Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V- deel III

di okt 10, 2017 12:20 pm

Uitgeput leunde Tara tegen de dikke stam van een van de donkere bomen. Ze had zich nog nooit zo moe gevoeld, daar was ze van overtuigd. Zelfs de eindeloze jachten op een troep doorgeschoten wolven in de wouden nabij Eclozar hadden haar niet zo vermoeid als nu. Het waren de wouden. Ze deden iets met haar. Ze kon het niet helemaal plaatsen, maar ze wist het even zeker als dat haar naam Tara Unthelena was. Het lag in de huilende wind, de krijsende kraaien, de dode bomen, de donderende wolken, de vallende regen, de ritselende struiken, de fluisteringen van een naamloze vrees die overal in deze godsvervloekte plek te horen waren. Tara voelde zich gebroken. Het was een gevoel dat ze haatte en verafschuwde. Alles deed pijn alsof ze zich vol tegen een stenen muur had geworpen. De helft van haar geliefde leren wapenrusting was gescheurd, haar linkerbeen was praktisch nutteloos, haar hoofd bonkte alsof een smid er een ijzeren hamer tegenaan had geslagen en haar zij had eindelijk besloten te gaan bloeden waar de tak erin had gestoken.
Tara probeerde zich onder te dompelen in de Karna. Haar laatste uitweg. De sloot haar ogen, concentreerde zich, stelde zich een leegte voor en… Maar er was geen en. De Karna kwam niet. Er kwam niets. Zelfs haar laatste hoop had haar verlaten. De Karna was er altijd voor haar, hield haar in de gaten zoals een moeder-wolf over haar jongen waakt in de eerste weken van hun leven. Maar nu… Het is het woud, dacht ze opnieuw. De wouden leefden. Ze hadden een eigen ziel, een ziel zo gerot en doordrenkt van duisternis dat zelfs Garnavoth en de Negen Prinsen van Immorta nog zouden wenen als ze hier ook maar een stap in de buurt zetten.
Tara keek rond, haar ademhaling hard en haar voorhoofd bezweet en bedekt met een laag vuil. In de plas zag ze een angstaanjagend precieze weerspiegeling van zichzelf. Een gevoel van schaamte zwol vanbinnen op als een golf in de oceaan. Daarstraks in de herberg was ze een knappe jonge vrouw geweest met een lichaam waar het grootste deel van haar leeftijdsgenoten enkel van kon dromen. Nu… Ze was gebroken. Deze plek had haar gebroken. Ze had gefaald. Zichzelf, en al die onschuldige dorpelingen. Tara wenste dat ze in dat heerlijke zachte bed in Kainere was gebleven, wenste dat ze haar overmoed had kunnen bedwingen, wenste dat ze niet ingegeven had aan de fluisteringen van het kwaad en haar weg naar Cilen Taas vervolgd was zonder zich zorgen te maken over het lot van dwazen. Maar er was nu geen weg terug meer. Het slingerende pad leidde slechts vooruit. Waar Tara keek, zag ze enkel donkere wolken boven het pad dat voor haar lag. Een traan ontsnapte aan haar half ingedeukte oog, rolde langzaam over haar wang en deed het water trillen toen het in de plas terecht kwam.
Tara snakte naar adem. Haar spiegelbeeld. Het was verdwenen. Op de plaats waar eigenlijk de beeltenis hoorde te zijn van een neerslachtige verschoppeling wiens kleren op elke mogelijke plaats gescheurd waren, bevond zich nu een schaduw. Dit was geen normale schaduw zoals die geworpen wordt door stervelingen. Nee. Dit was een diepere schaduw, de wereld ingebracht door het naamloze kwaad dat hier huisde. Een schaduw donkerder dan de donkerste nacht, zo donker als het lange gewaad en vlijmscherpe zeis van de dood. Tara probeerde zich te verzetten, probeerde haar blik te onttrekken aan de holle ogen die bleek waren als de immer grijnzende maan; maar ze kon het niet. Haar lichaam werd vastgehouden door een onzichtbare kracht, die op haar inwerkte als een voortdurende schokgolf van magie. Haar blik werd de diepte in gezogen. Er was enkel een draaikolk van duisternis en schaduwen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V- deel IV

di okt 10, 2017 12:21 pm

Het was donker om haar heen. Het enige wat Tara zag, waren de eindeloze schaduwen van het woud en haar eigen naakte lichaam. Ze zou bijna gedacht hebben dat dit de werkelijkheid was. Maar iets was er anders. Alles om haar heen leek op een vreemde manier uitgeveegd, alsof de hand van de Schepper met een natte kwast over een nog onafgewerkt doek had gestreken. De maan was slechts een vage cirkel in de duisternis, en de toppen van de bomen gingen bijna over in de nachtelijke hemelen boven Kainere. In de verte hoorde ze de wolven weer huilen, maar ook aan hun roep was iets veranderd. Vreemd.
Tara kwam overeind en veegde afwezig wat vuil van haar lichaam. Ze keek rond, zoekend naar haar zwaard Valarite, dat ergens op de grond naast haar moest liggen zoals dat daarstraks het geval was geweest. Maar Valarite was er niet. Waarom had ze haar zwaard niet meer bij zich? Waarom was ze plotseling zo naakt als op de dag dat ze geboren was in de tempels van Maracuse? Een visioen. Dat moest het zijn. Ze bevond zich in een visioen, in een wereld die lag in de schemerige gebieden tussen droom en werkelijkheid. Of was het een nachtmerrie? Ze wist het niet, en ze wilde het ook niet weten. Het was niet iets waar ze nu haar gedachtes aan mocht besteden.
Plotseling veranderde het landschap om haar heen. Het was geen geleidelijke overgang. Er was een flits. Toen stond ze op een grote kale heuvel die hoog boven de rest van het woud uittorende alsof de troon van Glarric zelf erop had gestaan, eens, in jaren lang vervlogen op de Cirkelen van Tijd. Door de afwezigheid van bomen of struiken op de heuvel kon Tara het landschap beter zien dan dat ze tot nu toe had gekund. Het woud strekte zich onder haar uit tot in de verte, diep en duister. Onder het licht van de maan leek het zich niet te onderscheiden van elk ander nachtelijk naaldbos in deze delen van de wereld, maar Tara wist beter. Vreemd. De landen onder haar gingen eeuwig door tot aan en achter de horizon, welke kant ze ook op keek. Waar was Kainere, waar was de wachttoren, waar was de slingerende rivier en de lange weg naar het zuiden? Enkel het woud omringde haar, nog immer uitgeveegd als op een nat schilderdoek. In de eindeloze zee van duisternis rees echter een klein licht op, vele steenworpen verwijderd van de grote kale heuvel. Een kampvuur. Tara sloeg bijna een zucht van verlichting. Vuur betekende mensen. Die mensen zouden haar misschien kunnen helpen uit deze godsvervloekte plek te ontsnappen! In volle vaart rende ze de heuvel af, niet gestoord door het feit dat ze volledig onbedekt door de nacht rende als een bezetene.
Er was weer een flits. Tara zat gehurkt in een bosje struiken, aan alle kanten gestoken door takken en met enkele vlijmscherpe doorns drukkend tegen haar naakte huid. Tot haar opluchting zag ze voor zich de warme gloed van het kampvuur. De hitte voelde heerlijk op haar huid en vervulde haar verkleumde lichaam met een aangenaam zacht gevoel van veiligheid. Ze stond op met een sierlijke beweging en baande zich een weg door de hoge struiken, richting het kampvuur. Maar daar trof ze niet aan waar ze op had gehoopt.
In een halve cirkel om de centrale hoop brandende takken stonden acht personen voor zich uit te staren. Aan hun voeten zaten acht jonge vrouwen, naakt en gewond, hun handen achter hun rug bij elkaar gebonden. Een negende stond in hun midden, uittorenend boven de rest van wie hij de meester was; en voor hem zat een vrouw- een meisje?- met golvende zwarte haren, een met sproeten bezaaid gezicht en neergeslagen ogen groen als gif. Tara wist wie het was. Haar uiterlijk kwam precies overeen met de omschrijving die kapitein Bredon Jassil had gegeven van Leruan Atyr, de pasgetrouwde gouverneursdochter. Zij die recentelijk het woud had betreden met acht van haar vriendinnen. Maar nee. Dat kon niet waar zijn. Leruan Atyr was teruggekeerd naar Kainere, waar ze na lange martelingen gestorven was voor de ogen van tientallen verschrikte dorpelingen. Waarom-
Ze is hier.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V- deel V

