte lichaam van de man Qurinax in talloze stukken sneed en zijn bloederige overblijfselen opschrokte als een beest.
Plotseling was het beeld aan de hemel verdwenen. Er was enkel koude nachtelijke lucht en het duistere woud dat zich onder haar mijlen in de verte uitstrekte.
Hopeloos snikkend gaf Tara zich over en liet ze zich voluit vallen in het natte gras van de bescheiden hellende heuvel. Ze zag enkel duisternis, schaduwen en een waterval van eindeloos stromende tranen. Ze vervloekte zichzelf om haar daden. Hoe had ze dit kunnen doen? Hoe had ze haar vijanden op zo’n vreselijke manier kunnen vermoorden? Roshar- de verschijning- had gelijk. Ze was even erg als de Naamlozen, even erg als de negen personen die talloze onschuldigen het bos in hadden gesleept en gedurende lange nachten gemarteld hadden totdat ze stierven van de pijn. Ze wilde er een einde aan maken. Ze wilde haar lichaam in het koude staal van haar geliefde zwaard stortten en zichzelf beroven van het leven, het leven wat ze niet meer wilde leven; maar alle kracht was haar ontnomen. Tara bleef daar liggen, snikkend in het gras, gebroken onder het bleke licht van de maan. En zelfs de maan huilde met haar mee.
Er werd een einde gemaakt aan het duistere moment toen er een stem achter haar klonk.
‘Ik heb het je gezegd,’ sprak de stem triomfantelijk. Het waren niet langer de woorden van Roshar. De gestalte van haar oude wijze mentor was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een door een donkere mantel omgeven man met zwarte haren en een zwarte baard, zag Tara toen ze zich met tegenzin omdraaide. Zijn stem was die van een koning uit de zuidelijke Westlanden, statig en met een geboren autoriteit; maar erachter ging een tweede stem schuil, een die Tara al vaker had gehoord. Het was de ijzige stem die gefluisterd had tegen de wind en de dorpelingen van Kainere het duistere woud in had proberen te sleuren. ‘Je denkt dat je beter bent dan hen. Je denkt dat je het recht hebt hun levens te nemen. Maar dat heb je niet, Karasethe.’ Een stilte. ‘Kom. Kom met mij mee. Omhels je lot, het enige lot dat kan zijn. De dood. Volg me naar de duisternis. Bevrijding wacht op je aan het einde van het pad.’
‘Dood me,’ zei Tara, verrassend standvastig. ‘Alsjeblieft. Maak er een einde aan. Ik verdien het niet te leven.’
Enkele momenten was het stil. Het enige geluid kwam van de krekels in het gras, de zachtjes blazende wind en de onfortuinlijke vogels die hun nesten op deze ongelukkige plek hadden gebouwd. De stilte werd doorbroken toen de gestalte, de leider van de Naamlozen, begon te lachen.
‘Dood me?’ grijnsde hij neerbuigend. ‘Dat dacht ik toch niet. Jij hebt nog wat te doen op deze wereld, Karasethe.’ Voor de eerste keer in een lange tijd deze nacht keek ze de man aan, bekeek hem kritisch en nam hem van top tot teen in zich op. Ze wist niet wie hij was.
‘Wie ben je?’ vroeg ze achterdochtig. De brede grijns op het gezicht van de gestalte vervaagde, en slechts een lichtjes geamuseerde glimlach bleef achter.
‘Ik ben de schaduw,’ antwoordde hij. De man leek iets te veranderen in zijn stem, een poging om de jonge vrouw bang te maken. ‘Ik ben de dood. Ik ben de fluistering van een naamloze vrees. Ik ben de schaduwen van de Eindeloze Duisternis. Ik ben het kwaad. Ik ben-’
‘Je naam,’ onderbrak Tara geïrriteerd en enigszins verveeld. ‘Geef me je naam.’
‘Talyr,’ verzuchtte de man met neergeslagen ogen en een stenen gezicht. ‘Mijn naam is Talyr. Maar dat is niet van belang, zoals jouw naam ook niet van belang is, Karasethe. Wat daarentegen wél van belang is, zijn je daden. Jij hebt namelijk-’
De man Talyr werd gedwongen midden in zijn zin te stoppen toen hij de vlijmscherpe punt van het zwaard Valarite tegen zijn keel voelde drukken. Verafschuwd keek hij naar beneden. Het koude staal glinsterde in het bleke maanlicht. Voor hem stond de Vloek der Koningen, de gevreesde zwartgeklede engel van de dood berucht in alle landen rond de Arantische Oceaan, in al haar vastberaden en verschrikkelijke glorie.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel IV

