Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII

di okt 10, 2017 12:35 pm

Uit de bedekking van het donkere struikgewas betraden twee gestaltes het slagveld, hun zwaarden trots omhoog geheven en hun gezichten vertrokken in het schreeuwen van een eeuwenoude strijdkreet. In een vreselijke woede daalden de twee over het kampement heen, en bij het zien van de uitzinnige gezichten en het horen van het uitzinnige geschreeuw trok de man Qurinax zich eindelijk terug. De incantatie die haar op haar plaats gehouden had verzwakte, en Tara wist zich om te draaien en te kijken naar de chaos. Ze kon het bijna niet geloven. De redding was gekomen, en was gekomen uit de handen van twee mannen van wie ze het het minst had verwacht.
Het waren Seban de rekruut en kapitein Jassil.
In de draaikolk van verwarring en bevelen wist Tara te ontsnappen uit het strijdgewoel. Ze sleepte zich met moeite voort, kroop over het natte struikgewas als een beest en hield halt in de schaduwen onder een boom aan de rand van het kamp. Haar zwaard en kleding had ze mee weten te sleuren. In de beschutting van de struiken, nog steeds kijkend naar het gevecht voor haar, deed ze de zwarte trui over haar bovenlijf, sloot de knopen en riemen van het leren vest, bevestigde de zwarte mantel aan haar schouders en probeerde haar zwaard in de schede te doen. Met een grimas realiseerde ze zich echter dat de krankzinnige man haar geliefde leren broek nonchalant in het vuur had geworpen en het daar achtergelaten had. Ze zou haar wraak op hem spoedig hebben, zou hem spoedig laten boeten voor de verschrikkelijke dingen die hij met haar en haar lichaam gedaan had.
Tara’s blik dwaalde af naar de drie naakte jonge vrouwen, waarvan ze niet eens had beseft dat ze op slechts enkele stappen afstand aan de tak- en aan elkaar- vastgeketend zaten. Elk van hen had nu haar ogen geopend, en ieder van hen keek haar aan met smekende, glazige ogen; maar geen van hen sprak een woord. Nog steeds verborgen in het struikgewas zag Tara een hoopje verscheurde oude kleren liggen. Ze realiseerde ze zich maar al te goed dat die hoogstwaarschijnlijk van de meisjes afgenomen waren toen ze gevangen werden gezet. Maar zíj had nu kleding nodig. Zíj zou nu strijd voeren. Met een stenen gezicht greep ze een willekeurige broek en trok die met moeite aan- het kledingstuk was eigenlijk veel te klein voor haar- en negeerde het verontwaardigde, onverstaanbare gegrom van het meisje met de vuurrode lange haren.
‘Rustig maar,’ probeerde Tara de gevangenen zo goed als ze kon gerust te stellen. ‘Jullie mogen snel weer terug naar huis. Hou nog even vol, alsjeblieft.’ Dat leek ze enigszins te kalmeren, dus Tara wendde zich af en richtte zich op de strijd voor haar.
Seban en Jassil wisten zich nog aardig te verzetten tegen de negen, die toch duidelijk sterker waren dan zij. De jonge rekruut bewoog zich voort met een snelheid die Tara niet snel bij hem verwacht had toen ze de lange slungel voor het eerst zag in de door maanlicht verlichte straten van Kainere. Hij danste over het gras en maakte maar weinig misstappen, waardoor hij uit de baan wist te stappen van veel van de gecoördineerde uithalen en goed gemikte spreuken van de Naamlozen. Seban brak om de haverklap met zijn korte, verroeste zwaard door de verdediging van de vijand heen; maar hij richtte veel minder schade aan dan kapitein Jassil. Zíjn verschijning had meer weg van die van een beer of leeuw, een dreigende vleeseter die zich traag over het slagveld heen bewoog maar alles op zijn pad zou versleuren. Hij gebruikte het Tevariaanse langzwaard dat hij tijdens het gesprek in de wachttoren ook al had gedragen en zwaaide het met grote bewegingen in het rond. De negen durfden nauwelijks in zijn buurt te komen uit angst voor zijn machtige uithalen; maar Seban wist meerdere keren een enkeling uit de groep te halen en naar het zwaard te leiden, waar sommigen van hen lelijke wonden opliepen en naar hun bondgenoten schreeuwden dat ze de grijze kapitein zo snel mogelijk uit moesten schakelen.
Tara besloot dat ze zich lang genoeg in het struikgewas had onttrokken aan de strijd. Ze sloot beide handen stevig om het gevest van haar zwaard en rende op het gevecht af.
‘Valarite!’ schreeuwde ze, maar de strijdkreet ging verloren in de chaos.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel II

di okt 10, 2017 12:36 pm

De eerste vijand die op haar pad lag, was de naakte vrouw met de blonde haren en de smalle heupen. Zij bleek een uitmuntende vuur- en watertovenares te zijn, en benutte haar vaardigheden door telkens weer enorme vuurbollen en priemende ijskristallen op de worstelende indringers af te sturen. De vrouw Sise leek net een uitzonderlijk vervelende incantatie op te roepen aan het zijn. Tara twijfelde geen moment en stootte Valarite schreeuwend door haar ontblote, met gouden en zilveren sieraden bedekte rug. Bebloed staal stak door haar lichaam en kwam er aan de andere kant weer uit, precies tussen haar borsten waar de zeeblauwe edelsteen aan een ketting hing. De vrouw Sise stortte in als een slap doek en bleef liggen; maar de zwarte zeis van de dood had haar nog niet weten op te eisen.
Tara trok de kling met een ruk uit het levenloze lichaam en vervolgde de verhitte strijd. In gedachten dompelde ze zich onder in de Karna en raakte ze heel lichtjes de levensstromen aan, waardoor ze een eerlijke kans zou hebben tegen de magie van de negen. Ze voelde alle energie die van haar geroofd was door de man Qurinax haar lichaam weer in vloeien, geschonken door het plotselinge optreden van de dappere Seban en Jassil. Ze wilde hen roepen, wilde hen bedanken, wilde hen omhelzen, wilde hen zeggen dat ze zonder hen aan het randje van de afgrond had gebungeld en hoogstwaarschijnlijk naar beneden was gestort; maar al haar pogingen gingen verloren in het strijdgewoel. Ze besloot zich volledig te richten op het gevecht.
Hoe langer de strijd zich voorttrok, hoe meer kracht de Karna haar gaf en hoe sterker haar aanvallen werden. Ze bewoog sierlijk en zonder ook maar één misstap te maken rond het vuur, vocht schouder aan schouder met de rekruut en de kapitein en wist steeds meer van de vijanden neer te malen en voor haar voeten in elkaar te laten storten. Het vervelende was, dat de Naamlozen een vreemde soort onkwetsbaarheid leken te hebben. Hoe veel wonden ze hen ook toebracht, hoe vaak ze hen ook tegen de grond werkte met een storm van koud staal, de negen bleven terugkeren. Hun kracht werd iedere keer echter duidelijk minder, en dat gaf Tara de moed om door te zetten.
De strijd vervolgde zich. Zwaarden bleven flitsen, spreuken bleven door de lucht schieten en diepe kraters maken in de grond, pijlen bleven afgevuurd worden vanuit de beschutting van de boomtoppen of een hooggelegen rots; en zo vervolgde zich de strijd. Tara begon zich langzaam maar zeker uitgeput te voelen, gefrustreerd door het feit dat haar vijand telkens maar terug bleef komen. Maar ze verhardde zich, klemde haar tanden stevig op elkaar en zette door. Dit móest ze doen. Dit was ze verschuldigd aan de slachtoffers die hier gemaakt waren. Hun zielen móesten gewroken worden. En daarom zette Tara door.
In de bomen kraste de raaf voor de zesde en laatste keer.
En zo liep de strijd ten einde. Slechts drie van de negen waren overgebleven tussen de lijken van hun bondgenoten. Seban plantte zijn zwaard met een soepele beweging in de dunne ribbenkast van de bleke vrouw met de zwervende blik, die meer dan eens de vorm aan had genomen van een verblindende donderwolk, onzichtbaar was geworden en de drie dappere krijgers meerdere malen in de rug had proberen te steken met een schimmenzwaard. Jassil dwong de streng kijkende vrouw met de korte zwarte haren en de bloedrode gewaden op haar knieën en scheidde met een machtige zwaai van zijn Tevariaan haar zwaardarm van haar romp, wat hem vreemd genoeg op geen enkel gekrijs kwam te staan: de vrouw leek zich neergelegd te hebben bij haar lot en bleef roerloos op de grond liggen. Tara stak Valarite genadeloos in de keel van de man Qurinax, de man die haar geschonden had en misbruik had gemaakt van haar vrouwelijkheid; en ze drukte zijn borst door een vlijmscherp houten uitsteeksel in het kampvuur, waar hij schreeuwend van de pijn brandde in de vlammen van gerechtigheid.
Triomfantelijk keek Tara het kampement rond. De strijd was voorbij. De overwinning was de hare. Ze grijnsde breed. Waar vóór het gevecht nog talloze tenten en duivelse werktuigen hadden gestaan, en negen struikrovers op dit vreemde uur aan het genieten waren van vlees en wijn en het schenden van vrouwen, was nu enkel vernietiging. De tenten waren zo goed als weggevaagd. De grond werd op meerdere plaatsen onderbroken door de kenmerkende kraters die ontstonden bij veelvuldig gebruik van magie. De open plek werd bedekt door de lijken van haar vijanden. Maar het meest van allemaal bleef haar blik hangen bij haar redders.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel III