di okt 10, 2017 12:22 pm

Plotseling keken alle negen die om het kampvuur verzameld waren naar de struiken waar Tara als verdoofd naar het tafereel had staan kijken. Tara snakte naar adem. Het waren de negen waar Jassil het over had gehad tijdens hun gesprek in de wachttoren.
Een hoogmoedig kijkende man met krullende blonde haren en een knap jeugdig gezicht, gekleed in een lang gewaad van zwarte stof bezet met gouden knopen...
Een dunne, zwartharige vrouw met een huid zo bleek als de stralen van de maan, haar gewaad donkerder dan de donkerste nacht, haar blik zwervend in tijden lang vervlogen...
Een streng kijkende vrouw met korte bruine haren en de kenmerkende puntige oren van een Elf, gekleed in een leren uitrusting en lange mantels met de kleur van bloed die achter haar wapperden in de wind...
Een haast onherkenbare man, die alles van zijn gezicht behalve een donkerbruin sikje had verhuld met een grijze kap, en wiens handen voortdurend zweefden rond de vlijmscherpe dolk aan zijn zijde...
Een man met een donkere, exotisch ogende huid en vreemde zwarte haren, gekleed in een wapenrusting van ruw ijzer die hem tegen alles zou beschermen, een kromgetrokken zwaard in zijn hand en zijn diepbruine ogen brandend met het vuur van woede...
Een volledig naakte jonge vrouw met smalle heupen en een volle boezem, haar armen en benen versierd met gouden en zilveren armbanden, haar lichtblonde haren in een sierlijk kapsel boven haar lichtblauwe ogen, een amulet met de kleur van de zee rustend tussen haar borsten…
Een kwaadaardig grijnzende, in een bloedrood gewaad met gouden versieringen geklede man met golvende zwarte haren die tot zijn borst kwamen, omringd door een troep hongerig kijkende wolven…
Een breed glimlachende bezetene met warrige witte haren en verrotte tanden, zijn haast doorzichtige bovenlijf ontbloot en beschilderd met vreemde tekeningen van alle kleuren en alle vormen, zijn ogen gevuld met de duisternis van krankzinnigheid…
En boven alle acht uittorenend stond een man in het midden van de halve cirkel. De leider. De persoon waar Leruan Atyr geen woord over had willen loslaten uit angst voor zijn toorn. Hij was lang, stevig gebouwd en had zijn enigszins hoekige kin trots naar voren gestoken. Tara stond als aan de grond genageld, starend naar zijn ogen, eindeloos als de dieptes van de oceaan en verraderlijk als de besneeuwde toppen van de verraderlijke Aren Duir… En de man kwam langzaam naar haar toegelopen, strekte zijn volmaakte arm naar haar uit en schonk haar een warme maar ijskoude glimlach…
‘Welkom,’ zei hij.
Een flits. Een schreeuw. Het landschap veranderde. Het visioen liet haar een pad zien, slingerend tussen de bomen en over de heuvels van het fluisterende woud. Bij een boom hield ze halt. Tara stond aan de voet van een kleine heuvel, nog steeds onbedekt en rillend van de koude bries die om haar heen blies. Ze keek naar de top van de heuvel, waar een eeuwenoude eik stond als een toren van een kasteel, zijn vormen grillig en zijn stam dik en bleek van de ouderdom. Er klonken woorden in de lucht, onverstaanbare fluisteringen in een onbekende taal rijdend op de winden van tijd. Tara fronste en vernauwde haar ogen tot smalle spleetjes. Aan de onderkant van de verschrompelde stam, bij de wortels van de eeuwenoude boom, was er een diep, duister gat waar een mens makkelijk doorheen zou passen. Dat was het. Het was waar de fluisteringen vandaan kwamen die haar en de bewoners van Kainere maar niet los wilden laten.
Tara kwam in beweging, aangetrokken door de zoete klanken van de voor haar onbekende woorden, en probeerde met voorzichtige stappen naar de top van de heuvel te klimmen. De wereld viel stil terwijl zij liep. De vogels floten niet langer, de wind zong niet meer en de wolven hielden op te huilen tegen de maan die aan de hemel stond. Maar Tara merkte het niet op. Steeds dichter naderde zij, dichter en dichter totdat zij op handen en voeten over het natte gras naar de boom toe kroop…
Maar ze kwam er nooit aan. Plotseling rezen er vanuit haar ooghoeken schaduwen op als kolommen van rook en vlogen met een ontzagwekkende snelheid op haar af. Er klonk een ijzige schreeuw. Ze wist niet of het haar eigen was. Toen werden hemel en aarde zwart.
Tara.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V- deel VI