di okt 10, 2017 12:52 pm

Tara voelde de energie weer terugstromen in haar lijf, en het vervulde haar met een heerlijk gevoel van macht terwijl ze Valarite tegen de keel van de dwaze man hield. Grijnzend begon ze te drukken, hard maar voorzichtig om hem niet te doden.
‘Wacht! Stop! Waar ben je mee bezig? Wil je me doden?’ bracht de man uit. De statigheid, de autoriteit en de ijzige ruwigheid waren volledig verdwenen uit zijn stem en hadden plaatsgemaakt voor angst en paniek.
‘Geef me één reden waarom ik je niet hier en nu zou afmaken, hond,’ snauwde Tara. ‘Geef me één reden!’
‘Verdomme! Wij zijn de hoeders van dit land, zonder ons zou iedere dorpeling van Kainere dood zijn, dood tot op de laatste man en het laatste kind! Dood zeg ik je!’
‘Bazel niet, man! Geef me een reden. Een reden, bij de Tetek!’ In een moment van zwakte drukte ze het staal net íets te hard in zijn huid, en er ontstond een kleine wond waaruit een kronkelende lijn donkerrood bloed naar zijn zwarte gewaad vloeide.
‘Wij zijn de beschermers van de eik, de fluisterende eik,’ vervolgde de man Talyr. ‘Het is het kwaad dat in deze wouden huist, Karasethe. Het is de fluisteringen die je hebt gehoord. Het is de schaduwen die je hebt gezien. Het is de kou die je hebt gevoeld. Wij beschermen de dorpelingen van Kainere tegen die kwaadaardige boom, en ze mogen ons dankbaar zijn ook. Als iemand de eik bereikt, is er geen redden meer aan, en zal-’
‘Hou je mond voor één moment, of ik stuur je direct door naar de armen van vervloekte Garnavoth! Vertel me dan, “beschermer van de eik”: als je de dorpelingen wilt beschermen, waarom doe je dit dan?’ Ze maakte een wilde beweging met haar arm, wijzend naar de plek in het woud waar ze schatte dat de overblijfselen van het kampvuur zich bevonden. ‘Je martelt ze, je verkracht ze, je vermoordt ze in koelen bloede! Waarom? Vertel het me!’
‘Er is een lot erger dan de dood als je in die klauwen valt, Karasethe,’ fluisterde de angstig trillende man. Er was iets veranderd in zijn toon, maar Tara was niet geheel in staat het te plaatsen. ‘Wij zijn het kleinere kwaad. Alsjeblieft, dood me niet! Laat me in leven!’
‘Het kleinere kwaad? Waarom doe je gewoon niet het juiste? Waarom stuur je hen niet gewoon terug naar het dorp?’
‘Omdat hun zielen verloren zijn! Ze kunnen niet terugkeren, Karasethe. Zodra iemand het woud betreedt, is hij verloren, verloren voor de rest van de eeuwigheid. Het enige wat wij doen, is hun zielen beschermen tegen de fluisteringen van de eik. Er is geen redden meer aan! Begrijp dat dan! Begrijp dat dan!’
Tara rolde met haar ogen. Ze had genoeg van de betekenisloze woorden en eindeloos gebazel van de man Talyr. Het was tijd om er een einde aan te maken. Ze hief haar zwaard hoog in de lucht, hield het bleek glinsterende staal even boven haar rechterschouder, klaar om de beweging te maken die het hoofd van de laatst overgebleven vijand over de helling zou laten rollen en doen laten verdwijnen in de duisternis.
Maar toen gebeurde er iets dat ze niet had voorzien.
Achter haar klonk het vreemde, sissende geluid dat ze op de vlakte aan de bosrand had gehoord net voordat ze de duisternis van het woud in was gestapt. Lichtjes fronsend draaide ze haar hoofd naar achteren, naar het gat aan de wortels van de eeuwenoude- en schijnbaar grenzeloos kwaadaardige- eik op de top van de heuvel. Ze draaide zich volledig om toen ze die typische, vormloze schaduw langzaam het gat zag verlaten en laag boven het gras zag zweven. Plotseling schoten de schaduwen naar de twee personen toe, vergezeld van een ijzige kreet die door merg en been ging. Tara gilde en stapte instinctief aan de kant om de dood te ontwijken; maar het gevaar was helemaal niet op haar gericht. In enkele korte momenten werd de man Talyr gevangen in een web van schaduwen, schreeuwend en vechtend voor zijn leven. Maar zelfs hij, de leider van de immens krachtige orde van de Naamlozen, wist de greep van de fluisterende eik niet te weerstaan. Met een duizelingwekkende snelheid werd hij het gat ingesleurd, en een laatste doffe kreet ging verloren in de holle, donkere dieptes onder de heuvel in het hart van het eindeloze woud.
Tara’s adem stokte in haar keel. De schaduwen waren weg. De man Talyr was weg. Het enige dat overbleef, waren de raven krassend op de bleke oude takken van de eik voor haar, de eeuwige muziek van de stilte, en de grenzeloze duisternis van het woud dat zich overal rondom de heuvel uitstrekte.
Wat was er zojuist gebeurd?
Waarom werd de man Talyr het gat in gezogen?
Wat waren die fluisteringen die ze op het laatste moment gehoord had?
Vragen. Te veel vragen. Vragen die beantwoord moesten worden. Tara zette voorzichtig haar voeten neer, bang om het monster dat blijkbaar in de bleke oude boom voor haar schuilde weer te ontwaken, en ging bij het gat staan. Nieuwsgierig tuurde ze naar beneden. Ze verwachtte iets bijzonders te zien, wellicht een portaal naar een andere wereld of de opengesperde bek van een uitzinnig beest. Maar geen van al die dingen zag ze. In de leegte waren er enkel duisternis en schaduwen. Tara zuchtte teleurgesteld, maar gaf de strijd niet op. Haar vragen waren nog steeds niet beantwoord.
Koppig en vastberaden ging ze liggen op het gras en wierp opnieuw een blik in de duisternis. Héél even leek er een glinstering te zijn, een vage aanwijzing van een warme gloed brandend in de diepte. Tara probeerde nóg dieper te kijken, propte haar hoofd nóg verder het gat in om nóg beter te kunnen zien wat er onder haar lag.
Haar nieuwsgierigheid werd uiteindelijk haar ondergang.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel V