di okt 10, 2017 12:38 pm

Jassil leunde uitgeput op de knop van zijn lange zwaard, maar Seban had zijn wapen vervaarlijk over zijn rug gegooid en had zijn armen verwelkomend gespreid.
‘Kijk eens wie we daar hebben!’ brulde hij Tara toe. ‘De schone vrouwe van het maanlicht, gezond en wel!’
‘Houd je in, Galbrin,’ snauwde de kapitein hem af.
Seban haalde zijn schouders op en keek de jonge huurmoordenares grijnzend aan terwijl ze met grote stappen op hem af liep. Maar die glimlach verdween als sneeuw voor de zon toen hij haar blik zag.
‘Gezond en wel? Gezond en wel?’ gromde Tara verontwaardigd. ‘Heb je enig idee wat ik allemaal mee heb moeten maken? Ik ben verslagen door schaduwen, ben door de lucht geworpen, ben doorstoken door een vervloekte tak, heb dingen gezien waar genadige Glarric van zou huilen, was niet in staat een onschuldige te redden en ben ook nog eens in koelen bloede verkracht door een of andere doorgedraaide gek! En jij beweert dat ik gezond en wel ben?’ Ze keek hem doordringend aan. De angstige blik, de blik die hij ook had laten zien tijdens hun eerste ontmoeting in de straten van Kainere, was duidelijk af te lezen in zijn blauwe ogen.
‘Eerlijk, vrouwe, ik wilde u niet beledigen…’ stamelde hij. ‘Eerlijk, ik… Bre- De kapitein en ik hebben ook, eh, dingen gezien, begrijpt u, vrouwe, en ik denk dat ik, eh…’ Tara kon het niet meer verdragen. Ze wist niet te voorkomen dat een brede grijns van wang tot wang doorbrak in haar normaal zo stenen gezicht, een grijns die al snel overging in een zeldzaam gelach. Broederlijk legde ze een hand op de trillende schouder van Seban. Hij keek haar verbaasd aan.
‘Het is goed, Seban,’ glimlachte ze terwijl ze haar hand net íets te lang op zijn schouder liet rusten. ‘Ik ben slecht met grapjes.’ Een eindje verderop haalde Jassil onsubtiel zijn neus op en keek toen schouderophalend naar de jonge huurmoordenares.
‘Eh, ik… Eh…’ De rekruut worstelde om de juiste woorden te vinden.
‘Ik ben blij dat jullie hier gekomen zijn. Mijn eeuwige dank. Zonder mij zou ik nu… Nou ja, ik veronderstel dat je alles gewoon gezien hebt.’ Haar glimlach vervaagde. Seban wendde zijn ogen af en knikte ongemakkelijk. Ook hij leek het hele voorval met de man Qurinax zo spoedig mogelijk te willen vergeten, zoals Tara dat ook wilde doen. Ze vreesde echter dat de herinnering haar nog lang zou achtervolgen, dat de kwaadaardige grijns en de helse pijnen nog gedurende lange jaren in haar geheugen zouden rondspoken.
‘Kom. Laten we gaan zitten.’ Tara gaf de rekruut een geruststellende klop op de schouder en draaide haar hoofd veelzeggend in de richting van een rots aan de bosrand die vervaarlijk boven de open plek hing. Kapitein Jassil bleek al de vrijheid te hebben genomen een plaatsje in te pikken op de met oud mos begroeide steen, dus Tara en Seban moesten aardig dicht op elkaar zitten als ze hun plekje niet aan de grijzende soldaat wilden opgeven.
Tara besloot- op vriendelijk aandringen van Seban- in het midden te gaan zitten, waardoor ze dichter op beide mannen kwam te zitten dan dat ze wilde toegeven. Ze maakte er geen probleem van. Ze nam de gezichten van haar twee redders zorgvuldig in zich op, probeerde hun stemmingen te peilen zoals ze dat al zo vaak gedaan had.
‘Ik wil jullie nog een keer bedanken, jongens,’ zei ze terwijl ze naar links en rechts knikte. ‘Wie weet wat ze me allemaal nog meer aangedaan hadden. Maar ik vraag me wel af waarom jullie hier nu zijn. Jassil, vond je het niet krankzinnigheid om de wouden in te gaan?’ Ze bukte zich voorover en keek de kapitein aan met een vragende blik.
‘Dat dacht ik eerst ook, vrouwe…’ Hij dwaalde af toen hij besefte dat hij niet eens naar de naam van de raadselachtige jonge krijger gevraagd had.
‘Tara,’ maakte ze zijn zin haastig af. ‘De naam is Tara. Je kent me misschien als Karasethe. Vloek der Koningen.’ Zowel Jassil als Seban leken enkele momenten diep na te denken en de dieptes van hun geheugen af te zoeken naar een herinnering van het horen van die naam, maar schudden allebei hun hoofd toen ze het niet konden vinden. Tara onderdrukte de neiging te zuchten. Eens hadden koningen die naam gevreesd. De koningin van het opstandige rijk Aend in de zuidelijke delen van de Federatie had de halve stad binnen haar paleismuren gehaald toen ze hoorde dat de gevreesde Karasethe in de buurt rondhing. Maar die dagen waren voorbij. Ze mocht niet meer zwerven in het verleden. Het was iets voor dwazen.
‘Tara, aha,’ zei Seban langzaam. ‘Tara.’ Hij leek de naam te próeven, sloot zijn ogen en liet hem over zijn tong rollen alsof het Thikarini wijn was uit het wonderbaarlijke jaar 487. Enkele momenten viel er een enigszins ongemakkelijke stilte terwijl Seban haar in de ogen keek en zij fronsend terug staarde. Tara dacht iets in zijn ogen te zien, een soort fonkeling… Ze kon er niet helemaal over uitkomen wat die glinstering nu precies betekende, maar ze had zo haar vermoedens. Bij zichzelf voelde ze een vreemd gevoel komen opborrelen vanuit het diepste van haar geest, een gevoel dat warmer was dan de dansende vlammen van het nabije kampvuur; en Seban bleef haar in de ogen kijken, glimlachte haar toe met een vriendelijke maar veelzeggende glimlach. Het gevoel in haar borstkas werd steeds heviger, de warmte werd steeds warmer totdat het haar hele lichaam vervulde van een heerlijk gevoel dat ze nu voor het eerst in een lange tijd weer voelde; en plotseling kreeg ze sterk de neiging haar gezicht dichter bij dat van hem te brengen, om haar ogen te sluiten en hem te-
Een ontactisch gehoest van kapitein Jassil maakte een einde aan het moment. Hij keek met een emotieloos gezicht naar de twee, die hun blikken afwendden van elkaars ogen.
‘Om uw vraag te beantwoorden, vrouwe Tara-’
‘Noem me maar gewoon Tara, alsjeblieft,’ onderbrak ze hem. ‘Dan noem ik je Bredon, goed?’ De oude soldaat kuchte weer in zijn geharnaste hand- een beweging die haast een gewoonte voor hem leek te zijn- en gaf ter bevestiging een lichte knik.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel IV