di okt 10, 2017 12:23 pm

Tara sperde haar ogen wijd open. Haar adem stokte in haar keel. De wereld om haar heen werd langzaam duidelijker, totdat ze in de gaten kreeg dat ze niet langer naakt in het visioen rondwandelde. Ze bevond zich weer in het woud. En er was niets veranderd. De regen daalde nog steeds over de landen neer. De nachtelijke hemel werd nog steeds in flitsen verlicht door torens van bliksem. De raven vlogen nog steeds krassend tussen de dunne takken van de bomen. En de wind geselde het landschap rondom Kainere en liet de bladeren door de lucht vliegen in een vreemde dans. Tara kneep niet in haar arm, zoals vele van haar bijgelovige leeftijdsgenoten dat zouden hebben gedaan. Ze wist onmiddellijk dat de nachtmerrie zich eindelijk teruggetrokken had naar de donkere wereld waar het thuishoorde. Ze rook het in de lucht, voelde het aan de ijskoude bries, zag het aan de onuitputtelijk grijnzende maan aan de hemel.
Ze draaide zich met een ruk om toen ze het vreemde, sissende geluid weer achter zich hoorde. Een fractie van een moment lang zag ze een schimmenzwaard recht op haar hoofd af vliegen, brandend met hetzelfde duistere vuur dat ze gezien had op het met lijken bezaaide slachtveld. In een reflex sprong ze naar links, waardoor het zwaard haar op een duimbreed afstand miste. Ze vloog door de lucht, rolde onzacht door over de modderige grond en kwam op haar rug terecht in de plas donker water. Daar bleef ze roerloos liggen. Het water kwam bijna tot haar oren en drong genadeloos de gaten en scheuren in haar leren uitrusting binnen, waardoor ook de dikke zware trui binnen de kortste keren doorweekt raakte. Tara keek omhoog, naar de te donkere hemel en de grillige boomtoppen, haar ogen open maar haar lichaam levenloos.
Kom, Tara.
Deze keer verbaasde het haar niet eens toen dezelfde gestalte, de schaduwman met zijn onnatuurlijk lange lichaam, de schaduwen tussen de bomen uit kwam lopen. Tara draaide haar hoofd langzaam naar rechts en keek het schepsel aan zonder zich ook maar een haar te verroeren.
Jouw lot ligt in de duisternis, Tara.
Donder rolde door de nachtelijke hemelen. De gestalte liep steeds verder richting het licht dat de maan over het woud wierp, steeds verder naar de immer groeiende plas regenwater. Steeds verder naar Tara, die in het water lag als een pasgeboren kind.
Omhels me, dochter van de Karna.
Een kraai vloog krijsend over, zijn vleugels van de nacht geruisloos en sierlijk voortbewegend onder het bleke licht van de maan. De schaduw begon aan zijn afdaling van de ondiepe kom.
Ik kan een einde maken aan je lijden…
In de verte huilde een wolf. De schaduw kwam steeds dichter, en Tara voelde zijn indringende ijzigheid langzaam haar vingertoppen bevriezen.
Je hoeft me slechts te volgen.
Stilte. De schaduw boog zich over haar heen, streelde haar vuile wangen met zijn ijskoude handen.
Volg me. Volg me naar de duisternis. Omhels me.
Stilte.
Omhels me, Tara! snauwde de stem.
Een bliksemschicht doorkliefde de hemel. Dit was het moment. Dit was haar kans. Met een vloeiende beweging rolde Tara naar links, weg van de klauwen van de dood, weg van de koude omhelzing van het kwaad. In dezelfde beweging kwam ze binnen de kortste keren overeind, sprong ze door de lucht als een pijl die aan de pees van een boog ontsnapt, en greep ze het gevest van Valarite stevig vast met beide handen. Ze twijfelde geen moment. Ze wist wat haar te doen stond.
Met een haast dierlijke schreeuw rende ze in volle vaart op de schaduw af. Ondanks de afwezigheid van een gezicht was hij zichtbaar verrast door de plotselinge bewegelijkheid van zijn vijand. Hij schoot in de gevechtspositie, plantte zijn benen stevig in de grond en hield zijn rechterhand naast zijn zijde om het schimmenzwaard op te roepen. Toen hij inzag dat het nutteloos was, hield de schaduw zijn linkerarm beschermend voor het gebied waar zijn hoofd zou moeten zitten. Maar hij was net een fractie van een moment te laat. De schaduw kon niet voorkomen dat Tara recht voor zijn ogen op de grond terecht kwam en met één machtige zwaai van Valarite op hem inhakte.
Een flits. Een schreeuw. Tara keek strak naar voren terwijl haar tegenstander veranderde in een draaikolk van schaduwen en eindeloze duisternis, steeds kleiner werd en uiteindelijk met een dof geluid geheel verdween. Ze dacht nog enkele woorden te horen, gefluisterd door dezelfde stem die haar gedurende haar hele tocht door het woud had achtervolgd, maar kon er niets uit opmaken. Toen viel de stilte opnieuw over de nachtelijke wouden van noordelijk Tintra.
Enkele momenten bleef ze staan en keek naar de met bladeren bedekte grond en de dode bomen, luisterde naar de muziek van de teruggekeerde stilte. Tara glimlachte. Ook zij was teruggekeerd. Ze voelde zich springlevend. Alle energie die haar was ontnomen tijdens de strijd op het open veld en de eindeloze zwerftochten door het woud, had eindelijk een weg gevonden naar haar lichaam. Ze streelde het glinsterende gevest van haar zwaard en glimlachte nog breder. Ze had gewonnen. In ieder geval, ze had dit kwaad overwonnen. Ze had geen idee wat er haar nog wachtte op het slingerende pad en in de schaduwen die achter de sluier van duisternis verhuld gingen.
Eén ding wist ze echter zo zeker als dat de zon morgen op zou komen en een nieuwe dag zou neerdalen over de wereld. Ze moest naar het kampvuur gaan. Ze had haar warme gloed gezien in haar visioen- een nachtmerrie?- en wist dat de oplossing van dit alles dáár lag, bedekt door een dikke laag die stonk naar bloed en de dood. Het mysterie van Kainere zou opgelost worden, spoedig. Zeer spoedig.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel I

