Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk III- deel III

di okt 10, 2017 12:05 pm

‘Wat gebeurde er met haar?’
‘De volgende dag werd ze wakker. Ze vertelde dat ze, die ene nacht, het woud in gesleurd werden door vormloze schaduwen. Bij een groot kampvuur werden ze gevangen gezet, en elke nacht werden ze in de gloed van het vuur gemarteld en verkracht door negen… personen.’
‘Negen personen?’ herhaalde Tara, haar wenkbrauwen vertrokken tot een lichte frons. In veel landen was negen het getal van de duisternis, van het onheil. Het getal van de dood. Het keerde telkens terug in klassieke volksverhalen zoals opgeschreven in de Canata Mus ten tijde van het Qazaanse Imperium, en hield altijd een bepaalde verwantschap met het kwaad. Schaduwen in een duister bos. Vormloze en onzichtbare monsters die ongezien legers verslonden. Negen personen die negen jonge maagden het bos in sleurden. De sluier van mysteries werd lichtjes opgeheven, maar onthulde slechts een duister gebied van onbekende dingen. ‘Wat zei ze over hen?’ vroeg Tara uiteindelijk. Jassil haalde zijn schouders op en maakte een gebaar met zijn hand.
‘Ik weet het niet, vrouwe. Ik was er niet bij toen ze haar verhaal deed. Ik heb wel geruchten opgevangen. Ze schijnt gezegd te hebben dat er drie vrouwen bij waren. Een van hen was naakt behalve wat armbanden en sieraden, een ander droeg een gewaad van pure schaduw donkerder dan de nacht. Eens even zien…’ Jassil dacht diep na, probeerde de met pijn gevulde herinneringen weer naar boven te halen. ‘Er was een man bij met ogen die brandden met woede, en een die gekleed was als een edelman, en een die eruit zag als een dief… Ze sprak over allen van de negen, dat deed ze, behalve over hun leider. Toen ze haar ernaar vroegen, werden haar ogen groot en sprak ze geen enkel woord totdat het uur voorbij was. En toen…’
‘En toen?’ vroeg Tara toen de kapitein stilviel.
‘En toen stierf ze. De mensen van het dorp hadden haar nog kunnen genezen. Maar ze had teveel gezien, te veel gehoord. Sommige dingen vervagen nooit uit de gedachten van de mens, vrouwe, en de pijn en het lijden bleven bij haar. Ze stierf van een gebrek aan levenslust, zeggen ze. Haar ziel vloog weg naar de, eh, de Taalan Vitas. Ze is nu in de armen van Glarric, ’k weet het zeker.’ Hij toonde kort een verdrietige glimlach alvorens te vervolgen: ‘Daarna werd het alleen maar erger, vrouwe. De leider van de verkenners stuurde meteen een volle honderd man om de vriendinnen van Leruan te vinden.’
‘Die hebben het niet overleefd, schat ik,’ mompelde Tara.
‘Ook zij werden inderdaad opgeslokt door de duisternis van het woud. Inmiddels had het bericht van de dood van haar dochter de gouverneur in Santhagar bereikt- Leruans vader dus. Hij was furieus, kunt u zich voorstellen. Riep meteen de hulp van de koning in.’ Een lichte bries waaide door een klein kiertje in het raam, waardoor de enkele kaars in het vertrek gedoofd werd. Tara liet het vuur weer dansen met een simpele beweging van haar hand, waar Jassil helemaal geen aandacht aan leek te besteden. ‘Het hof in Aldeniva was in rep en roer. De koning greep de kans met beide handen aan, want hij stond de laatste tijd niet in een geheel positief licht in de noordelijke delen van zijn, eh, rijk. Zijn legers marcheerden naar Kainere, geleid door niemand minder dan hijzelf. Ze arriveerden enkele dagen geleden. Het grasveld is veranderd in een slagveld. Nee, een slachtveld. Het is een voortdurende strijd tussen het leger en de onzichtbare monsters, die de bosgrens maar niet op willen geven. De manschappen trekken zich in golven terug naar hun kamp als ze daar het bevel toe krijgen. Maar het zal niet lang meer duren voordat ze allemaal uitgeroeid zijn,’ voegde hij er op duistere toon aan toe. ‘De koning sneuvelde deze nacht nog. Verpletterd door zijn eigen paard toen er een pijlenregen over hen neerdaalde. Het is een… netelige situatie.’ Zijn stem vervaagde. Toen hij uitgepraat was viel er een stilte, een stilte die doorbroken werd toen Tara plotseling en zonder waarschuwing overeind kwam.
‘Ik weet genoeg,’ zei ze. Ze had voldoende informatie gekregen van kapitein Bredon Jassil om te weten wat haar te wachten stond als ze dit probleem op wilde lossen. Schaduwen en donkere wolken hingen boven het pad dat zij ging bewandelen op deze koude nacht.
De gepantserde bevelhebber knipperde met zijn ogen.
‘Maar… vrouwe?’ stotterde hij. ‘Waar gaat u naartoe?’ Tara draaide zich om.
‘Wat denk je nou zelf?’
‘Naar het… woud?’
‘Dank de goden, je bent niet zo dom als ik dacht,’ riep Tara uit terwijl ze een wild gebaar met haar armen maakte.
‘Maar het is daar gevaarlijk, mijn vrouwe. De schaduw die daar huist heeft al de helft van het leger gedood. En de negen…’
‘Ik weet het. Daarom zal je het aan mij overlaten. Ik weet over het algemeen wat ik doe.’ Jassil worstelde om de juiste woorden te vinden, maar er kwam niets uit zijn mond dan onverstaanbaar gemompel. Tara draaide zich om en daalde de wentelende stenen trap af met de sierlijkheid van een engel en de vastberadenheid van een steen. Met één hand op de ijzeren knop van haar zwaard stapte ze de koude nacht in. De stilte was teruggekeerd in Kainere.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV

di okt 10, 2017 12:09 pm

De stilte was teruggekeerd in Kainere.
Toen Tara door de opening in de versplinterde houten deur stapte, viel het haar eerder op dan al het andere dat veranderd was. De wind was grotendeels gaan liggen, en het ijzingwekkende geluid van honderden stervende mannen en vrouwen reed niet langer door de slingerende straten van het afgelegen dorp. Er was geen vage gloed meer, geen uitzinnige lach van onbekende dingen, geen ijzig gefluister dat haar naar de wouden had leken te roepen. Simpel gezegd, het was stil. Tara werd altijd omringd door een vreemde soort stilte, een soort die de meeste domme mannen niet wisten te herkennen en die de meeste wijze mannen vreesden. Nu werd haar hele omgeving gevuld met de meer bekende soort stilte, de soort die iedereen kent en pas zijn intrede doet als er geen of bijna geen geluid aanwezig was. Zelfs de vogels in de boomtoppen zongen niet langer het lied dat ze altijd zongen, het lied waarmee zij dansende boerenmeisjes en hoffelijke edelmannen over de hele wereld verblijdden. Dit soort stilte was niet normaal, wist Tara. De indringende afwezigheid van geluid was onnatuurlijk en deed zelfs haar sidderen. Maar dat mocht ze niet. Ze mocht niet afwijken van het pad. Gevaarlijke dingen lagen buiten de grenzen van de Weg. Dat wist ze als geen ander.
Ze haastte zich door de nachtelijke straten van Kainere, badend in het bleke licht van de niet langer grijnzende maan. Het vinden van de weg was geen moeilijke taak, aangezien het dorp zo klein was dat je er met een beetje hulp van de wind een goede steen overheen zou kunnen werpen en hem even verderop in de bossen weer op zou kunnen pakken. Tara had meer ervaring met slingerende paden- en het vinden ervan- dan zelfs de meest geoefende verkenners, dus wist ze de laatste huizen van Kainere even later al achter zich te laten.
De grote weg die ze even buiten het dorp over moest steken was een van de belangrijkste van heel het koninkrijk Tintra. Het was een directe weg van de hoofdstad Aldeniva naar verschillende belangrijke steden als Santhagar, waar gouverneur Bazhiran van de provincie Atyr zetelde; maar ondanks dat belang voor de staat was de weg niet veel meer dan een slingerende verzameling ongelijke stenen. Om de ruwweg vierhonderd passen stond een lichtjes brandende lantaarnpaal, waardoor de omgeving rond de weg niet veel beter te zien was dan die erbuiten. In een poging de reizigers te beschermen tegen wilde beesten en even wilde struikrovers had men het omgeven door een haastig in elkaar geflanst houten hek, dat eruitzag alsof het bij de minste geringste windstoot omgeblazen kon worden. En inderdaad, toen Tara er een kracht op zette die zelfs een kind van twee nog had kunnen zetten, stortte het hek in elkaar en kon ze er zonder veel moeite overheen klimmen. Ze keek om zich heen, meer uit gewoonte dan uit voorzorg, turend in de duisternis van de nacht om te zien of er mensen op de weg waren. Maar natuurlijk waren er geen mensen op de weg. Ze was tenslotte in de meest afgelegen hoek van het koninkrijk, aan het einde van de wereld zoals velen die kenden.
Even na het oversteken van de weg kwam Tara aan in een heuvelachtig gebied. Normale mensen hadden dit gegeven niet kunnen onderscheiden als ze de golvende heuvels niet onder hun voeten hadden gevoeld, maar Tara had betere ogen dan Glarric en zag net zo goed in de duisternis als in het zonlicht.
De heuvels voor haar verschilden nauwelijks van het soort landschap zoals er duizenden waren in dit deel van de wereld. Het werd bedekt met een laag gras dat ongeveer zo groen was als maar kon, op sommige plekken onderbroken door een verdwaald bosje struiken of een verzameling bomen. In één ding was het echter wel anders. Het was de aanwezigheid van het donkere bos dat in de verte oprees en zachtjes leek te fluisteren in de oren van allen die er in de buurt van waren. Het was de indringende afwezigheid van geluid die de meeste mensen kenden als de stilte. Het was het weergalmen van de kreten van de gemartelden, ook al waren die kreten in werkelijkheid allang vervaagd bij de terugtocht van het ernstig verminderde koninklijke leger. Angstaanjagend en onnatuurlijk als dit alles was, Tara zette door. Ze was niet iemand die terug in een veilig holletje kroop wanneer de nood hoog was en de aarde schudde op haar grondvesten. Met één hand afwezig om het gevest van Valarite liep ze door de duisternis van de nacht, richting de plek waar naamloze dingen haar opwachtten.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op di okt 10, 2017 12:36 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV- deel II