di okt 10, 2017 12:42 pm

‘Om je vraag te beantwoorden, Tara,’ vervolgde hij, ‘moet ik een kort verhaal vertellen, ben ik bang. Nadat je mij had, eh, bezocht in de wachttoren, werd ik nogal plotseling, hoe zal ik het zeggen… Overvallen door een nogal onverwachte bezoeker in de nacht. Deze jongeman hier, ja, die kwam de toren binnenlopen, zwaard in de hand, wild om zich heen kijkend alsof er een of ander monster onder míjn neus aan het ronddwalen was!’ Bredon grinnikte zachtjes en werd bijgestaan door zowel Seban als Tara, die zich het tafereel al helemaal voor de geest kon halen. Ze kon zich de verwilderde blik op het gezicht van de jonge rekruut voorstellen alsof ze er zelf bij was geweest. Het deed haar enkel harder lachen. ‘Hij vertelde haastig aan mij dat we een zeker iemand moesten gaan, nou ja, redden van iets wat hij de Schaduw noemde. Nou, jij was nog maar net weg, zeg maar, dus ik wist eigenlijk wel meteen waar hij het over had, natuurlijk.’
‘Seban toch!’ riep Tara uit. Ze gaf de rekruut een zachte duw tegen zijn schouder. Het was in de meeste gevallen niet eens genoeg geweest om een kleuter omver te krijgen; maar de diep in gedachten verzonken Seban werd uit zijn evenwicht gebracht en donderde bijna van de rots af. Tara wist nog net een hand uit te steken om te voorkomen dat hij zich aardig bezeerde op de enkele stappen lager gelegen grond. Met een nonchalante beweging trok ze hem terug de plek op waar hij zojuist gezeten had, waardoor Seban gedurende één korte flits net iets te dicht bij haar door leer beschermde boezem kwam met zijn wild zwaaiende lange armen. Even later was de vrede echter weer in volle glorie hersteld en keken de drie weer zoals zojuist neer op de open plek en de bijzonder aangename maar toch beruchte gloed van het kampvuur. In de verte wachtte de diepe duisternis van het fluisterende woud, de eindeloze schaduwen tussen de dode bomen en de met doornen bekroonde schaduwen; maar op de rots was goed gezelschap.
Seban sprak geen woord tegen haar- in plaats daarvan schonk hij haar een warme glimlach. Tara lachte vriendelijk terug, maar kon niet voorkomen dat een gedachte in haar opkwam waar ze liever niet aan had willen denken. De jonge rekruut leek plotseling wel érg op haar gesteld te zijn, nadat hij haar had gered van de klauwen van de Naamlozen. En zij… Ze moest toegeven dat zij ook gesteld was geraakt op hem. Die klungelige maar verrassend effectieve vechtstijl, die heerlijke blauwe ogen om bij weg te smelten, dat warrig krullende blonde haar en bescheiden stoppelbaardje…
Was het liefde?
Tara wist het niet.
Ze had al eens kennis gemaakt met het vreemde, ontastbare schepsel dat mensen de naam liefde gaven. Ze had het voor de eerste keer gevoeld in de marmeren zuilengangen van Gaelon, en het had zich doorgezet in de donkere wouden rondom de verborgen stad Eclozar en de donkere librijen van het ijzige Stormrots. Maar nee. Dat was geen liefde. Althans, het was niet hetzelfde soort liefde als dat ze nu voelde. Ze had gehouden van enkele van haar jaargenoten, ja, had haar hart verloren aan de glinsterende zeeën achter Gaelon en de verlaten, eindeloos lijkende rijen stoffige oude boeken van de Drie Academies; maar was dat werkelijk hetzelfde gevoel als dat ze nu ervaarde?
Was dit dan de liefde waar ze zo vaak over had gehoord toen haar ouders haar voor hadden gelezen uit de verhalen van de Canata Mus? Tara was nog nooit écht hopeloos verliefd geworden op welke persoon ook. Was dit dan eindelijk het lang verwachte moment?
Was het liefde?
Tara wist het niet.
En het bracht haar vreselijk in de war.
‘In ieder geval,’ vervolgde Bredon plotseling zijn verhaal, waardoor Tara uit haar diepe gedachten en in de wereld van de mensen gesleurd werd, ‘we gingen er dus meteen op uit, Seban en ik. Op de een of andere manier hadden we nauwelijks problemen. We werden niet opgehouden aan de bosrand door de, ah, monsters die we vanuit de wachttoren zagen. Die waren allemaal weg, ja, van de aardbodem verdwenen, zal ik maar even zeggen. In het woud-’
‘Bredon…!’ snauwde Seban de kapitein op een geïrriteerde toon toe. ‘Vergeet je niet iets?’
‘En wat dan wel?’
‘Ik zeg het wel,’ verzuchtte de jonge soldaat. Hij draaide zijn hoofd naar Tara, die hem vragend aankeek. ‘Toen we door de straten van het dorp liepen, en ook nog eventjes erbuiten, toen zagen we, nou ja… Witte en zwarte, eh, flitsen op het veld voor het bos. We dachten al dat er iets mis zou zijn, Tara, maar we wisten niet wat. Was jij dat? Die witte flitsen?’ De jonge huurmoordenares knikte zwijgend. Ze herinnerde zich nog goed de heerlijke warmte die ze had gevoeld toen ze het woord van kracht had gesproken en de heilige vlammen op het gevest van Valarite had ontstoken.
‘Dat was ik inderdaad,’ verzuchtte ze. ‘Woord van kracht. De schaduwen wilden me tegenhouden. Ik was dood geweest als ik niet tijdig had gehandeld.’ Ze zuchtte opnieuw, dieper deze keer. ‘Maar jullie zijn ze niet tegengekomen?’ zei ze in een poging de aandacht van haar eigen belevenissen af te halen.
‘Nee, en ik denk dat de engelen van Glarric over onze schouders mee hebben gekeken,’ zei Bredon. ‘Het woud wisten we ook redelijk makkelijk door te komen, hoewel we wel allebei fluisteringen hoorden. Op een gegeven moment gingen we een vuurtje maken, een kleintje maar, om onze handen aan te verwarmen. We kregen allebei een visioen.’
‘Laat me raden,’ zei Tara op een donkere en enigszins onheilspellende toon. ‘Je liep door het bos. Alles leek uitgeveegd als op een nat doek. In de verte zag je een kampvuur, waar je naartoe wilde gaan omdat daar “verlossing aan het einde van het pad” zou liggen. Je naderde het kampvuur en voelde de heerlijke warmte, maar zag slechts negen personen jouw richting in staren. Toen eindigde het. Heb ik gelijk?’ Er viel een stilte. Seban had haar gedurende haar hele verhaal met open mond aangestaard, verbaasd dat ook zij al in de nachtmerrie kon kijken die feitelijk enkel de zijne hoorde te zijn. De kapitein wist zijn gezicht meer in de plooi te houden, maar ook in zijn ogen lag verrassing en verbaasdheid.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel V