di okt 10, 2017 12:24 pm

In de door de bleke stralen van de grijnzende maan verlichte wouden van Kainere liep Tara naar het noorden. Ze had zich erbij neer moeten leggen dat ze geen flauw idee had van waar het kampvuur zich bevond. Daarom probeerde ze de grote kale heuvel te vinden die ze in haar visioen had gezien. Ze zou de weg die de nachtmerrie haar had getoond volgen totdat ze uitkwam in het hart van deze wouden. Tara dompelde zich onder in de Karna en luisterde naar de muziek van de stilte, naar de fluisteringen van de wind, naar het vage gehuil van oude grijze wolven op zwarte rotsen in de verte. Ze voelde de koude lucht op haar huid, zag de bladeren gedragen worden door de wind in een vreemde dans, en voelde nog immer de aanwezigheid van de duisternis en het kwaad.
Maar er was iets veranderd. De schaduwen tussen de bomen joegen haar geen angst meer aan, de donkere wolken boven de grond deden haar niet meer rillen. Ze voelde alsof ze het woud had overwonnen. Ja. Ze was te sterk geweest om toe te geven aan de fluisteringen van het kwaad, te sterk om meegesleurd te worden naar de eindeloze schaduwen en het bleke gezicht van de dood dat daar onvermijdelijk op haar zou wachten. Ze voelde zich krachtig terwijl ze zwierf tussen de dode bomen, doornstruiken en brede zandgreppels van het bos. Ze bezat de kracht om af te maken wat ze in de wachttoren besloten had te doen.
Het gevoel werd bevestigd toen ze voorzichtig en met een sierlijke beweging over het gevest van Valarite streek, zittend op de rand van de uitgeholde overblijfselen van wat eens een weg geweest moest zijn. Het zwaard trilde in haar hand en vulde de lucht eromheen met een aangename warmte. Valarite hongerde. Die honger zou spoedig gestild worden. Tara tuurde omhoog, naar de nachtelijke hemelen en naar de bleke cirkel van de maan. De spottende grijns van de maan was verminderd toen ze had gezien wat de sterveling onder haar had weten te doen, maar was ondanks dat nog niet helemaal verdwenen. Normaal gesproken verafschuwde Tara die glimlach. Nu omarmde ze hem. Ze zou de maan haar vergissing laten beseffen.
Tara wandelde op haar gemak door de greppel, over de door het mos van vele jaren bedekte stenen, die schots en scheef lagen over een toch al onduidelijk pad. Ze kon het niet helpen zich af te vragen waarom er zich ooit een weg door deze kwaadaardige wouden had geslingerd. Wie had het aangelegd? Misschien waren er eens dagen geweest, inmiddels lang vervlogen op de Cirkelen van Tijd om nimmermeer terug te keren, waarop dit woud nog een prachtig bos was geweest. Misschien.
Een vrolijk beeld verscheen. Over de volmaakt rechte stenen liepen vrouwen in kleurige gewaden en met kunstige kapsels, de arm om die van een zwartgeklede man met een modieuze snor en een door een zilveren knop bekroonde wandelstok. Een jonge moeder wandelde met haar kinderen onder een prachtige haag van oude klimop en bloeiende bloemen, een glimlach op haar gezicht en kijkend naar groepje vrolijk vliegende vogeltjes. In een schaduwrijk plekje stond een jong koppel, zielsgelukkig met elkaar, hun lichamen in elkaar verwikkeld in een liefdevolle omhelzing; en de vriendelijke hand van de blonde jongen streek de ontblootte rug van het meisje, steeds verder naar beneden tot-
Het beeld verdween even plotseling als het gekomen was. Tara werd weer alleen gelaten, alleen met de harde realiteit. Ze schudde haar hoofd, dwong zichzelf het dwaze beeld te vergeten en zette haar tocht door. Gelukkig was het een tijd geleden opgehouden te regenen, waardoor haar doorweekte kleding een kans kreeg om op te drogen. Ze hoopte dat het zo bleef. Vechten in natte kleding was een slecht plan, dat had ze meerdere malen ondervonden.
Tot haar spijt hield de weg een eindje verderop plotseling op bij een diepe afgrond, na een onbepaalde afstand over de heuvels en door de dalen van het woud geslingerd te hebben. Tara hield halt aan de rand van de afgrond. Het was geen natuurlijk gevormd gat, zag ze. Er moest hier iets gebeurd zijn waardoor de weg zo ruw opgebroken werd en in de duisternis verdween, maar ze had geen tijd en geen zin om nader onderzoek te verrichten. Toen ze het aandurfde iets verder over de rand te turen, zag ze enkele stappen beneden haar een hoopje dat verdacht veel weghad van een monsternest. Ze vermoedde dat het een kolonie vikavexa was, smerige wezens die iets weghadden van dunne, met spookachtig grijs haar bedekte aapjes die onoplettende reizigers in grote getale overvielen en iemand in minder dan een minuut in honderden stukken konden scheurden- maar ook hier besloot ze het deze keer niet verder te bekijken. Met een wijde boog en een diepe zucht liep ze om de put heen, waarna ze haar weg door het woud vervolgde.
De heuvel bleek een stuk moeilijker te vinden dan dat ze had gehoopt. De honderden bomen blokkeerden elk zicht dat ze had kunnen hebben, en haar stevig doorstappen verviel al snel in een neerslachtig zwerven over de eindeloos slingerende paden. Die waren verraderlijk en zetten haar veelal op een dwaalspoor, waardoor ze onwetend dwaalde door delen van het woud waar ze helemaal niet hoorde te zijn. Maar ze bleef doorlopen, streefde onuitputtelijk en vastberaden af op haar doel.
Eén keer op haar zwerftochten kwam ze aan bij een meer. Tara wandelde over een zacht hellend heuveltje en kwam aan bij een grote, zwarte rots, waar ze besloot haar vermoeide lichaam enkele momenten te laten rusten. De rots was nog nat van de golven die eroverheen waren gespoeld door de krachtige wind die was komen opzetten tijdens de storm van daarstraks, en was glad geworden door de vele regen die praktisch altijd in dit naaldbos viel. Tara zuchtte geërgerd toen ze merkte dat het toch al gescheurde leer van haar strakke broek nat werd bij de aanraking van de rots en doordrong tot aan haar achterwerk, maar legde zich er spoedig bij neer. Het moest volstaan. Ze sloeg haar beide benen over elkaar, zette haar handen stevig achter haar rug en keek strak voor zich uit.
Het water van het kleine meertje, aan alle kanten omringd door eindeloos bos, was donker en leek dieper dan een doorsnee meer in een gebied als deze. Een zacht briesje was vanuit het noorden komen opzetten, waaide over het meer en deed het wateroppervlak rillen zoals een jong meisje rilt op de eerste dag van een koude winter. De muziek van de stilte was op deze plek helder en duidelijk te horen voor een geoefend oor, en ook de fluisteringen van de wind gingen haast over in de taal der mensen. De enige geluiden kwamen van de krekels in het gras en de zachtjes zingende vogels in de boomtoppen.
Tara glimlachte. Deze plek leek op de een of andere manier… vrediger dan de rest van het woud. Vreemd. Het kwaad lag in de schaduwen tussen de bomen, op de golvende heuvels en in de diepe dalen van de landen rond Kainere; maar in dit toevluchtsoord kon het niet doordringen. Voor het eerst in een lange tijd voelde Tara zich enigszins op haar gemak, hoewel ze nog immer de talloze paren ogen haar vanuit de duisternis in de gaten voelde houden.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel II