di okt 10, 2017 12:53 pm

Toen ze wederom het vreemde, sissende geluid haar oren hoorde binnendringen, had ze niet genoeg tijd om passend te reageren. Voordat ze zelfs maar met haar ogen had kunnen knipperen, werd ook zij het gat ingezogen. Met een schrille gil stortte ze de diepte in. Er was enkel een draaikolk van de eindeloze leegte.
Tara ontwaakte op koude stenen. Ze opende haar ogen, krabbelde overeind en keek om zich heen. Ze had verwacht diep in de eik te zitten, in een donker gangencomplex gevuld met natte grond waar wormen en spinnen vrijelijk overheen kropen. Maar niets was minder waar. Ze snakte naar adem toen haar ogen zich aanpasten aan de nieuwe wereld waarin ze zich bevond.
De lucht boven haar was niet lichtblauw zoals op een mooie dag, niet bewolkt zoals aan tijdens de kalmte voor een storm, niet pikzwart zoals in een koude nacht zonder maan en sterren. Nee. De lucht was groen, het ziekelijke groen dat je zou verwachten van een uitermate onprettig moeras. En uit die lucht staken op verschillende plekken glibberige, zwarte tentakels bevestigd aan een duister lichaam zo vormloos als de schaduwen in het woud dat ze achter zich had gelaten. Het was stil, afgezien van het gedempte sissend geluid en de raadselachtige fluisteringen in de onbekende taal die af en toe te horen waren. Overal boven de verbaasd kijkende Tara keken talloze ogen haar aan, ogen vervuld van de duisternis en het kwaad en zo veel meer dingen waar ze niet aan durfde te denken, verscholen in de schaduwen en onttrokken van de blikken van de stervelingen. En ze bekeken de indringer in hun duivelse wereld, hielden haar in de gaten bij elke stap die ze zette en elke beweging die ze maakte; en een eind verderop werd een naamloze vrees bewust gemaakt van het feit dat de langverwachte vrouw eindelijk was gearriveerd.
Tara wendde haar hoofd af van de dingen dreigend zwevend in de groene lucht en nam de rest van haar omgeving zorgvuldig- zij het met een spoortje van angst- in zich op. De wereld waar ze in beland was, was een rotzooi van stenen bruggen die veelal enkel naar de leegte liepen. De bruggen werden aan elkaar verbonden door grote centrale plateaus die op mysterieuze wijze in de lucht bleven zweven. Tara keek haar ogen uit terwijl ze onder een eeuwenoude, met donker mos bedekte poort liep en voorzichtig op een van de plateaus stapte. Het ronde eilandje was leeg, afgezien van talloze deuren die in perfecte symmetrie om haar heen stonden. Sommige waren gemaakt uit simpel hout zoals je ook in de mensenwereld kon vinden, maar andere hadden meer weg van een poort en bestonden uit sierlijk of hevig bewerkt metaal. Op elk van de deuren was een soort plakkaat gespijkerd waar runen op geschreven stonden die de reiziger vermoedelijk moesten vertellen waar hij naartoe gevoerd zou worden als hij door de poort stapte; maar voor Tara waren de runen onleesbaar, en ze besteedde er verder geen aandacht aan.
Een tijdlang zwierf ze door de ziekelijk groene wereld, niet wetend waar ze was en niet wetend waar ze uit zou komen. Veel van de paden die voor haar lagen, leidden enkel naar de vreemde donkere wolken die als mist boven de koude stenen hingen. Tara was slim genoeg om te weten dat ze dáár niet naartoe moest gaan. Ze wilde niet denken aan wat haar zou overkomen in de mist.