di okt 10, 2017 12:43 pm

‘Je… Je hebt gelijk, Tara,’ bracht Bredon uit toen hij zich had weten te herpakken. ‘Alleen heb je één klein, nou ja, detail wel gemist…’
‘En dat is?’
‘Nou ja… Ik was, eh…’ Hij kuchte voor de zoveelste keer ongemakkelijk in zijn met een glinsterend pantser omsloten rechterhand. ‘Ik had niet heel veel kleren aan, zeg maar.’
‘Ah, dat,’ zei Tara. ‘Ja, dat herken ik wel, ja.’ Ze draaide haar hoofd naar Seban, die haar blijkbaar strak aan had zitten te kijken. Een glimlach brak door op hun beide gezichten, een glimlach van twee mensen die elkaar begrijpen en weten wat er zich in elkaars hoofd afspeelt; en toen begonnen ze te lachen. Hun gelach vulde de lucht, werd meegedragen door de fluisterende wind die nog immer verhalen vertelde aan de ritselende struiken en langzaam bewegende grassprieten van Kainere, en moest mijlen verderop in het dorp nog te horen zijn. Het waren enkele van de meest vrolijke momenten die ze in een lange tijd beleefd had. Tara voelde zich opgelucht, alsof er van het ene op het andere moment een vreselijke last van haar schouders was gevallen die ze al vele jaren met zich mee had gedragen. Ze had nagenoeg nooit meer gelachen sinds de dag dat ze verbannen was uit Stormrots en met enkel haar zwaard Valarite als metgezel op een gammel hout bootje was gezet en de gevaren van de Bevroren Zee moest trotseren. Er was bijna geen mogelijkheid toe geweest. Zeker hier, in dit schijnbaar kwaadaardige woud waar onschuldige dorpelingen door vormloze schaduwen de duisternis in werden gesleurd, was er nauwelijks plaats geweest voor ook maar de kleinste glimlach. Maar het vriendelijke gezicht van Seban Galbrin, de kleine maar o zo duidelijk aanwezige fonkeling in de eindeloze dieptes van zijn zachte ogen, bracht de vreugde naar haar geest terug zelfs in een donkere en naamloze plek als deze.
‘Ik heb eens een keer iets van iemand geleerd, Tara,’ zei Seban zacht toen hij zichzelf weer enigszins had weten te herpakken en de vreugdevolle tranen weg had gewreven. ‘Ja. Ze leerde mij dat wat er ook gebeurt, je altijd moet blijven lachen. Ik kwam haar tegen op de Weg, en ze vertelde me dat dit het laatste avontuur van haar leven was. De plaatsen waar ze aan gehecht was geraakt, de plaatsen en de mensen van wie ze was gaan houden… Ze wist dat ze die nooit meer terug zou zien, maar toch zette ze door. En weet je waarom?’
Seban liet bewust een stilte vallen, wat ruimte overliet voor Tara om haar hoofd te schudden. Precies wat hij wilde.
‘Omdat ze bleef lachen, Tara. Ze wilde dat haar reis gevuld was met glimlachen. Het sleepte haar door de laatste dagen van haar leven. Als het even tegenzit, denk dan aan mij en lach. Ook al lijkt het alsof je jezelf voor de gek houdt, je zult je er beter door voelen. Echt waar.’ Er viel wederom een stilte. De drie staarden voor zich uit, naar het vernietigde kampement onder hen en de warme gloed van het nog immer brandende kampvuur, naar de zee van duisternis die hen overal omringde. Lachen. Tara moest het maar eens proberen.
‘Wat is er uiteindelijk van haar geworden?’ vroeg ze voorzichtig, bang om Seban te herinneren aan minder prettige tijden.
‘Ze stierf,’ antwoordde hij. ‘Ze stierf om haar land te redden. Zonder haar zouden de Elven van Dal Mlaranna skeletten in een kerkhof zijn. Ze stierf voor haar volk, maar haar boodschap leeft voort, eeuwig in onze harten.’
Seban staarde voor zich uit, zijn gedachten zwervend in tijden lang vervlogen op de Cirkelen van Tijd. Tara fronste lichtjes met haar half-verbrande wenkbrauwen. Misschien had ze deze jonge rekruut onderschat. Ze had niet veel van hem gedacht, daar in de door maanlicht verlichte straten van Kainere; maar nu werd ze gedwongen om haar mening bij te stellen. Toen ze zijn nostalgische glimlach en zachte ogen zag, wist ze het zeker. Ze had hem onderschat.
De eerste die de stilte doorbrak, was, vreemd genoeg, Seban Galbrin zelf.
‘Maar wat bazel ik nou?’ vroeg hij zichzelf hardop af terwijl hij zijn lange armen hoog in de lucht zwaaide. Tara hoopte even dat hij een van zijn handen op haar schouder of op haar wang zou leggen, een bevestiging dat hij de gevoelens die ze voor hem had ook daadwerkelijk terugkeerde; maar dat bleek ijdele hoop.
Seban zette in feite zijn armen op de grond om zichzelf te ondersteunen terwijl hij met een aanzienlijke krachtinspanning zichzelf overeind wist te hijsen. Hij wreef in zijn armen en keek met snelle bewegingen om zich heen.
‘Waar wachten jullie nog op?’ vroeg hij enigszins verbaasd aan Tara en Bredon, die geen aanstalten maakten om net zoals hij van hun de oude rots op te staan. ‘Hup, kom mee! Ik heb nou nogal genoeg gehad van dit vervloekte woud!’ De jonge huurmoordenares en de oude soldaat keken elkaar met een begrijpende grijns aan; toen stonden ze bijna tegelijk op en gingen ze op dezelfde volgorde naast Seban staan.
‘Tuurlijk komen we mee,’ glimlachte Tara. ‘Ik wil hier ook weg. Waar gaan we naartoe?’
‘Geen idee,’ zei Seban. ‘Ik veronderstel waar de wind ons voert, of zoiets dergelijks?’ Terwijl ze het pad namen dat hen vanuit het heuveltje waarop de rots stond naar beneden zou voeren, kon Tara niet voorkomen dat ze weer hardop in lachen uitbarstte. En terwijl ze terug richting het kampvuur liepen, betrapte ze zichzelf erop dat haar hand wel héél dicht bij die van Seban begon te zweven. Enkele momenten overwoog ze het om haar hand in de zijne te sluiten en zo de gevaren van het fluisterende woud te weerstaan, maar had uiteindelijk niet de moed om het te doen. Vanbinnen vervloekte ze zichzelf. Ze had al zo veel gedaan. Ze had koningen vermoord, monsters van kant gemaakt, ijzige sneeuwstormen op de koudste zeeën van het noorden getrotseerd zonder enige kleren om haar lijf; en nu had ze niet de moed om zijn hand vast te pakken? Het was waanzin. De waanzin van de liefde, veronderstelde ze. Liefde was een vreemd wezen.
De drie waren volledig gedesoriënteerd en hadden geen idee in welke richting ze moesten lopen om het woud te verlaten. Na een kort overleg besloten ze het zelfde pad te bewandelen als dat Tara op de heenreis genomen had, simpelweg omdat Tara als enige van hen de bochten en doodlopende wegen van het woud had onthouden- min of meer.
Ze stonden aan de rand van de open plek, nabij het struikgewas waar Tara zich verborgen had gehouden van de ogen van de Naamlozen, toen alles plotseling vliegensvlug ging.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel VI