di okt 10, 2017 12:24 pm

Ze keek omhoog en staarde naar de hemelen. De maan stond recht tegenover haar, wierp een bleek licht over haar en het glinsterende meer, lachte haar met een vreemde glimlach toe. Ze had het altijd al een vreemd iets gevonden, de maan. Zo dichtbij, maar toch… zo ver weg. Zo vrolijk, maar toch ook zo gevuld met verdriet. De aarde en de maan waren als geliefden, dacht ze altijd. Al sinds het begin van de tijd draaiden ze maar om elkaar heen, konden elkaar bijna kussen in een liefdevolle omhelzing maar wisten elkaar nimmer écht aan te raken. Ze konden elkaar zien aan de overkant van de afgrond, ze konden alle liefdevolle woorden spreken die ze wilden, maar de aanraking was hen voor de rest van de eeuwigheid ontnomen. Zo dichtbij, maar toch zo ver weg. Er waren ook verhalen over de maan, over dat het een vroege versie van de aarde was, een mislukt experiment van de goden zetelend in de gouden zalen in de hemelen. Over een dappere avonturier die op een dag een sleutel vindt, en die gebruikt om de deur naar de maan te openen en de geheimen erachter te onthullen. Maar dat waren slechts verhalen voor in de gelagkamer van een herberg, vond Tara. De maan kende geen geheimen. Ze kende echter wel een oneindig aantal verhalen. Alles dat onder haar gebeurde was niets minder dan de waarheid, hoe hard die ook mocht zijn. En ze keek altijd. Ook als ze niet aan de hemel stond, zag ze alles dat er gebeurde op het oppervlak van zijn immer van haar ontnomen geliefde, hield de tijdingen van de wereld nauwlettend in de gaten zoals niemand anders dat deed. Vandaag keek ze neer op een toch wel bijzonder curieuze jonge vrouw, een meisje dat veel had veranderd en nog veel meer zou veranderen voordat de Cirkelen uitgedraaid waren. Een meisje dat in deze nacht keek naar het door bleke stralen verlichte water.
En maan grijnsde niet langer.
De maan glimlachte.
De vrede werd nogal plotseling onderbroken. Tara draaide haar hoofd met een ruk naar rechts toen ze een kabaal hoorde dat daar niet hoorde te zijn. Eén moment lang was er een verdacht ritselend geluid in de struiken aan de oever van het meer, en ze wist nog net een blik op te vangen van een gestalte rennend door de bosjes, de duisternis in. Tara stond op en haastte zich over het natte, hobbelige zand naar de bosrand, waar ze links van zich dezelfde gestalte weg zag schieten. Ze moest hem volgen, wist ze onmiddellijk. Ze wist niet waarom of hoe, maar besloot het instinctief, bijna in een reflex.
Met een snauw trok ze haar zwaard uit de schede aan haar zijde en achtervolgde ze de gestalte. Hem vangen was echter makkelijker gezegd dan gedaan. Hij was snel- net té snel voor zelfs Tara om hem bij te houden- en veranderde voortdurend van richting in een poging haar te verwarren. Tara echter dompelde zich onder in de Karna, vernauwde haar ogen tot kleine spleetjes en wist hem een hele tijd door het bos op de hielen te zitten. De scherpe takken van de verrotte bomen en doornstruiken krasten smalle wonden in haar huid en kleding, maar daar merkte ze bijna niets van. Als ze haar ogen op haar prooi gericht had, was er geen ophouden meer. Er was enkel de strijd, enkel de achtervolging, enkel de kloppende adrenaline en steenharde kalmte die de Karna haar schonk.
Ze rende, en rende, en rende. De gehele wereld ging over in een waas van donkergroene bladeren en de nachtelijke hemelen die als een deken boven de landen hingen.
Links, rechts, links, rechts, links, rechts…
Ze kwam steeds dichter bij de gestalte, die onuitputtelijk leek te zijn en maar rondjes bleef rennen door de beboste gebieden rond het door maanlicht verlichte meer.
Zo dichtbij… Zo dichtbij…
Ze kon de gestalte nu bijna aanraken, zo dicht waren ze elkaar genaderd. Ze strekte haar vrije arm uit, rijkte verder, steeds maar verder, totdat ze met haar vingers bijna over de schouder van haar door schaduwen gekroonde vijand kon strijken en een einde kon maken aan de uitputtende achtervolging. Ze voelde de ijzige koude van het lichaam van de onbekende persoon, ving flarden op van gedachten uit de diepe duisternis van zijn ziel, zag voor zich in een flits een angstaanjagend beeld van verminkte lichamen van dappere soldaten die eens trots zwaarden in hun handen hadden gedragen, van gemartelde en naakte vrouwen die zich overgegeven hadden aan zijn lusten en zijn toorn, van brandende overblijfselen van prachtige houten huizen omringd door een prachtig bos in de zomer aan de rand van een meer waar nu slechts mist overheen hing; en bloed…
Zo veel bloed… Het bloed was overal…
Maar Tara herpakte zich, strekte haar arm nog íets verder uit, rende nog íets harder in een laatste wanhopige poging de gestalte in te halen en te overmeesteren…
En struikelde.
Een ongelukkig geplaatst en normaal haast onzichtbaar kiezelsteentje op de bosvloer maakte op nogal ruwe wijze een plotseling einde aan de achtervolging. Tara vloekte en stortte als een onnozele idioot ter aarde, waar ze plat op haar buik terecht kwam en daarbij wat botten hoorde scheuren in haar ribbenkast. Ze wist sneller overeind te krabbelen dan dat de meeste mensen dat hadden gekund, maar die vaardigheden kwamen haar in dit geval bar weinig van pas. Het enige wat ze nog opving van haar tegenstander was een glimp van de gestalte terwijl die wegschoot in de bosjes zeker honderd stappen verderop en uit zicht verdween. Ze had hem bijna hardop vervloekt als een dronken zeeman in de havens van elke willekeurige stad aan de kust, maar wist zich nog enigszins in te houden en hield haar reeks onsubtiele verwensingen binnensmonds.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel III