di okt 10, 2017 12:10 pm

Haar tocht door het ruige gebied werd afgesloten door het beklimmen van een heuvel die net iets hoger was dan de rest. Hoewel ze inmiddels ver gelopen had en haar slaap kort en gevuld met nachtmerries was geweest, hoefde Tara niet één keer halt te houden om op adem te komen. Niet één keer hijgde zij of dacht ze na over terugkeren naar de veiligheid van Kainere. Ze mocht niet omkeren. Niet nu. Niet meer.
Toen ze aan de top van de heuvel stond, strekten de vlaktes zich voor haar uit als een schilderij in de zuilengangen van het Calanthe van weleer. De deken van gras had de bonte kleuren van een levendig bos in de eerste dagen van de herfst, en werd aan vele kanten omringd door een op sommige plekken opgebroken bos. Maar dit waren geen normale vlaktes, o nee. De grond was bezaaid met bergen en bergen zich op elkaar gestapelde lijken, het lichaam verminkt en de kleren gescheurd. Er lag er een bij met een gapende wond die dwars door zijn ontblote borstkas liep als een bloederige kloof. Een andere lag op zijn buik, zijn naakte lichaam onherkenbaar verwond, zijn nietsziende ogen eeuwig starend naar de met bloed doordrenkte grond. De stank van rottende lichamen en verbrande haren vulde de lucht en begon zich te verspreiden over de landen naar het westen, meegedragen door de opnieuw aanwakkerende wind. Spoedig zouden de geuren en de weergalmende kreten van de doden het gebied in en rond Santhagar bereiken, schatte Tara in.
Met één hand rond het gevest van haar zwaard baande ze zich een weg door het veld. Ze werd gedwongen haar stappen zorgvuldig uit te denken. Als ze met haar leren laarzen in een van de doden zou stappen, zou ze binnen enkele momenten wegzinken in ingewanden en andere smerige substanties. En ze wist hoe vervelend dat was.
Terwijl ze de vlaktes overstak keek ze meerdere keren goed in het rond, half en half verwachtend een overlevende te zien. Maar nee, er waren geen overlevenden. Iedereen hier was zo dood als een wezen maar zijn kon. Toen ze in de ogen keek van enkelen die de strijd niet hadden gehaald en zag ze dat ze niet enkel dood waren. Hun ziel was hen ontnomen, opgezogen en verteerd door de schaduwen uit het nabijgelegen woud. Tara huiverde. Ze wist dat haar dit ook zou overkomen als ze onvoorzichtig was en niet handelde volgens de Weg der Koningen.
In de verte, naar het westen toe, verlichtte het vage licht van tientallen toortsen een klein stuk van de hemel. In een kom tussen twee heuvels stond daar het legerkamp, bedacht Tara zich. Ze keerde haar rug echter al snel naar die plek toe. Het zou waanzin zijn om de overlevenden een bezoek te brengen. Het hele kamp was nu ongetwijfeld in rep en roer door de dood van hun koning. De laaggeplaatste soldaten- voor een groot deel jonge, stevig ontgoochelde jongemannen zoals Seban- liepen chaotisch en paniekerig tussen de tenten door zoals draaikolken de zeeën der wereld teisteren op een stormachtige nacht zonder maan, en de overgebleven bevelhebbers bogen zich met bezwete voorhoofden over verscheurde kaarten in een poging de missie nog enigszins te redden. Wat had het voor zin om het vage toortslicht te volgen? Ze zou er niets mee bereiken. Ze had het verhaal gehoord. Daarbij, ze zouden toch niets doen met de raad van een iemand die nog geen nacht in dit dorp was, laat staan van een jonge vrouw zoals zij. Nee. Met een blik als steen en een hand op het koude staal van haar hongerende zwaard zette ze door, haar diepzwarte mantel zachtjes scherend over de grassprietjes en de lichamen van de doden.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV- deel III

di okt 10, 2017 12:14 pm

Schaduw. Er was alleen maar schaduw in de duisternis van deze ijzige nacht. Nu was dit meestal het geval na zonsondergang, maar deze nacht was het… anders. Tara kon het niet helemaal plaatsen. De schaduwen waren dieper dan normaal. Een gewoon oog zou het niet opgevallen zijn, maar iedereen met een beetje verstand kon voelen dat er iets veranderd was. Tara kon het ruiken in de koude lucht, voelen aan de krakende grassprieten onder haar laarzen, zien aan alles dat haar omringde. Het in Kainere inmiddels zeer beruchte woud tekende zich scherp af tegen de hemel, ondanks het feit dat de sterren slechts een zwak licht wierpen. De duisternis in dat woud was intenser dan zelfs de donkerste hemel in een nacht zonder maan en zonder sterren, voelde degene die als een engel van de dood het slachtveld doorkruiste op dit vreemde uur.
Tara hield haar blik vast op de bosgrens gericht. Tussen de torenende naaldbommen en doornstruiken staarden schaduwen haar aan, namen vanuit hun thuis alle stappen die deze indringer zette zorgvuldig in zich op, wachtend op het juiste moment om hun klauwen te laten zien en geruisloos toe te slaan. Maar Tara zag de talloze paren in duisternis gehulde ogen, en zij verwachtte hen. Ze verwelkomde de strijd. Ze vreesde geen pijn, geen bloed, geen dood. Tara was inmiddels de grens van het lijkenveld overgestoken, en terwijl ze dichter en dichter de plek naderde die de bron van al dit onheil leek te zijn, hield ze beide handen stevig op het gevest van Valarite. Ze glimlachte. Ze was er klaar voor. Ze was voorbereid. Ze was-
Ze was niet voorbereid toen er een vreemd sissend geluid achter haar klonk. Ze fronste lichtjes en maakte een beweging om over haar schouder te kijken en tegelijkertijd haar zwaard uit de schede te trekken. Te laat. Achter haar had de duisternis vorm aangenomen, en voordat ze kon knipperen werd ze vol op haar borst geraakt. Het was als honderd reuzen uit de verhalen in de Canata Mus die haar zwakke lichaam in een flits bewerkten met honderd mokers, zoals de Dwergen hun befaamde wapens bewerkten in hun vurige smidsen van weleer. De klap deed haar bijna tien stappen door de lucht vliegen. Met het geluid van kletterend staal en brekende ribben kwam Tara terecht op de prikkende grassprieten van een kleine heuvel. Daar bleef ze liggen. De plotselinge klap had haar lichaam nutteloos en levenloos gemaakt, en ze kon geen kant op. Pijn zoals ze die nog nooit in haar leven had gevoeld schoot door haar heen; en het voelde als zwaarden doordrongen van de kracht van het ijs die haar van alle kanten doorstaken. Ze probeerde wanhopig te ontsnappen uit de onzichtbare gevangenis die haar omringde, maar kon niet veel anders doen dan afwachten.
De schaduw naderde. Het was alsof de Eeuwige Duisternis vorm aan had genomen en over de wereld was neergedaald om de koninkrijken van de stervelingen wederom in zijn mantel van de nacht te hullen. De schaduw had de vorm van een man, zeker twee koppen groter dan de jonge vrouw die nu levenloos op het gras lag. Zowel zijn lichaam als het spookachtige zwaard dat hij in zijn handen droeg brandde met een vuur van pure zwartheid, een zwartheid duisterder dan een maanloze nacht. Hij leek even levend als een jongen in zijn hoogtijd, maar tegelijkertijd leek hij doder dan alle honderden lijken op het slachtveld. Er waren geen haren op zijn hoofd of vingers aan zijn hand, maar zijn twee ogen waren zoals twee bleke manen die grijnzend met een duivels genoegen en honend en vervuld van oneindig zelfvertrouwen neerkeken op het machteloze meisje.
Tara vreesde. Voor het eerst in een lange tijd vreesde ze werkelijk. Dit was geen gewone angst die volgt uit logisch nadenken over een netelige situatie. Nee. Dit was een angst die uit het diepste van haar hart naar boven kwam borrelen en haar over haar hele lichaam had doen trillen als ze dat had gekund. Er is een groot verschil tussen vrees van het verstand en vrees van het hart, en op deze koude nacht vreesde ze met heel haar hart. Ze wist zeker dat ze morsdood zou zijn als dat zwaard ook maar een haar van haar hoofd krenkte.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV- deel IV