di okt 10, 2017 12:44 pm

‘Pas op!’ hoorde Tara de kapitein uit volle borst schreeuwen. Instinctief hief ze haar hand in de lucht, tapte razendsnel uit de levensstromen en liet de enorme hoeveelheden energie een beschermend schild om hen heen vormen. Ze had nét snel genoeg weten te reageren om een regen van brandende pijlen tegen te houden, maar toch werd ze gedwongen om even later het schild op te heffen.
Verafschuwd keek ze naar voren. Uit de misvormde en verbrande lijken van de negen kwam nu vreemde zwarte rook, die wel wat weghad van de donkere wolken die overal tussen de bomen en boven de grond van het fluisterende woud hadden gehangen. De rook reisde door de lucht als een rivier van schaduwen en kwam even boven het nog immer brandende kampvuur samen in een vreselijk monster. Het was zoals de beestelijke schaduwkrijgers die Tara had moeten verslaan op het veld aan de bosrand; het enige verschil was dat deze minstens haar eigen lengte boven hen uittorende, misschien zelfs meer. Het monster had vaag de vorm van een enorme trol zoals ze die enkel kende uit de ongeloofwaardige sprookjes van Prins Galian uit de kronieken van de Canata Mus, met een traag voortbewegend lichaam en enorme klauwen zo lang als Bredons zwaard.
Er was iets mis. Tara had het meteen in de gaten. Het mysterie van Kainere was nog niet volledig opgelost, het kwaad was nog niet volledig verbannen.
De drie keken verafschuwd toe terwijl het wezen ontwaakte, uit de warme gloed van het kampvuur stapte en een verschrikkelijke brul losliet die Tara herkende van de momenten dat ze wakker was geschrokken in de herberg. De eerste die zich wist te herpakken was bevelhebber Bredon Jassil.
‘In een rij, snel! Voeten stevig in de grond!’ schreeuwde hij terwijl hij zijn eigen bevel opvolgde. Tara en Seban keken elkaar één kort moment aan met blikken die elkaar leken te begrijpen, en deden toen haastig wat de kapitein opgedragen had. De jonge huurmoordenares trok Valarite uit de schede en hield het bleke staal beschermend voor haar borst; de rekruut deed hetzelfde met zijn verroeste zwaard dat hem in het leger was geschonken. ‘Schouder aan schouder!’ riep Bredon opnieuw. Er schemerde nauwelijks paniek door in zijn stem, wat Tara een bewonderenswaardige prestatie vond. Seban daarentegen stond te trillen op zijn knieën, hoewel hij zijn grootste best deed om nog enigszins mannelijk en onbevreesd over te komen voor de jonge vrouw die zo dicht bij hem stond. Tara schonk hem een warme glimlach van haar bloedrode lippen. Hij leek er nog van te ontspannen ook.
Het schaduwmonster naderde steeds dichter. Tara had verwacht dat het een of andere duistere knots tevoorschijn zou halen en hen daarmee in elkaar zou proberen te slaan; maar het bleek dat de vijand van plan was enkel zijn vlijmscherpe klauwen te gebruiken.
Seban maakte bijna een sprongetje toen hij een- in zijn ogen geniale- ingeving kreeg.
‘Tara!’ riep hij overbodig hard. ‘Een spreuk!’ Tara schudde vastberaden haar hoofd.
‘Onmogelijk,’ gromde ze. ‘Heb je die pijlen daarnet gezien? Dat ding kaatst mijn bezweringen meteen terug. Moet hem van achteren zien te grijpen.’
De rekruut leek nog iets te willen zeggen, maar de woorden gingen verloren in het kabaal dat losbarstte toen het monster over de open plek begon te sprinten, richting de plek waar de drie krijgers schouder aan schouder stonden.
‘Blijf staan!’ schreeuwde Bredon in het aanzicht van het naderende kwaad. ‘Blijf staan!’ Op het laatste moment keek hij naar de twee anderen. De drie begrepen wat ze moesten doen, knikten elkaar toe en boden standvastig hoofd aan het gevaar dat brullend en wild met zijn klauwen zwaaiend op hen af kwam.
Het schaduwmonster daalde over hen neer als een machtige vloedgolf die gebroken werd door de rotsen aan de kust van de stormachtige eilanden aan de andere kant van de wereld.
Tara, Seban en Bredon rolden net op het laatste moment uit de baan van de vijand, die in verwarring gebracht werd en in volle vaart met zijn kop tegen een harde boom aan botste. De drie grepen de kans met beide handen aan en verspreidden zich over het veld. Seban wist een boog op te pakken van het lijk van een van de Naamlozen en begon van een afstand druk uit te oefenen op het monster door voortdurend pijlen af te vuren. Tara verborg zich achter de vlammen van het kampvuur, wachtend tot het goede moment om Valarite diep in de kwetsbare rug van het schaduwwezen te planten. Bredon stelde zich breed op waar de vijand woedend uit de struiken kwam springen en begon hard tegen hard te vechten. Hij zwaaide zijn langzwaard met enorme bewegingen in het rond en deelde meerdere genadeloze slagen uit aan de gigantische vijand voor hem, die de kapitein als tegenprestatie probeerde te verpletteren met zijn overdonderende gewicht. Maar Bredon wist iedere keer de schaduw van zich af te houden met het ijzersterke gevest van zijn zwaard. Seban leverde een onschatbare bijdrage door voortdurend pijlen door het monster heen te jagen, waardoor die in verwarring raakte en ruimte overliet voor het langzwaard om hem te raken. Maar na een tijd raakte de voorraad pijlen op en werd de rekruut gedwongen schouder aan schouder met de oude grijze soldaat te vechten.
En achter de vlammen wachtte Tara af.
Uiteindelijk vond ze het lang genoeg geduurd hebben. Ze kwam achter het kampvuur vandaan en stelde zichzelf op achter het gevecht, dat steeds meer plaats was gaan vinden nabij de plek waar de man Nergal zijn kromzwaard tegen het lichaam van Corenne had gehouden. Met een schok realiseerde Tara zich dat de drie meisjes nog steeds naakt aan de tak vastgeketend zaten, hopend op de bevrijding waar ze o zo lang op gewacht hadden. Haastig en voorzichtig om niet gezien te worden door het beest liet ze Valarite de ijzeren kettingen doorhakken. De drie meisjes waren bevrijd en kwamen terecht op de grond, maar bleven daar trillend van angst staan en verroerden zich niet.
‘Hup, kleed je aan,’ fluisterde Tara. ‘Jullie moeten hier weg, en gauw.’ Ze wierp een haastige blik op het strijdgewoel achter haar, maar werd gerust gesteld toen ze zag dat Seban en Bredon de klauwen tot nu toe hadden kunnen ontwijken. Toen de meisjes nog steeds niet in beweging kwamen, wees ze geërgerd naar het trieste hoopje kleren op de grond.
De gevangenen sprongen plotseling op de kleding af als wilde beesten, en de strijd die volgde werd jammerlijk verloren door de jongste. Zij wist enkel een afgedankt stuk oud stof over haar bovenlichaam te trekken, en staarde met een doffe glinstering in haar ogen naar de broek die Tara droeg; toen sprong ze op de jonge huurmoordenares af, klemde zich om een van haar benen en probeerde met geweld het leren kledingstuk omlaag te trekken. Een verraste Tara werd gedwongen de wees van zich af te duwen. Ze haastte zich weg om een broek van een van de lijken van de Naamlozen af te nemen. Het dichtstbijzijnde lichaam bleek die van de man met de blonde haren te zijn. Ze ontdeed hem van zijn onderkleding en wilde teruggaan naar het onverstaanbaar grommende meisje, bukkend in het warme licht om niet gezien te worden; maar toen draaide ze zich om en trapte zo hard als ze kon tegen de edele delen van de man die zo venijnig naar haar gegrijnsd had. Wraak was een zoet iets, wist Tara.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel VII