Terwijl ze over één van de slingerende bruggen liep, durfde Tara het aan om over de rand te kijken. Er was geen balustrade om zich aan vast te houden, dus ze moest voorzichtig zijn om niet uit te glijden en de diepte in te storten. Onder de brug bleek zich een enorme, gapende draaikolk te bevinden die angstaanjagend veel weghad van een met vlijmscherpe tanden gevulde bek van een monster. Als ze nu de afgrond in zou vallen, zou het einde oefening zijn. Dat was haar akelig duidelijk. In de chaos van duisternis en schaduwen was er af en toe een bloedrode of gifgroene bliksemschicht, waarop een vreselijk gerommel volgde dat Tara al meerdere keren had gehoord deze nacht. Maar gelukkig bleef de storm onder haar doorrazen. Waar de jonge huurmoordenares liep was het rustig.
Op het volgende van de plateaus trof Tara wat anders aan. Het vorige plateau was slechts een eilandje geweest, eenzaam zwevend in de eindeloze leegte; maar deze was een stuk groter. Op de donkere stenen was een bouwwerk opgericht dat daar al eeuwen stond. De stenen van het bouwwerk hadden een andere, wat lichtere kleur, en Tara moest onmiddellijk denken aan een vervallen kasteel in de mensenwereld. Toen ze tot overmaat van de ramp ook nog eens talloze fraaie schilderijen in een perfect georganiseerd rijtje aan de muur zag hangen werden haar gevoelens bevestigd. Nieuwsgierig liep ze op één van de schilderijen af en streek ze met de palm van haar hand over het doek. De verf was er lang geleden op geschilderd met de fijne kwast van een uitmuntend kunstenaar, maar het portret had de tand des tijds voor het grootste gedeelte weten te weerstaan. Tara keek er zwijgend naar. Het gezicht was dat van een vrouw- Lavinia de Pampalozza, wist Tara met enige moeite te ontcijferen- met een rond gezicht, wit gepoederde wangen en een uitbundig kapsel in de Darlassiaanse stijl van het Vierde Tijdperk. Het was een fraai werk, ongetwijfeld gemaakt door de beste-
Tara bevroor midden in haar gedachte en snakte naar adem. Er stond iets in de slingerende gang achter de beeltenis van de edelvrouw. Het was een grote gestalte met een langgerekt lichaam en een houterige houding, zijn gewaad lang, diepzwart en met stijve mouwen en een stijve kraag. Maar boven die kraag, waar zijn hoofd zou moeten zitten, bevond zich een rotzooi van in elkaar verwikkelde tentakels zoals die in de lucht boven haar. In het midden van de schaduwen in het centrum van zijn hoofd- hoofd?- bevond zich een enorm grijs oog dat recht door haar heen leek te staren, omringd door vier paar kleinere, gifgroene oogballen gehaast starend in iedere richting.
Verafschuwd trok Tara zich terug en onderdrukte een snel opborrelende neiging over te geven. Het wezen was afzichtelijk, en ze dwong zichzelf door te lopen; maar in een moment van zwakheid draaide ze zich tóch om naar het schilderij. Ze fronste verbouwereerd. Het wezen in de gang achter de beeltenis van Lavinia de Pampalozza was van het doek verdwenen. Het langgerekte lichaam, de zwarte tentakels en de negen ogen waren vervaagd. Tara observeerde enkele van de andere schilderijen die in de lange rij aan de oude vervallen muur hingen, maar kon het mysterieuze schepsel nergens meer vinden. Met een gespeelde nonchalance haalde ze haar schouders op. Het moet wel mijn verbeelding geweest zijn, vertelde ze zichzelf.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel VI