di okt 10, 2017 12:15 pm

De schaduw naderde dichter en dichter, en Tara zat nog steeds gevangen achter onzichtbare tralies die haar deden rillen over heel haar lijf. Tijdens haar korte vlucht door de lucht had was haar o zo geliefde zwaard in het natte gras naast haar gevallen. Ze kon het vanuit haar ooghoek zien liggen, glinsterend in het maanlicht, hongerend naar bloed. Maar bloed was niet wat het vandaag zou krijgen, zo leek het. Tara sloot haar ogen, dompelde zich onder in de donkere maar verrukkelijke dieptes van de Karna en zette een enorme kracht op haar arm. Ze wist haar hand een klein stuk richting het gevest van Valarite te bewegen. Maar het zou nooit genoeg zijn. De schaduwkrijger naderde, zijn bleke ogen vervuld van kwaadaardigheid in de puurste vorm; en hoewel hij geen mond had, leek hij te grijnzen in de nacht. Hij schreed langzaam voort, zoals de engelen van de dood dat ook doen wanneer zij de zielen komen opeisen van zij die de weg naar de Poortwachters moeten bewandelen.
De schaduw hief zijn duister brandende zwaard met twee handen hoog de lucht in, waar het zich scherp aftekende tegen de nachtelijke hemelen. Het zweet brak Tara uit. De vijand was aangekomen aan de voet van de heuvel. Op z’n best was hij negen stappen van haar verwijderd, en zij schoof geen duimbreed op.
Plotseling stond hij voor haar, boven haar, zijn vormloze benen aan beide kanten van haar heupen. Terwijl de schaduw één laatste blik op zijn slachtoffer wierp hoorde Tara een sissend geluid dat door merg en been ging.
Maar daar maakte hij een fout. Tara werd zonder waarschuwing, zoals dat altijd zonder waarschuwing ging, vervuld van een gevoel dat ze kende van de dagen van weleer. Van de dagen dat zij met haar vrienden- die zij toen nog in overvloed had- in de verraderlijke bossen nabij Eclozar jacht maakte op wezens die recht uit een legende gestapt leken te zijn. Ze hoorde de stem van Roshar, de stem van Malli, de stemmen van Logan en van Jiar en van Khev, de stemmen van allen die zij gekend had en verloren had; en zij spraken haar toe en zeiden haar bemoedigende woorden. Ze sloot weer haar ogen. Ze dacht aan alle dingen die ze geleerd had in de zuilengangen van Gaelon, de wouden van Eclozar, de bergen van Stormrots en de heerlijke, verraderlijke duisternis van de Grot van Dromen.
En zo brak Tara vrij uit haar onzichtbare gevangenis. Met een ruk rolde ze naar rechts, waardoor het schimmenzwaard van haar vijand op een duimbreed afstand langs haar heen scheerde en in de grond bleef steken, waar het aarde en gras verschroeide. Tara pakte Valarite, sprong op met een lenige beweging en rende op de schaduw af.
Die wist zijn eigen wapen echter op tijd los te rukken en de slag te pareren met verrassende elegantie. Tara hamerde op hem in met slagen sneller dan een bliksemschicht. Ze handelde volgens de Karna, de eeuwenoude vechtstijl waarvan zij dochter was. Iedere stap die ze zette, iedere slag die ze liet neerkomen op het schaduwzwaard, was volmaakt. Geen enkele keer maakte zij overbodige bewegingen of onhandige misstappen zoals een gewone krijger zou doen. Ze bewoog snel maar langzaam, soepel maar krachtig, elegant maar overweldigend als een bliksemschicht bij heldere hemel. Het ijzingwekkende geluid van staal op staal vulde de lucht, en Tara voelde honderden paren ogen vanuit het legerkamp verbaasd naar het vuur en de duisternis in de verte staren.
Ondanks de vreemde afwezigheid van een gezicht leek de schaduw uit het veld geslagen door de vechtstijl van zijn vijand, van wie hij zojuist nog had gedacht dat ze maar een hulpeloos meisje was. Een van de velen die al waren gevallen aan zijn vlijmscherpe zwaard, dat al het levende doodde dat het aanraakte. Maar Tara was anders. Dat was gebleken. De schaduw werd gedwongen meer en meer grond op te geven, terwijl Tara sneller en sneller ging zwaaien met haar zwaard in een vloedgolf van woedende concentratie.
Uiteindelijk vond ze een opening, die ze onmiddellijk benutte. Haar vijand had zijn waakzaamheid laten verslappen. Het was maar één enkel moment, dat in een flits weer voorbij had moeten zijn; maar Tara greep de kans met beide handen aan. Ze zwaaide Valarite rond en scheidde met één soepele en perfecte beweging het duistere hoofd van de brede romp. Als kers op de toch al prachtige taart stak ze de punt van haar zwaard door de plaats waar het hart zou hebben moeten zijn. Een moment staarde ze naar de eindeloze zwartheid van de levende dood die voor haar stond. Toen schopte ze het zwakke lichaam met een lenige beweging van haar krachtige been van zich weg. Terwijl de schaduw ineen zakte en met een dof geluid op de natte grassprieten terecht kwam, draaide Tara zich weg van het tafereel.
Ze kon opgelucht ademhalen. Ze had het gevecht zonder al te veel moeite weten te winnen. Het had niet veel gescheeld of ze was zo dood geweest als de honderden lijken die op de velden achter haar verspreid lagen, daar was ze zich ten volste van bewust. Ze veegde het zweet van haar gezicht en begon richting de schaduwen van het gevreesde woud te lopen. Ze zou hier een einde aan maken. Dit gevecht had haar enkel krachtiger gemaakt. Ze-
Het vreemde, sissende geluid deed haar rillen.
Onmiddellijk draaide ze zich om, haar zwaard beschermend voor zich uit om een aanval af te kunnen slaan; maar er kwam geen aanval. Tara keek verafschuwd toe hoe haar vijand, die inmiddels goed op weg zou moeten zijn naar de poorten van de verdoemenis, opstond en alsof het niets was zijn eigen hoofd oppakte en het terug plaatste op zijn nek. De duistere vlammen van het schimmenzwaard waren juist gedoofd, maar werden nu weer ontstoken in een verschrikkelijke glorie. Tara pakte, bevangen door woede en met een welbekende adrenaline pompend door haar aderen, het gevest van Valarite stevig beet en rende op haar vijand af. Maar dit keer was deze sterker, hoewel het even duurde voordat ze dat inzag. Ze zwaaide haar zwaard rond en rond en vloog door de lucht met behendigheid waar de huurmoordenaars van de Kurutas nog van hadden kunnen dromen. Meerdere keren wist ze een opening te vinden in de verdediging van de schaduwkrijger en hem een klap te geven van de vlijmscherpe kling, maar het staal van Valarite ging recht door hem heen en haalde niets uit. Wat ze ook probeerde, hoe perfect haar bewegingen en uithalen ook waren, haar tegenstander week geen duimbreed en bleef al haar slagen pareren met haast griezelig gemak.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV- deel V