di okt 10, 2017 12:45 pm

Toen ze de drie verwarde meisjes eenmaal had bevolen zich te verstoppen in het nabije struikgewas en te wachten totdat het gevecht was afgelopen, was Tara eindelijk in staat haar bijdrage te leveren in de strijd. Ze rende op het monster af, zette zichzelf af tegen de grond met behulp van haar zwaard en plantte Valarite diep in de kwetsbare rug van de enorme trol. Vliegensvlug trok ze haar wapen er weer uit en ontweek ze met een sierlijke beweging de woedende uithaal van de vijand.
Ze danste om de schaduw heen, liet haar zwaard enkele keren neerkomen op het lichaam maar leek slechts kleine krassen te creëren op het onkwetsbaar lijkende pantser. Bredon en Seban hielden zich zo veel mogelijk afzijdig van elkaar en de jonge huurmoordenares, verspreidden zich over het veld in een poging het beest te verwarren. En zo vervolgde zich de strijd.
Uiteindelijk besloot Tara het rondzwaaien van haar zwaard even achter zich te laten en gebruik te gaan maken van de magie waar ze zo in geoefend was. Ze was zich ervan bewust dat het gebruiken van sterke spreuken en bezweringen feitelijk strikt verboden was geworden na haar verbanning uit Stormrots, maar iedere poging die de tovenaars gedaan hadden om haar magische vaardigheden te neutraliseren was jammerlijk mislukt. Tara was slim en vermeed het gebruik meestal. Ze had magie verruild voor het koude staal van Valarite, een beslissing die haar zwaar gevallen was; maar nu moest ze levens redden. Het monster leek alleen gedeerd te kunnen worden door spreuken. Tara dompelde zich onder in de Karna, onttrok grote hoeveelheden energie van de levensstromen en liet alles naar haar linkerhand vloeien. Daar vormde zich een klein vlammetje dat even boven haar handpalm vrolijk in het rond danste; maar het veranderde in een enorme brandende straal van vuur toen Tara schreeuwend een ingewikkelde beweging met haar arm maakte. De goed gemikte straal raakte een kwetsbaar plekje op de rug van het monster, dat als een dreigende donderwolk boven Bredon had gestaan, klaar om nog een poging te doen de kapitein te verscheuren. Het was alsof een brandende speer van puur licht door zijn borst stak en er aan de andere kant weer uitkwam; het beest brulde dan ook de hele boel bij elkaar en begon te wankelen. Enkele momenten scheen het de inmiddels uitgeputte Tara toe dat haar vijand de strijd zou opgeven en zich met de staart tussen de benen zou terugtrekken naar de duistere wereld waar het thuishoorde. Het monster trilde over zijn hele enorme lichaam, liet een doffe grom los, zakte in elkaar en…
En opende zijn ogen nét voordat het achterover op de grond zou vallen.
Hij brulde opnieuw- een afgrijselijk gejank gericht op de nachtelijke hemelen dat de gehele wereld op zijn grondvesten leek te doen trillen- en zette zijn klauwen aan de speer van licht. Tara snakte naar adem. Die straal was magie in zijn puurste vorm, en pure magie was onmogelijk om aan te raken! Het monster trok de brandende speer met een ruk uit zijn borst en wierp het in de richting van de kapitein, die nog net uit de baan van het ding wist te stappen maar wel bijna van zijn sokken geblazen werd door de explosie die er onvermijdelijk op volgde.
Toen draaide het beest zich met een plotselinge beweging om naar Tara, die als aan de grond genageld had staan kijken naar het vreselijke tafereel. Enkele angstaanjagende momenten keek de jonge huurmoordenares in de eindeloze schaduwen. Tara probeerde zich te verzetten, probeerde haar blik te onttrekken aan de holle ogen die bleek waren als de immer grijnzende maan; maar ze kon het niet. Haar lichaam werd vastgehouden door een onzichtbare kracht, die op haar inwerkte als een voortdurende schokgolf van magie. Haar blik werd de diepte in gezogen. Er was enkel een draaikolk van duisternis en schaduwen.
Vaag ving ze een uitzinnig gebrul op terwijl het schaduwwezen in een vreselijke woede op haar af kwam stormen. Ze stond daar als verdoofd, en merkte het nauwelijks op toen Seban Galbrin vanaf een tiental stappen iets schreeuwde.
‘Tara!’ riep hij. ‘Kijk uit!’ Maar Tara kon zich niet verroeren, kon niet doen wat die vriendelijke jonge rekruut haar smeekte om te doen. ‘Tara!’ klonk het opnieuw.
Seban aarzelde geen moment en nam in een flits de belangrijkste beslissing van zijn leven. Hij sprak in gedachte een kort gebed, dacht voor de laatste keer aan de vrienden en familie die hij thuis in Givarra had achtergelaten en verruild had voor de wijde wereld, hoopte met heel zijn hart dat ze alle geluk van de wereld mochten kennen tot in de eeuwigheid. Toen sloot hij zijn vingers stevig om het gevest van zijn verroeste oude zwaard en rende hij af op Tara, de Vloek der Koningen, de wonderbaarlijke jonge vrouw op wie hij in de afgelopen nacht vreselijk verliefd was geworden.
Hij sloot zijn ogen.
Tara werd wakker geschud toen ze ruw aan de kant werd geduwd door een bekend aanvoelende hand. Ze struikelde en viel als een idioot op de grond. Ze snakte naar adem toen ze zag wat er zich voor haar afspeelde.
Seban had zich voor haar opgesteld en bood nu dapper het hoofd aan het aanstormende monster. Hij hield zijn zwaard stevig in zijn hand en bereidde zich voor op de vloedgolf van schaduwen die weldra over hem heen zou dalen. Toen het moment eindelijk daar was, hief Seban zijn wapen hoog in de lucht, schreeuwde vanuit het diepste van zijn ziel een eeuwenoude strijdkreet en…
Werd doorstoken door tientallen klauwen scherper dan honderd zwaarden.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel VIII

di okt 10, 2017 12:46 pm

Het monster brulde triomfantelijk en zwaaide zijn rechterarm, waarmee hij de dappere rekruut door zijn borst doorboord had, wild in het rond. Hij sloeg het met een verschrikkelijke kracht tegen de grond en tegen de harde stammen van de bomen aan de bosrand alsof het een loodzware knots was; en met één machtige zwaai gooide hij het hele kampvuur overhoop en liet hij brandende stukken hout overal door de lucht vliegen.
‘Seban!’ schreeuwde Tara verafschuwd. ‘Seban!’ Het schaduwbeest hoorde haar wanhopige kreten, stampte op haar af en wierp het slappe lichaam van de jonge rekruut met een duizelingwekkende kracht bovenop haar. Tara had zichzelf net overeind weten te hijsen, maar werd nu weer tegen de grond gewerkt toen het lichaam bovenop haar belandde. Ze rolde razendsnel naar links. Bredon was zo slim haar de mogelijkheid te geven zich over Seban Galbrin heen te buigen terwijl de kapitein het monster op afstand hield.
Haastig ging Tara half op hem zitten, haar borst naar zijn hoofd gekeerd en middel even onder de zijne in een positie die je zou verwachten van twee geliefden. Zijn heerlijke zeeblauwe ogen waren wijd opengesperd en leken gevuld met leven, maar zijn borst bewoog niet op en neer. Hij haalde geen adem.
‘Seban!’ wist Tara tussen enkele snikken uit te brengen. ‘Seban! Word wakker, alsjeblieft! Kom terug! Verlaat me niet!’ Maar hoe veel ze hem ook door elkaar schudde, hoe vaak ze ook op zijn borst sloeg en hem huilend smeekte terug te keren terwijl Bredon zijn leven op het spel aan het zetten was, Seban reageerde niet. Zijn ogen zouden voor de rest van de eeuwigheid naar de leegte van de duisternis staren.
Tara voelde een misselijkmakend gevoel bij zichzelf opkomen. Het ontstond ergens in de lagere gebieden van haar buik, maar verspreidde zich al snel als een olievlek naar haar borstkas en haar hoofd, vervulde haar van een onverklaarbare haat zoals ze die nog nooit gevoeld had. Dat monster had haar Seban ontnomen. Ze zou hem laten boeten. In een blinde woede trok ze Valarite uit de schede met het ijzige geluid dat daarbij gepaard ging, rende in volle vaart op het nog immer in razernij ondergedompelde schaduwwezen af en begon genadeloos op hem in te slaan.
Haar verschrikkelijke toorn jegens het monster werd voelbaar in de lucht en manifesteerde zich in gloeiend hete vlammen die zich op het gevest van haar zwaard begonnen te vormen. Het vuur verbrandde het pantser van de vijand en verschroeide de schaduwen van zijn lichaam. Blind voor het eindeloze gevaar dat voor haar lag klom Tara met een soepele beweging en een ruwe schreeuw op de tastbaar geworden duisternis en balanceerde op zijn brede schouders. Het beest bewoog wild met zijn armen en zijn hoofd, probeerde ook de onverwachte indringer te doorboren met zijn vlijmscherpe klauwen. Maar Tara was vastberaden. Ze twijfelde niet. Er was een schreeuw. Een flits. Met een duizelingwekkende kracht stortte ze het koud brandende staal van Valarite recht door het grote lompe hoofd.
In de bomen vloog een raaf zwijgend op.
Er volgde geen stilte op de dappere daad. Tara’s zwaard had de vijand in vuur en vlam gezet, en binnen enkele momenten ontplofte het monster in een verschrikkelijke maar prachtige draaikolk van vuur en schaduwen. Tara werd weggeworpen door de explosie, en ook Bredon belandde een eindje verderop in de struiken waar de meisjes zich nog altijd hadden verscholen.
Toen werd het eindelijk stil. Het monster was verslagen, maar Tara was niet in staat er lang bij stil te staan of zichzelf in gedachten een schouderklopje te geven. Ze merkte het zelfs niet toen er uit de plek waar het wezen verslagen was talloze vreemde zwarte slierten ontsnapten, door de lucht reisden als rivieren van duisternis en de lijken van de Naamlozen nieuw leven in bliezen. Tara kon zich enkel richten op Seban.
Opnieuw knielde ze bij hem neer. Ze gooide haar geliefde zwaard naast zich neer, wierp haar zwarte mantel van zich af en legde een hand op het bezwete gezicht van de jonge rekruut. Hij had nog steeds zijn ogen geopend, maar de ademhaling was nog niet teruggekeerd.
‘Seban,’ fluisterde ze. Ze hield haar gezicht dicht bij de zijne, hield haar bloedrode lippen dicht bij zijn net wat te grote oren. ‘Kom terug.’ Haar blik dwaalde af van zijn gezicht naar zijn borst. Daar kronkelde een bloedige wond zich door zijn huid als een kloof in een droge woestijn. Tara twijfelde geen moment. Ze maakte de knoopjes van zijn donkerblauwe vest los, scheurde zijn fraaie, dunne witte trui ruw open en legde een oor aan zijn ontblote bovenlijf. Ze voelde het koude goud van een eeuwenoud amulet tegen haar slaap, maar negeerde het volkomen. Tot haar verrassing en niet geringe vreugde hoorde ze een bescheiden hartslag.
‘Ik ga dood, hè?’ wist Seban kreunend uit te brengen. ‘Dit is het. Het einde… van het pad… Ik zie… Ik zie enkel… enkel het licht… O, het licht, Tara… Het verblindt me…’ Onmiddellijk daarna barstte hij uit in een vreselijk gehoest waarin hij zelfs een klodder bloed uitspuugde die Tara’s gezicht op een haar afstand miste. Tara schudde haar hoofd resoluut terwijl ze haastig dacht aan een manier om hem te redden.
‘Nee. Nee! Je blijft hier bij ons, Seban. Je blijft hier bij ons. Bij mij.’ Ze geleidde energie uit de delen van de levensstromen die geschikt waren voor het produceren van helende magie en streek met ingewikkelde bewegingen over zijn borst en buik, een poging het bloeden te stoppen en de schade te beperken. Maar het was te laat. Het bloed bleef stromen. Zijn ademhaling werd steeds langzamer.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op di okt 10, 2017 12:48 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel IX