di okt 10, 2017 12:53 pm

Bij de plateaus die volgden op het pad door de leegte trof ze iedere keer meer dingen aan die thuis leken te horen in de wereld van de mensen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel VII

di okt 10, 2017 12:54 pm

… Ze liep in een troonzaal. Aan de muren hingen uitbundige, kleurrijke gordijnen en wandtapijten, op de glad gepoetste marmeren vloeren stonden talloze hovelingen in de laatste modieuze kleding en met vreemde hoeden op hun hoofd, en op de daadwerkelijke troon zat, hoog boven de anderen uittorenend, een keizer in een werkelijk prachtig donkerblauw gewaad met gouden versieringen, hoogmoedig neerkijkend op zijn onderdanen. De jonge huurmoordenares vermoedde dat ze voor zich zag de keizer van Tevaria, het machtige keizerrijk in de oostelijke gebieden van Haldar, maar kon het niet met zekerheid zeggen. Voorzichtig probeerde ze contact te zoeken met een van de hovelingen, een middelbare man in een strak rood gewaad. Maar zelfs toen ze met een vinger in zijn schouder porde, kwam er geen reactie. Haar interesse was gewekt. Ze baande zich een weg door de menigte die voor de keizer was verzameld en kwam er spoedig achter dat ze recht door iedereen heen kon lopen. Niemand leek enige notie te nemen van haar aanwezigheid, dus gunde ze zichzelf de vrijheid op de troon van de keizer van een van de machtigste rijken ter wereld te gaan zitten en met een gespeeld hooghartige blik het Hof van Liscidir in zich op te nemen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel VIII

di okt 10, 2017 12:54 pm

… Ze betrad een levendig bos. Overal om haar heen stonden zomerse bomen op kleine heuveltjes, zongen kleurrijke vogels hun vrolijke liederen en stonden trotse bloemen in volle bloei. Ze zag mensen lopen, mensen die naar deze plek waren gekomen om te genieten van de wonderen der natuur; maar ook met deze mensen kon Tara geen contact maken. Ze glimlachten maar, glimlachten en liepen eindeloos door.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VIII- deel IX

di okt 10, 2017 12:55 pm

…Ze belandde in een kamer waar ze feitelijk helemaal niet in thuis hoorde. De ruimte waarin ze zich bevond was volledig verduisterd, afgezien van de kleine kaars die op een houten kastje zachtjes brandde met een bescheiden vlammetje. Op een smal bed lag een naakte jonge man, comfortabel op het zachte laken en genietend van het gevoel waar de al even naakte vrouw die zich boven zijn middel gillend op en neer bewoog hem van vervulde. Tara kromp ineen toen zowel de man als de vrouw haar plotseling en met een lustvolle glimlach aankeken, en ze merkte dat ze zelf ook onbedekt was. Ze onderdrukte een vreemde neiging met de twee deel te nemen in hun amoureuze inspanningen, draaide zich met een haastige beweging om en wenste dat ze ergens anders was, in een plaats waar ze niet vreemd aan zou worden gestaard en waar ze wél kleding om haar lichaam had…
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”