di okt 10, 2017 12:17 pm

Uiteindelijk zag Tara in dat het geen zin had. Ze staakte de aanval en rolde naar achteren, waar ze haar gelaarsde voeten stevig op de grond zette en ze haar ogen sloot. Ze haalde diep adem, luisterend naar de muziek van de stilte en de fluisteringen van de zachte bries. De frisse lucht reisde door haar lichaam, vulde haar longen en vervulde haar van een gevoel van leven.
Toen sprak ze een woord. Een woord van kracht. Het was maar één woord, drie simpele lettergrepen die een peuter nog had kunnen zeggen; maar alle kracht van het licht lag in de dieptes van dat woord verscholen, een kracht die enkel bevrijd kon worden door iemand die handelde volgens de Karna. Het vergde concentratie en volmaakte beheersing van de Karna om een woord van kracht zoals deze in zijn volle glorie uit te kunnen spreken. Toen de gezegende klanken haar mond verlieten, voelde Tara een warm gevoel door heel haar lijf reizen. Haar zwaard Valarite begon in haar handen te gloeien. Even later veranderde het koude staal in puur wit, en werden op het gevest vlammen ontstoken die brandden met een heilig vuur. Haar enige vriend glinsterde met een reinigend en genadig licht, dat zelfs vele steenworpen verderop gezien werd door tientallen soldaten die verbaasd en met opengevallen monden de duisternis van de nacht in tuurden.
Tara opende eindelijk haar ogen. Tot haar schrik zag ze dat ze omringd werd door de vreemde gloed die je normaal gesproken alleen zag op afbeeldingen van Glarrics engelen. Ze moest zich inhouden om haar mond niet open te laten vallen en te knipperen met haar ogen. Ze had vaker een woord van kracht gesproken tijdens haar tijd in de wouden van Eclozar en de bevroren eilanden rond Stormrots, maar zonder de leiding van Roshar was ze de meest ervan simpelweg vergeten. Om weer een van die woorden te spreken, om weer die opwindende warmte te ervaren en de schoonheid van zelfs de meest duistere dingen te zien, was een genot zoals ze al in een lange tijd niet meer had mee mogen maken.
Tara verhardde zich. Dit was geen tijd om te treuzelen. Haar vijand wachtte. De dans met de dood was nog niet aan z’n einde gekomen. Ze haalde diep adem, zette zich schrap en stormde in duizelingwekkende vaart op haar tegenstander af.
‘Valarite!’ Haar strijdkreet. Het kwam uit de donkerste diepten van haar hart en joeg de schaduwkrijger zichtbaar angst aan. Hoewel het woord op zichzelf niet heel bijzonder was, beschouwde zij het als een woord van kracht. Haar eigen, persoonlijke woord van kracht, dat haar door alle moeilijkheden kon voeren die de genadeloze wereld op haar afstuurde.
De schaduw was niet voorbereid toen ze over hem neerdaalde, zoals zij niet voorbereid was geweest toen hij hetzelfde bij haar had gedaan. Tara bewoog sneller dan dat een sterfelijk oog zou kunnen volgen, en ging weldra op in een storm van licht. Het heilige vuur van haar flitsende zwaard verblindde en verschroeide haar vijand, die zich al snel in een nogal benarde positie bevond. Uit angst voor de plotselinge kracht waar hij tegenover stond raakte hij in paniek, en in zijn paniek verslapten zijn verdedigingen. Het brandende zwaard in Tara’s handen schoot door de lucht en sneed voor de tweede keer het hoofd eraf. Deze keer voelde zijn vlees meer als de nek van een mens.
Ze genoot van de lichte tegenstand die ze ondervond toen ze de keel doorsneed en grinnikte zuinigjes. Deze strijd had ze gewonnen. Maar ze wist dat er nog vele gevechten voor haar lagen, dus bleef ze op haar hoede en juichte ze niet te vroeg. Ze was geen dwaas die dacht dat ze onverslaanbaar was als ze ook maar één slag had gewonnen.
Tara wendde haar blik naar het slachtveld, waar nog immer al die honderden lichamen lagen, hun ogen leeg en hun zielen vervlogen. In die zee van dood viel een druppel, en die druppel werd een trilling, en die trilling werd een machtige golf; en een storm bereikte de zee in een vreselijke woede. Overal om haar heen verschenen uit de duisternis van deze koude nacht de schaduwen; en allen namen zij een verschillende vorm aan. Zij waren de belichaming van de naamloze vrees die in het woud achter hen schuilde en de slag nauwlettend in de gaten hield. Sommige van de zich langzaam vormende creaturen leken vaag op mensen, hun geestenlichamen omhuld door iets dat leek op bepantsering, een dodelijk schimmenzwaard rustend in hun handen. Andere hadden meer weg van wilde beesten zoals ze die maar al te goed kende, zwervend over de eindeloze vlaktes van de Verboden Landen of opgesloten in de keizerlijke arena’s van Tevaria. Tara wist dat zij stuk voor stuk niet onderdeden voor de tegenstander die ze zojuist had verslagen. Maar ze was niet bang. De kracht die haar lichaam had gevuld, had alle vrees van het hart tijdelijk opgeslokt. Ze voelde zich machtig, machtiger dan dat ze zich ooit had gevoeld. Zelfs machtiger dan de eerste keer dat ze Valarite vasthield en over het lot van een dwaas mocht beslissen. Ze klemde haar handen stevig om de gevesten van haar glinsterende zwaard en gaf zich over aan het gevecht.
Tara zou bijna kunnen zeggen dat het te makkelijk was. Ze vloog in een storm van heilig vuur op haar vijanden af en liet daarbij een spoor van verblindend licht op de natte grond. Toen ze neerkwam, merkte ze dat een tweede zwaard, in alle opzichten behalve één identiek aan Valarite, in haar linkerhand was verschenen. In een draaikolk van vuur zwaaide ze haar twee zwaarden met sierlijke bewegingen in het rond. Af en toe voelde ze een kling de hare tegenhouden, maar dat waren slechts kleine tegenslagen. Tara voelde weinig meer. Bijna alle bewustzijn verliet haar. Ze werd een slaaf, een perfect werkende machine in werking gesteld door de klanken die aan háár mond ontsnapt waren. Haar zwaarden sneden met akelig gemak door de schaduwen heen, en zij vielen stuk voor stuk aan haar voeten als slappe doeken. Ze voelde vaag een puur witte speer in haar handen verschijnen en haar handen weer verlaten toen ze het met een golvende beweging naar de vijand gooide. Even later merkte ze dat golven van magie- die zij de wereld in gebracht had met kennis die nog steeds in haar verstand lag opgeslagen- de linies van de vijand doorkliefden. IJzingwekkende kreten vulden de lucht, reden op de winden van tijd en lieten zelfs de angstige dorpelingen in Kainere rillen; maar Tara besteedde er geen aandacht aan. Zij ging op in het gevecht, ging op in de storm, en zag niets meer dan het licht van gerechtigheid dat sierlijk danste met de dood, gestuurd door de muziek van de stilte.
Maar de dans kon niet eeuwig duren. Aan alles komt een einde. Langzaam maar zeker kwam Tara weer bij bewustzijn. Ze voelde de hemelse kracht en de haast barbaarse adrenaline haar lichaam verlaten en opgaan in de koude lucht. Haar zicht begon weer terug te keren, en ze zag de schaduwrijke wereld om haar heen.
Het kenmerkende geluid van het loslaten van een pees. Even later schoot een pijl door de lucht en trof deze Tara even boven haar rechterborst. Ze werd achterover geworpen door de kracht van het schot, en maakte een lange kloof in de grond terwijl ze houvast wanhopig worstelde houvast te vinden op het gras.
Ergens in de buurt van de bosrand kwam ze onhandig tot stilstand. Ze negeerde de pijn en incasseerde de netelige situatie. De schaduwen. Ze waren overal. Ze bleven maar komen. Haar zwaarden hadden velen van hen verslagen en recht naar de eeuwige gevangenissen van Immorta gestuurd, maar hun leger leek wel eindeloos te zijn en bleef toestromen. Met elke golf die over het met bloed doordrenkte slachtveld neerdaalde, werden de aanvallers sterker.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk IV- deel VI