di okt 10, 2017 12:47 pm

‘Tara…’ zei Seban zwak in een van de zeldzame momenten tussen hoestbuien door. ‘Tara…’
‘Seban?’ De jonge rekruut strekte zijn trillende hand langzaam uit, en Tara nam die hand in de hare en liet hem rusten tegen haar borst.
‘Onthoud… Tara…’ Hij hoestte wederom bloed op. Tara hield zijn hand vast en streek zachtjes over zijn huid in een wanhopige poging hem te kalmeren. ‘Als je… Als je… Lach dan, Tara… En denk aan mij… alsjeblieft… Tara...’ Een bescheiden glimlach brak door op zijn met vuil en roet bedekte gezicht. Het was als de warme en heerlijke stralen van de zon die na een stormachtige dag de deken van donderwolken doorbraken en de landen eronder verblijdden met hun warmte; en ondanks haar wanhoop kon Tara niets anders doen dan ook glimlachen. Het was een glimlach die aangeraakt werd door de tranende en hopeloze ogen van een huilende jonge vrouw, maar het was een glimlach niettemin. Seban haalde zijn hand uit de omhelzing van de hare en streelde zwakjes haar gezicht, ging over de uitgesproken lijnen van haar jukbeenderen en kaak; toen streek hij over haar kin en keel, liet zijn hand trillend naar beneden lopen en hield halt bij haar kloppend hart; en met een laatste jongensachtige grijns verdween de glinstering in zijn zeeblauwe ogen. Zijn ademhaling verzwakte, zijn ogen vielen dicht en zijn hand viel langzaam van Tara’s trillende borst en kwam langs zijn zij te liggen. Tara versteende.
‘Nee,’ bracht ze uit met een verrassend harde en stabiele stem. ‘Nee! Waag het niet om dood te gaan. Waag het niet, verdomme!’ Pas nu realiseerde ze zich wat er zich hier werkelijk had afgespeeld. Seban was haar ontglipt. Vanbinnen schold ze zichzelf uit in een verschrikkelijke storm van verwensingen en vloeken waarvan genadige Glarric en zijn engelen nog gehuild zouden hebben. Paniekerig en tegelijk grenzeloos woedend hamerde Tara op zijn ontblote en met een gapend litteken doorkliefde borstkas. Ze schudde zijn lichaam bruut door elkaar en negeerde volledig het feit dat zijn ogen weggerold waren en zijn huid de bleekheid en koude zo kenmerkend voor een lijk had gekregen. In een wanhopige poging hem terug te brengen bracht ze haar hoofd dicht bij de zijne en kuste ze zijn lippen, de lippen die ze nog tot in de eeuwigheid zou willen kussen, in een innige zoen die nog vele jaren bezongen zou zijn door de minstrelen der wereld. Maar het haalde niets uit. Dit was geen sprookje zoals in de Canata Mus, realiseerde Tara zich. In de wrede en genadeloze wereld die Seban had verlaten en waarin zij nog overleefde, kon niets een gestorvene weer tot leven wekken. Geen smeekbeden tot de engelen, geen bezweringen of magie, geen zoen kon Seban terug laten keren.
Huilend zoals ze nog nooit gedaan had ging Tara bovenop zijn vredige lichaam liggen en deed dat waar ze te angstig voor was geweest toen het nog kon: ze omhelsde hem. Ze gaf zich over aan haar eindeloze verdriet en huilde een waterval van tranen genoeg voor alle dienaren bij de begrafenis van de god-koning van het verloren Syrule. Zo wilde ze voor altijd blijven liggen, tot aan het eind van de eeuwigheid, totdat de Cirkelen van Tijd uitgedraaid waren en de Duisternis zijn mantel van de nacht weer over de wereld wierp.
‘Seban…’ snikte ze. De haast gefluisterde woorden werden opgemerkt door een oude soldaat achter haar, een dappere bevelhebber die al veel had gezien en al veel had gehoord.
‘De jongen is dood, Tara,’ zei Bredon Jassil. ‘Hij zal niet meer terugkeren.’
‘Maar waarom dan niet?’ schreeuwde Tara wanhopig terwijl ze haar met natte tranen bedekte gezicht naar boven wendde.
‘Hij bewandelt de paden naar de Taalan Vitas, naar de Poortwachters. De armen van Glarric zullen hem verwelkomen.’
‘Ze hadden mij moeten nemen, niet hem,’ snikte Tara. Ze wendde haar blik weer af, streek enkele momenten door het blonde krullende haar van de gesneuvelde jonge soldaat en drukte haar gezicht toen huilend weer tegen zijn borst.
‘Onzin,’ snauwde Bredon. ‘Zo is het leven nu eenmaal, Tara. Je zou dat onderhand wel moeten weten. We komen de wereld in, onvoorbereid op de gevaren die op de Weg liggen, en worden vroeg of laat gedwongen die weer te verlaten. Op de Cirkelen van Tijd duren onze levens slechts een fractie van een moment. Mensenlevens zijn kwetsbaar.’ De kapitein zuchtte. Gedurende een handvol lange momenten viel er een stilte, een stilte die zo leeg was als het oude en versplinterde hout om een uitgeholde boomstam.
‘Tara,’ vervolgde de kapitein, een blik werpend op het gebroken hoopje verdriet dat tot voor kort een sterke jonge vrouw was geweest. ‘Je moet het laten gaan. Seban is dood. Hij komt niet meer terug naar de wereld van de levenden. Maar jij… Jou hebben we hier nog nodig. Jouw tijd is nog niet op. Maak er gebruik van. Voor Seban.’ De jonge huurmoordenares keek op, nog steeds gebogen over het lichaam van haar immer van haar ontnomen geliefde; en in die donkere ogen zag Bredon een vastberaden glinstering die hij in zijn lange leven slechts één keer had aanschouwd.
Tara maakte een beslissing en knikte kort.
‘Voor Seban,’ zei ze, haar stem sterk ondanks de zachte tranen die nog steeds over haar natte wangen rolden. Ze glimlachte, glimlachte zoals Seban haar dat had geleerd in de laatste momenten van zijn leven. Ze wist zichzelf omhoog te krijgen, legde een niet langer trillende hand op de bepantserde schouder van de kapitein en keek recht in zijn gelige ogen. En ze wilde zich omdraaien, wilde wederom proberen resoluut de weg naar Kainere te vinden om dit vervloekte woud eindelijk achter zich te laten; maar in een moment van zwakheid dwaalde haar blik af naar over zijn schouder.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VII- deel X