di okt 10, 2017 12:25 pm

Tara zuchtte. Ze sloot haar ogen, dompelde zich onder in de Karna en herwon de rust en de kalmte die de hare waren. De gestalte was haar ontglipt. Met tamelijk veel moeite accepteerde ze haar verlies, zoals ze dat al zo vaak had moeten doen in haar leven. Onwillekeurig dacht ze aan Roshar. Die had haar eens verteld: “Je kunt niet altijd winnen, Tara. Er zullen momenten komen dat anderen simpelweg beter zijn dan jij. En ze zullen liederen laten schrijven over hoe goed ze wel niet zijn en hoe ze je overwonnen hebben. Maar een echte winnaar, dat ben je als je je verlies toegeeft en er als een sterker persoon uitkomt. En een wijzer persoon, als het even kan.”
Ze glimlachte bij de herinnering. Gesprekken met Roshar waren altijd gevuld geweest met zulke wijsheden, hoewel de koppige Tara lang niet altijd de juistheid ervan had willen toegeven. Bij deze uitspraak in het bijzonder had ze gedacht dat het de woorden waren van een verliezer die zich te snel bij zijn nederlaag neerlegde. Nu realiseerde ze zich dat haar mentor altijd gelijk had en zij zelf meer dan eens fout had gezeten.
Ze snoof onvrouwelijk bij die gedachte. Twee maanden. Het was slechts twee maanden geleden dat ze hem voor het laatst had gezien, op die noodlottige dag in de kronkelende gangen onder het ijzige kasteel van Stormrots; en toch begon ze nu al over hem te denken zoals een sentimenteel oud wijf met tranen in de ogen terugblikt op de goede oude tijden. Zoals haar grootmoeder, waarvan Tara stellig overtuigd was dat ze vanaf de dag van haar geboorte al dement en kreupel was geweest. Zoals die walgelijke Oogloze Priesteressen, die feitelijk noch blind noch priesteressen waren en die meer invloed hadden in haar geboortestad dan de meesten wilden toegeven. Zoals die ene uit de Canata Mus, waarvan ze de naam-
Een scherpe geur waaide haar neusgaten binnen, meegevoerd door het zachtjes blazende maar langzaam aanwakkerende briesje, een laatste overblijfsel van de storm van daarstraks. Tara fronste, focuste de Karna op de geuren van haar omgeving en trok een conclusie. Bloed. Het was de geur van bloed. Na enkele korte momenten als een hond over de bosvloer gesnoven te hebben, vond ze tot haar niet-geringe verbazing een druppel bloed op de grond, verborgen tussen de gevallen bladeren. Ze volgde het spoor enkele tientallen stappen, voorovergebogen en voorzichtig om de aanwijzingen niet te vertrappen onder haar laars.
Bij de rand van een dichtbegroeid stuk struiken hielt ze halt. De gestalte was hier uit zicht verdwenen, herinnerde ze zich. Het bloed was van hem. Ook al waren het slechts kleine druppeltjes, het was genoeg om te bevestigen dat haar tegenstander een levend wezen was geweest en geen zielloze schaduw zoals ze tot nu toe had gezien tijdens haar tochten door de nacht. Tara keek een moment naar de struiken voor haar, die op vele plekken gekroond werden door vlijmscherpe doornen. Daarin stappen zou op z’n minst gezegd pijnlijk zijn, dat besefte ze maar al te goed. Maar het spoor leidde door duisternis en schaduwen, en zij moest het slingerende pad volgen overal waar het zich een weg door dit woud kronkelde.
Volledig omgeven door de Karna en luisterend naar de muziek van de stilte maakte ze een beslissing.
Tot haar genoegen was het geen onoverkoombare opgave om het spoor door het struikgewas te volgen. Ook de gestalte- het mens? het dier?- had zich schijnbaar gesneden aan de messcherpe doornen, waardoor hij heel wat meer bloed verloren was en dat had achtergelaten op de bladeren. Zelfs al had ze het bloed niet gezien, had ze de kenmerkende geur tot ver in het bos kunnen volgen. Maar dit… Dit leek wel té makkelijk. Een bloedspetter hier, een gescheurd stuk kleding daar, en om de haverklap een steeds sterker wordende geur. Dit kwam enkel voor in verhalen. Het scheen haar bijna toe dat ze ergens naartoe geléid werd, dat de gestalte opzettelijk aanwijzingen had achtergelaten zodat het zeker was dat Tara zou gaan waar hij wilde dat ze ging. Maar Tara besteedde niet te veel aandacht aan die donkere gedachtes. Ze moest en zou het kampvuur vinden, koste wat het kost, en ze was ervan overtuigd dat dit spoor haar ernaartoe zouden leiden.
Dus zo liep Tara, door prikkende struiken en tussen stervende bomen, over golvende heuvels en in moerassige rivierdalen van de Kaine, onder het bleke licht van de glimlachende maan, steeds verder naar haar doel in het hart van het naamloze woud.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel IV

di okt 10, 2017 12:26 pm

Na een tijd het spoor van bloed gevolgd te hebben door de onherbergzame gebieden van het naaldbos, begon Tara de omgeving waar ze zich in bevond te herkennen. Alles leek op elkaar in het woud, maar toch was er iets… anders aan de plek waar ze zich nu bevond. Ze kon er niet helemaal over uitkomen wat het precies was- naast het feit dat de lucht hier dikker leek te zijn en er een vreemde geur over de landen lag- maar ze wist dat ze haar doel steeds dichter naderde. De struiken, de bomen en zelfs de heuvels herkende ze uit haar visioen, uit het moment dat ze als een bezetene de kale helling af was gerend en de diepe duisternis van het dichtbegroeide bos nabij het kampvuur had betreden. De maan stond op precies dezelfde plaats aan de nachtelijke hemel. Het gehuil van de wolven kwam van precies dezelfde rots verder naar het noorden toe. En één keer zag ze zelfs een verdacht bekend ogende raaf haar in de gaten houden vanaf dezelfde tak als waar hij in haar visioen op had gezeten. Het enige verschil werd gemaakt door het feit dat de omgeving niet meer uitgeveegd was zoals op een nat schilderij, dat Tara zich minder aanstelde als een klein kind, en dat ze zichzelf fatsoenlijk bedekt had.
Toen was eindelijk het moment daar. In de verte was een warme gloed te zien, verhuld door duisternis maar duidelijk zichtbaar tussen de bomen. Het kampvuur. Tara voelde een vlaag van opluchting. Ze had het gevonden. De raadsels van Kainere zouden opgelost worden, spoedig.
Het kampvuur bereiken was echter een ingewikkeldere opgave dan op het eerste gezicht leek. Er was geen recht pad dat naar de warme gloed leidde, dus werd ze gedwongen recht door een moerassig stuk land te waden dat bijna tot aan haar knieën kwam. Vervolgens leidde de weg door een afgerot struikgewas dat doder was dan de lijken op het slagveld aan de bosrand. Tara deed haar uiterste best zo licht mogelijk te lopen. Ze wilde koste wat het kost voorkomen dat ze haar aanwezigheid op een domme manier verraadde, want dat zou vernietigende gevolgen hebben voor zowel haarzelf als de overlevenden- als die er waren. Verrassing was de sleutel, had ze meerdere malen geleerd. Je rende niet als een bezetene het slagveld op, brullend als een beest en wapens gericht op de kelen van je vijand, alleen om te ontdekken dat er in het hol van de leeuw niets was dan bloed en de dood. Nee. Zij hield haar vijanden voor een lange tijd in de gaten, probeerde alles over hen te weten te komen, verborg zich ongezien in de schaduwen en wachtte op het moment dat ze toe kon slaan. Dan liet ze haar zwaard het werk doen- of die vervloekte dolk die ze bij zich móest hebben toen ze welgeteld zeven prinsen in Darlasse in koelen bloede had vermoord en ze bijna hetzelfde had gedaan met de nieuwe keizer. Wachten. Het was precies wat ze zou gaan doen deze nacht. En na het wachten zou het koude staal van haar zwaard dansen door de lucht.
Na zich een weg door het struikgewas en onder de laaghangende takken van de bomen gebaand te hebben kwam Tara uit bij de bosjes die ze herkende van haar visioen. Het kampvuur was dichterbij dan dat het ooit was geweest, en Tara voelde de zacht warmte op haar blote huid. Ze wilde bijna er recht naartoe lopen om haar handen eraan te warmen en vriendelijk te vragen of ze een nacht in het kamp mocht doorbrengen. Maar dat was niet waarom ze hier was. Ze was hier om te redden, om te bevrijden- en om te doden zou het lot dat willen. Het waren misdadigers waar ze tegenover zou staan, zoveel was ze inmiddels wel te weten gekomen. Misdadigers, verkrachters en moordenaars van onschuldige dorpelingen. Ze moest zich focussen op het gevecht dat voor haar lag. In een herberg aan de kant van de weg naar het zuiden zou ze nog vaak genoeg aan een warme haard kunnen zitten.
Tara liep door het gras en de struiken, haar knieën ineen gezakt en haar lichaam laag boven de grond als een vleeseter op jacht, een wonder der natuur, een koningin van de strijd tegen de dwazen van de wereld. Haar voeten scheerden over het gras, maakten nauwelijks geluid zoals de uilen die hier af en toe de moed hadden over te vliegen. De schaduwen omringden haar, en zij bewoog er zo natuurlijk in voort als een vis in de zee. Ze naderde de rand van het struikgewas steeds dichter, en enkele stappen waren genoeg om haar aan de drempel van het kampement te zetten. Met haar linkerarm schoof ze zachtjes een laaghangende tak aan de kant, gaf haar ogen enkele momenten de tijd zich aan te passen aan het plotselinge licht, keek naar de plaats waar ze al de hele nacht naar aan het zoeken was…
Haar adem stokte in haar keel.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel V