di okt 10, 2017 12:17 pm

Tara zag in dat het nutteloos was. Haar kracht was vervlogen, haar lichaam was zwak en trillend van de inspanning. Geheel buiten adem voelde ze het zwaard in haar linkerhand verdwijnen en het staal van Valarite weer koud worden zoals het altijd was.
Ze keek naar het slagveld voor haar. Ze had niet veel tijd meer. De schaduwen stormden in een angstaanjagende woede op haar af, hun schimmige klauwen en brandende zwaarden op haar keel gericht om haar van het leven te beroven; en zij lachten. Ja, ze lachten. Tara hoorde het aan het ijzige geluid dat door de lucht schoot, zag het aan hun holle ogen die bleek waren als de maan.
Plotseling kreeg ze een opwelling, een vlaag van kracht, en ze benutte die vlaag om met moeite overeind te krabbelen. Ze wierp een blik op de vlaktes, waar de schaduwen steeds verder naderden en haar weldra zouden verslinden als ze niet handelde. Ze wierp een blik op de duistere wouden achter haar, waar een naamloze vrees schuilde die haar in de gaten hield deze nacht.
De vlaktes.
De wouden.
De vlaktes.
De wouden.
Een tweesprong. Twee keuzes aan het einde van het pad. Ze zou haar ogen kunnen sluiten, hier blijven staan en zich overgeven aan de bitterzoete omhelzing van de dood. Ze zou echter haar nederlaag toe kunnen geven, vluchten van die omhelzing en de naamloze duisternis van het bos in rennen. De keuze was snel gemaakt. Nog één laatste blik wierp ze op het slachtveld en de zielloze lichamen die er verspreid lagen. Toen draaide ze zich met een ruk om en rende zo hard als haar gebroken lichaam dat kon richting de bosrand.
Hoe hard zij ook rende, de schaduwen bewogen sneller dan dat sterfelijke wezens ooit zouden kunnen. Maar Tara keek niet om. Ze hield haar blik stevig op de bomen voor haar gericht en doorkruiste met onhandige stappen haar vluchtweg. Ze voelde een traan aan een van haar ogen ontsnappen en lieflijk over haar wang rollen, en ze ving het op met de palm van haar rechterhand. Ze twijfelde niet. Tara spreidde haar hand en richtte op de grond.
Er was een flits. De ongelukkige wezens die haar al bijna hadden bereikt, losten op in de plotselinge golf van licht, en de rest werd een heel eind achteruit geblazen door de kracht die hun vijand ontketend had. Maar ook Tara werd weggeslingerd. Ze vloog door de koude lucht, zag één kort moment lang de bleke lach van de grijnzende maan aan de hemel staan. Met een harde klap en het geluid van versplinterd hout klapte ze vol tegen de takken van een reusachtige boom. Toen was er niets meer.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V