di okt 10, 2017 12:49 pm

Haar glimlach verdween als sneeuw voor de zon toen ze daar het voorwerp dat het levenloze lichaam van een van de Naamlozen hoorde te zijn, zag kruipen over de verbrande bosrand. Al zijn haren, wapens en kleren die hij naar de strijd had gedragen waren verpulverd door de magische explosie die had gevolgd op het verslaan van het schaduwwezen, en nu was er slechts een donker getint, aanzienlijk gespierd naakt lichaam overgebleven; maar toch herkende Tara hem als de man Nergal, de man die het vlijmscherpe kromzwaard in de buik van Corenne had gestoken. De man die samen met zijn acht metgezellen Seban had vermoord. Tara voelde de woede opnieuw komen opborrelen vanuit de onderste gedeeltes van haar buik, en wist de gevoelens ook deze keer niet tegen te houden. Met een gemakkelijke spreuk haalde ze haar op de grond rustende zwaard naar zich toe, sloot haar vingers stevig om het gevest en liep met een gezicht als steen naar de opkrabbelende man toe.
De man Nergal had tot op dat moment op zijn buik gelegen, had wanhopig geprobeerd zichzelf vooruit te trekken om te vluchten van de beruchte Vloek der Koningen; maar nu voelde hij de in het zwart geklede engel van de dood met getrokken zwaard achter zich naderen, en hij draaide zich met moeite om. Hij vond echter slechts het zwaard Valarite aan zijn keel, het koude staal glinsterend in het maanlicht en prikkend in zijn huid.
Tara keek in de verafschuwde ogen van een moordenaar en onderdrukte de sterk opkomende neiging over te geven terwijl ze de punt van haar zwaard tegen de keel van de Naamloze drukte.
‘Nee! Dood me niet, alsjeblieft!’ bracht de man Nergal uit met trillende stem. De angst lag in zijn ogen; angst voor het koude staal van Valarite, angst voor de wraak van degene die hij onrecht had aangedaan. ‘Ik… ik geef me over,’ zei hij hees. Hij stak zijn rechterarm in de lucht- zijn linker gebruikte hij nog steeds om te voorkomen dat hij plat op de grond kwam te liggen- en trachtte die op de schouder van de jonge huurmoordenares te leggen in een gebaar van overgave. Maar Tara geleidde de energie van de levensstromen naar zijn hand en deelde de man Nergal zonder haar ogen van de zijne af te wenden een enorme elektrisch geladen schok uit. De exotisch gekleurde arm trok zich bliksemsnel terug. De man die onder haar lag hijgde moeizaam en snel, maar Tara grijnsde kwaadaardig. De rollen waren omgedraaid. Ze drukte de punt van haar zwaard net íets harder in zijn huid.
‘Alsjeblieft…’ stamelde de man Nergal. ‘Ik… Wij… De strijd is voorbij, Karasethe. Je hebt gewonnen. Laat ons in vrede. Vind je weg naar de duisternis alleen.’
‘Nooit.’ De glimlach op haar gezicht vervaagde. Zwijgend hief ze Valarite hoog in de lucht, haar punt naar beneden gestoken richting de ontblote mannelijke kenmerken van de donkere man. Ze liet zichzelf toe enkele momenten te genieten van de verafschuwde blik in zijn verwilderde ogen; toen liet ze het staal genadeloos door de lucht flitsen. De man Nergal schreeuwde luid, een indringende kreet van grenzeloze pijn die in de door maanlicht verlichte straten van Kainere nog te horen moest zijn. Hij strekte zijn arm uit om de jonge huurmoordenares te smeken van mening te veranderen en hem te helpen; maar Tara was onverbiddelijk. Met een duistere grijns van haar bloedrode lippen draaide ze zich om en wilde teruglopen richting de plek waar Bredon verbaasd had staan kijken.
De man Nergal had zich inmiddels weer omgedraaid in een poging zijn zwakheid te verbergen van de talloze ogen van de wereld. Maar zijn lijden was nog niet voorbij. Plotseling draaide Tara zich om. In een flits zag de man Nergal haar donkere ogen, ogen die nu gevuld waren met een woede en een lust naar wraak zoals zelfs de Naamloze van de strijd die nog nooit gezien had.
Tara dompelde zich onder in de eindeloze levensstromen en liet overweldigende hoeveelheden energie door haar lichaam stromen. Ze werd vervuld van een gevoel dat ze al vaak had gevoeld, een heerlijk gevoel van kracht en overwinning; maar tegelijkertijd voelde ze de immer aanwezige ijzige kou en zag ze de donkere dieptes waar ze zich makkelijk in zou kunnen verliezen. Ze had nu echter geen oog voor gevaar. Ze geleidde de energie naar haar armen, voelde die opzwellen en alle kleine spiertjes in haar lichaam strak aangespannen worden als een pijl die op een boog gelegd wordt.
Toen hief ze haar linkerhand hoog in de lucht. De man Nergal werd ongewillig meegesleurd. Enkele momenten hing hij een stap of twee boven de grond, niet in staat zich ook maar in het minste te verroeren, wachtend op het einde.
Met een snauw bracht Tara haar beide handen dicht bij elkaar in een strikt verboden bezwering. Terwijl ze de energie door haar lichaam voelde stromen en haar voelde vullen met bloedlust, deed ze een poging ze weer uit elkaar te halen. Die poging werd echter begrensd door hevig verzet, een gevolg van de positie waar ze zichzelf in had gewerkt. Het scheen haar toe alsof ze een eeuwenoude steen met haar blote handen proberen aan het open te splijten was; maar ze zette door.
Met een schok gaf de rots haar verzet op. Tara’s handen sprongen met een duizelingwekkende kracht en vaart uit elkaar, en op precies hetzelfde moment werd het lichaam van de man Nergal in tweeën gereten. De jonge huurmoordenares grijnsde bij het aanzicht van de twee bloederige stukken lijk. De eens ijzersterke botten van de krijger hadden het vlees op verschillende plekken luguber doorboord, en watervallen van donkerrood bloed en nog half werkende organen vloeiden met het kenmerkende bevredigende geluid het naakte lichaam uit. De man leek nog te leven- een bewonderenswaardige prestatie aangezien zijn hoofd door midden gehakt was door een bovennatuurlijke kracht- dus Tara begon ingewikkelde bewegingen te maken met haar aangespannen armen. Met gemak scheurde ze het lichaam nog verder open alsof het de droge huid van een in koelen bloede geslachte koe was. Toen bracht ze haar handen naar elkaar toe, doorbrak de versperring van enorme magnetische kracht en sloeg ze in elkaar. De onherkenbaar verminkte overblijfselen van de man Nergal kwamen samen in een bol ruwweg de grootte van een mannenvuist; maar toen Tara haar handen weer uit elkaar haalde, barstte die bol uit elkaar. Met een donderend kabaal werden duizenden bloeddruppels de lucht ingeworpen. En de druppels daalden genadeloos neer over de handvol personen die nog in leven waren op de open plek in het hart van het duistere woud.
Tara grijnsde en likte haar bloedrode lippen af. Wraak was een zoet iets, ervoer ze voor de zoveelste keer. De man Nergal verdiende het. Vele jaren had hij verschrikkelijke daden verricht, had het lichaam van maagden geschonden en had talloze onschuldigen gemarteld en vermoord, onttrokken van de ogen der wereld. Maar niet langer. Nu zou hij voor altijd branden in de vuren van de wereld van de nachtmerries, de wereld achter de eindeloos wentelende trappen die naar beneden voerden.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”