di okt 10, 2017 12:27 pm

Niets had haar kunnen voorbereiden op de taferelen die ze voor zich zag. Het kampvuur brandde met hetzelfde licht, dat wel, en de omgeving was precies hetzelfde als dat het in haar visioen was geweest; maar de rest was zo ongeveer zo ver verwijderd van haar verwachtingen als maar zijn kon. In plaats van slechts een halve cirkel van negen mysterieuze personen om het vuur verzameld, aan elk van hun voeten een gevangen genomen jonge vrouw, was het kamp één grote rotzooi. Er stond ruwweg een dozijn haastig in elkaar geflanste tenten die heel wat te verduren hadden gekregen van de wind, op sommige plekken gesneden en gescheurd door de stormen die soms over het woud heen trokken. En de bewoners van het kamp… Ze hadden niets weg van de onbekende figuren die ze in haar visioen had gezien. Nee. Dit waren bandieten, doodgewone struikrovers die je op zo veel plaatsen in de wereld langs grote wegen tegen kon komen.
Gekleed in oude vodden en dierenhuiden zaten ze om het kampvuur of liepen ze rond tussen de tenten. Vijf van hen hadden zich verzameld rondom het vuur en staarden zwijgend naar de dans van de vlammen, af en toe vanuit hun ooghoek kijkend naar elkaar alsof ze oude vijanden waren die in de gaten gehouden moesten worden. In het midden was een man gezeten, zijn haren lang en warrig en zijn gezicht onlangs nog zorgvuldig gladgeschoren. Twee mannen zaten links van hem, beiden met een ontbloot bovenlijf, de een kaal en met een gulden versiersel door een van zijn oren, de ander trots naar de anderen kijkend met een vreemde glinstering in zijn ogen. Eén van de vrouwen rechts van hem had korte zwarte haren en de kenmerkende oren van een Elf; de ander droeg een leren uitdossing die een aanzienlijk deel van haar borsten ontbloot liet. Op een schaduwrijke plek onder de beschutting van een laag hangende boom zaten een man en een vrouw op een rots- de man haast onherkenbaar door de grijze kap over zijn hoofd, de vrouw lijkbleek en zwervend in tijden lang vervlogen- zachtjes met elkaar te fluisteren.
Tara kon het nauwelijks geloven. Iedereen hier was een doodgewone woesteling. Het enige wat hen verraadde als dezelfde personen die ze in haar visioen had gezien, waren hun ogen en kleine aanwijzingen in de manier waarop ze zich kleedden.
Maar dat was niet het ergste wat een verbaasde en verschrikte Tara voor zich zag. Op verschillende, over het kampement verspreide plekken stonden kooien, ijzeren werktuigen en bronskleurige gereedschappen. Het waren geen meubels om op uit te rusten na een lange dag of messen om een stuk vlees mee te snijden. Nee. Dit waren martelwerktuigen, geschapen met als enig doel het folteren en ontmenselijken van onschuldige zielen die in de val gelopen waren. Er was bloed. Overal bloed en de dood. Afgescheurde lichaamsdelen lagen verspreid over de grond, sommige half opgegeten door wolven of andere beesten, en produceerden een stank waarvan zelfs Tara de neiging kreeg over te geven. Aan vlijmscherpe houten staken met hoekige uitsteeksels hingen de overblijfselen van mannen en vrouwen, de kleren van hun lijf gescheurd, hun naakte lichamen bedekt met bloed, doorstoken door de tanden van de dood en onherkenbaar verminkt door de wreedheid der mensen. Aan een lange tak waren drie jonge vrouwen- Tara wilde niet anders denken over hun leeftijd- aan strakke kettingen opgehangen, ontdaan van al hun kleren maar onlangs nog gewassen in het water van de nabije rivier. Eén van hen was gezegend met vurige rode haren die tot voorbij haar borsten rijkten en had haar ogen wijd opengesperd in een vreselijke woede; de andere twee leken iets jonger te zijn, droegen zwarte of bruine haren en hadden hun ogen vredig gesloten. Tara vermoedde dat de roodharige, die ze ongeveer op haar eigen leeftijd schatte, hier deze nacht nog was gekomen en haar verzet tegen de gruwelheden rond het vuur nog niet had opgegeven.
Toen Tara haar blik van de drie geketende meisjes onttrok, spotte ze een hoop opgestapelde lijken van de arme zielen die de pech hadden gehad naar deze plek gevoerd te worden. Sommige waren verschroeid en verbrand door de vlammen van het kampvuur, maar andere waren onaangetast en leken onlangs nog vermoord te zijn. Mannen, vrouwen… Kinderen… Dit kampement was een plaats waar de dood regeerde over het lot van de stervelingen, waar zijn bleke gezicht en zijn duistere zeis iedere dag over de wereld neerdaalden om nog meer zielen mee te voeren naar de vurige hallen aan het einde van de derde trap, de trap naar de schaduwen achter de wereld van mens en beest.
Tara kon het niet verdragen naar iets anders te kijken dan naar de struikrovers, die prima op hun gemak leken te zijn en op dit vreemde uur nog aan het genieten waren van vlees en drank.
‘Zeg, Sise,’ hoorde ze een vrouw met korte zwarte haren zeggen terwijl die haar houten beker in de lucht hield en de inhoud zorgvuldig observeerde. ‘Wat is dit voor een raar brouwseltje?’
‘Wijn,’ zei degene de Sise genoemd werd, de vrouw met de volle boezem en de blonde haren. ‘Wijn uit de befaamde gaarden van Thikarin. Geniet er maar van.’ Ze grijnsde. ‘Betere zal je niet snel vinden. Als ik ’t me goed herinner, werd het in het jaar 487- meer dan veertig jaar alweer!- ingeslagen door de Markies van-’
‘Verdoemenis,’ schold de vrouw met de Elfenoren en maakte een nonchalant gebaar om de andere tot stilte te manen. Voorzichtig nam ze nog één slok van de wijn, waarna ze een zuur gezicht trok, de inhoud van haar mond recht over de vrouw Sise uitspuwde en de houten beker op de grond gooide. ‘Geef mij maar rum.’ Ze stond enigszins onhandig op, sloeg haar mantel om zich heen en beende geërgerd weg. Tara volgde de raadselachtige vrouw totdat die de ingang naar een stoffen tent opendeed en verdween. ‘Volgende keer rum!’ klonk het nog vanuit de andere kant van het kamp.
Tara wendde haar blik weer af en liet, met de intentie de struikrovers nog een tijd in de gaten te houden alvorens te beginnen met de dans met de dood, haar ogen afdwalen naar het kampvuur. Toen kreeg ze echter een tafereel in het oog waarvan ze had gewenst dat ze het nooit had gezien.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk VI- deel VI