di okt 10, 2017 12:18 pm

De maan wierp haar bleke stralen over de door de ijzige mantel van de nacht omhulde landen van Tintra. Het licht doorkliefde de hemelen, viel als een vlijmscherpe speer door de boomtoppen en kwam uiteindelijk terecht op de bosgrond. Daar lag een lichaam op de dikke deken van natte bladeren, levenloos. Als een dwaas man op dit nachtelijke uur de duisternis van het woud zou betreden en door een vreemde wending van het lot haar zo aan zou treffen, zou hij gedacht hebben dat de jonge vrouw dood was. Maar dat was ze niet. Het leven had haar wonderbaarlijk genoeg nog niet verlaten. Er klonk een ijzige klaagzang van een troep oude grijze wolven huilend op een koude rots in de verte. Een diepzwarte raaf vloog krijsend over en liet even verderop een verlegen kijkend hert tussen de boomstammen wegschieten. De nacht was diep en donker op deze naamloze plek.
Tara opende haar ogen. Waar was ze? Wat was er gebeurd? Haar geheugen was vergiftigd met een deken van schaduwen, haar weinige herinneringen waren vergaan tot niet veel meer dan kleine witte vlekjes op een diepzwarte deken. Toen haar zicht langzaam begon terug te keren staarde ze naar de hemel. De nachtelijke lucht was als een uitgestrekt tapijt dat de hele wereld zoals zij die kende omringde en omhulde. Op één plek werd het echter onderbroken. De maan. De maan grijnsde venijnig, alsof ze tevreden was met het lot van de sterveling die de grond van haar minnaar bevuilde.
Tara draaide haar hoofd voorzichtig naar links en naar rechts. Overal rezen bijna diepzwarte bomen de hoogte in als priemende vingers van een gigantisch monster en tekenden zich scherp af tegen de hemel, hun talloze vertakkingen als flinterdunne spinnenwebben. Overal waar ze keek was de duisternis van de nacht. Maar hier was ook een andere duisternis, een duisternis waar slechts weinigen het ongenoegen van gehad hadden om ermee in aanraking te komen. Het was de duisternis zoals die aanwezig was op plekken waar het kwaad heerste, plekken waar talloze paren ogen indringers nauwlettend in de gaten hielden, gehuld in de schaduwen. Deze angstaanjagende duisternis manifesteerde zich in vreemde zwarte wolken die op vele plekken over de grond en tussen de bomen hingen. Ze hadden wel wat weg van rook, mist of donderwolken in een razende storm; maar aan de andere kant waren het geen van die dingen. Ze waren van alle kleuren, en van geen. Van geen enkele vorm, en van ze allemaal.
Een bliksemschicht doorkliefde de hemel, en de nachtelijke wouden en velden van noordelijk Tintra werden één kort moment verlicht. Van de rollende donder die daarop volgde kwam Tara dan eindelijk volledig bij bewustzijn. Haar herinneringen begonnen terug te keren. Ze wist het weer. Ze had het woud blindelings in moeten rennen, vluchtend van de schaduwen die haar hoe dan ook verslonden zouden hebben als ze nog maar één moment langer op het slachtveld was gebleven. Die tientallen schimmenzwaarden waren bijna door haar verdediging heen geglipt. Ze was bijna beroofd, beroofd van haar ziel en haar gedachtes en alles wat ze bezat. Bijna. Het was niet gebeurd. Ze kon zichzelf gelukkig prijzen, dat realiseerde ze zich maar al te goed. Maar ze bedankte geen god of engel, bracht geen offer om haar dankbaarheid te tonen aan een hoger wezen. Het zou dwaasheid geweest zijn. De dwaasheid van stervelingen.
Tara verhardde zich. De Karna leerde mensen zich te richten op de dingen om hen heen en niet te blijven rondzwerven in de eindeloze dieptes van het verleden. Ze wist dat ze niet langer kon treuzelen.
Met een onvoorzichtige en te gehaaste beweging probeerde ze overeind te komen, maar viel onmiddellijk weer terug op haar rug toen een vreselijke pijnscheut door haar lichaam golfde. Toen pas zag ze wat er mis was. In haar linkerzijde stak een tak, die haar lichaam bij haar rug weer verliet. Het vlijmscherpe houten zwaard had haar hart op een vingerlengte afstand gemist toen Tara door de lucht geworpen werd en in de toppen van de dode bomen terecht was gekomen.