di okt 10, 2017 12:28 pm

Aan een half versplinterd rad hing een naakte vrouw, haar armen en benen vastgespijkerd aan het hout van het grote cirkelvormige geraamte. De vrouw had lange, golvende gouden haren en een met sproeten bedekt lichaam, en deed Tara enigszins denken aan een lid van de adel. Maar dat fraaie lichaam was smerig door al het vuil dat de struikrovers op haar hadden gegooid; en haar zeeblauwe ogen waren die van iemand die te veel gezien had, te veel gehoord had. Ze draaide haar hoofd met een hoorbare snik naar rechts. Uit een van de lichtkleurige tenten, versierd met bloedrood doek maar op verschillende plekken gescheurd en half uit de grond getrokken door de wind, kwamen twee mannen gelopen.
Een van hen droeg golvende zwarte lokken die bijna tot aan zijn schouders kwamen en werd omringd door een troep hongerig kijkende grijze wolven; de ander had een donkere, exotisch ogende huid en zwarte, krullende haren die niet normaal waren in deze gebieden. De getinte man droeg in zijn hand een kromgetrokken zwaard waarvan Tara had gedacht dat ze enkel gedragen werd door krijgers in gebieden als de Verboden Landen, het Land van de Negen Zonnen of de eindeloze zanden van Akanif. Maar hier werd het gedragen door een doodgewone bandiet, een struikrover die thans met een brede grijns op zijn gezicht het vlijmscherpe staal aan de blote keel van de jonge vrouw zette.
‘Tijd om wat staal te proeven, vrouw,’ grinnikte hij. De man ging dichterbij staan en liet de punt van het zwaard langzaam van haar keel naar beneden lopen, over de fraaie huid tussen het paar borsten, en hield uiteindelijk halt even boven haar navel. Kwaadaardig glimlachend en genietend van elk moment drukte hij de vlijmscherpe punt in de bleek weggetrokken huid van de vastgebonden vrouw, wat hem op een hartbrekende kreet van pijn dicht bij zijn oren kwam te staan. De jonge vrouw krijste de boel bij elkaar als een pasgeboren kind, wanhopige schreeuwen die als een zwaard door merg en been sneden en mijlen verderop in Kainere nog te horen moesten zijn. Tara kon niet veel meer doen dan toekijken terwijl de man steeds meer druk uitoefende en er zelfs een bebloede plek op de buik van de naakte vrouw verscheen.
‘Vervloekte sukkel,’ hoorde ze de man met de lange zwarte haren binnensmonds mompelen. ‘Ik dacht dat je hier verstand van had, Nergal!’
‘Dat heb ik ook, Dracas,’ kaatste de man met de exotische huid terug. Hij verslapte zijn greep op het gevest van het zwaard geenszins en bleef de punt dieper in de huid van de gevangene drukken. De vrouw snikte meerdere keren, biddend tot de goden en wanhopig proberend zichzelf te bevrijden van de verschrikking die voor haar stond.
‘Laat me gaan! Alsjeblieft, doe me geen pijn! Ik heb jullie niets misdaan!’ De man Nergal besteedde geen aandacht aan haar gejammer, en Dracas Kar rolde geïrriteerd met zijn vurige ogen.
‘Kom maar hier met dat ding,’ snauwde de man Dracas. Met een ruk pakte hij het kromzwaard uit de handen van zijn bondgenoot en woog het enkele momenten in zijn handen. Hij haalde zijn neus op. ‘Jij kunt er dus duidelijk niets van, Nergal. Laat het maar aan mij over.’ Een venijnige glimlach verscheen op zijn gezicht. Langzaam draaide hij zijn hoofd in de richting van de gevangene, die nog steeds aan het snikken was maar daarmee ophield toen ze de pech had de grijns op het gezicht van de man Dracas te moeten aanschouwen.
‘Vertel me eens,’ zei hij, ‘wat is je naam?’
‘C-C-Corenne, h-heer,’ wist ze met zichtbare moeite uit te brengen. ‘Mijn n-naam is Corenne, heer. Van het n-nederige Huis-’ Dracas Kar wuifde arrogant met zijn hand om haar tot stilte te manen. Hij naderde steeds dichter, hield daarbij zijn blik strak gericht op de zeeblauwe ogen van de trillende jonge vrouw, streek langzaam en met sierlijke bewegingen over de kling van het kromzwaard in zijn hand. Hij hield pas halt toen hij zo dichtbij haar stond als een man die zijn geliefde omhelsde, zo dichtbij zelfs dat hij haar borsten tegen zijn bovenlichaam voelde drukken. Met een iets te theatrale beweging liet hij het kromzwaard op de grond vallen, waar het doordringend kletterde en het hele kamp verbaasd op liet kijken van hun bezigheden; en hun blikken bleven gericht op het tafereel.
De man Dracas hief zijn hand en raakte de huid van Corenne aan, streelde over haar bleke naakte schouders, keel en wangen; maar hij liet zijn greep niet zakken naar de vrouwelijke kenmerken bij haar borst en onder haar rug en buik, zoals menigeen dat wel gedaan zou hebben als hij de kans zou hebben. Hij staarde enkel, staarde met zijn kwaadaardige ogen in die van Corenne, en glimlachte een glimlach die ieder angst aanjoeg.
Angst. Tara voelde de angst van de gevangene even duidelijk als dat ze de doorns in het struikgewas pijnlijk in haar zij voelde steken. In sommige, zeer zeldzame situaties konden sterke emoties zoals angst voelbaar worden in de lucht, de aarde en de rest van de omgeving; af en toe konden ze zelfs vorm aannemen, afhankelijk van welk soort emotie het was. Dit proces, bekend als lilmaril, werd al eeuwenlang onderzocht door wetenschappers van over de hele wereld, en Tara kende enkele professoren aan de Drie Academies die veel voor haar gedaan zouden hebben om hier nu te zijn. Alhoewel…
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”