Ze probeerde nog een keer op te staan- deze keer met haar tanden stevig op elkaar geklemd in een poging de pijn te negeren- maar het had geen zin. Ze dacht diep na. Als er nou iemand kwam om haar te helpen, zou ze een grotere kans hebben op overleven dan wanneer… Maar nee, natuurlijk zou er geen hulp komen. Ze lag alleen op de vloer van een levensgevaarlijk en schijnbaar kwaadaardig bos in het meest afgelegen rovershol dat deze wereld kende, vergeten en verlaten door alles en iedereen. Haar vrienden, de dingen die zij kende, bevonden zich duizenden mijlen hiervandaan. Ja, ze was alleen. En alleen zou ze zich moeten redden.
Tara nam een beslissing.
Ze dompelde zich onder in de Karna die de hare was. Ze luisterde naar de huilende wind en de aangename muziek van de stilte. Ze sloot haar ogen en wachtte op het juiste moment. Met één perfecte, vloeiende beweging trok ze de tak uit haar zijde, zoals ze haar zwaard Valarite uit de schede zou hebben getrokken. Het bebloede stuk hout gooide ze nonchalant naar achteren, waar het tegen de resten van een afgestorven boom aan vloog en verdween in een ritselende struik. Tara kon een lichte glimlach van overwinning niet onderdrukken. Ze had geen pijn gevoeld. Ze had zich helemaal weten te omringen met de Karna, haar geliefde Karna. Wat zou ze zijn zonder de Weg der Koningen? Dood, schatte ze.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op di okt 10, 2017 12:37 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk V- deel II

di okt 10, 2017 12:19 pm

Met haar kracht enigszins teruggekeerd en dat vervloekte ding uit haar zijde getrokken kon Tara eindelijk fatsoenlijk overeind komen. Pas nu kon ze goed en wel om zich heen kijken en de hele omgeving in zich opnemen. Het eerste waar ze naar zocht was Valarite, dat ze bij de explosie van magie had verloren. Gelukkig zag ze al snel een klein stukje staal glinsteren in het maanlicht, bedekt door de natte bladeren in een poging het te verhullen van zijn meesteres. Ze pakte het gevest losjes vast, staarde enkele momenten naar het koude, maar met leven gevulde wapen en stak het toen terug in de schede aan haar zij. Onmiddellijk daarna trok ze hem er echter weer uit. Een zwaard in de hand in een duistere plek als deze kon nooit kwaad, had ze meerdere malen aan den lijve ondervonden.
Tara begon in beweging te komen. Dat bleek nog knap lastig. Ze had op meerdere plaatsen verwondingen opgelopen, zowel in de strijd met de schaduwkrijgers als bij haar val door de boomtoppen. Ze kon niet veel anders dan wat vooruit strompelen en hopen dat haar lichaam niet ergens halverwege zou besluiten ineen te storten. En zo liep Tara door de duisternis van het woud, op goed gevoel en een vage inschatting naar het noorden toe, haar hand stevig om het ruwe leer van het gevest van Valarite.
Een tijdlang lagen er verrassend weinig gevaren op de weg door het woud. Tara strompelde tussen de afgestorven bomen met hun donkere hout, klom over heuveltjes en vond rust in kleine dalen, dronk af en toe bij gebrek aan een beter alternatief enkele slokken uit een plas donker water. Ze vervloekte zichzelf om de verwondingen die ze had opgelopen, verwondingen die haar nu beletten stevig door te stappen zoals ze dat altijd deed; maar ze zette zich er al vlug overheen. Het was niet volgens de Karna om in het verleden te blijven hangen. Ze concentreerde zichzelf op de weg die voor haar lag. Het was lastig om precies naar het noorden te blijven lopen. Op sommige plekken leek het woud wel te leven en te veranderen, en soms merkte ze tot haar afschuw dat ze weer aangekomen was bij precies dezelfde kuil als zojuist. Hoe verder ze doordrong in deze kwaadaardige bossen, hoe dichter de bomen op elkaar leken te staan en hoe vager het pad werd.
Tara was er zeker van dat er iets in de schaduwen huisde en haar in de gaten hield bij elke stap die ze zette, verborgen van de ogen der wereld in een naamloze en vergeten plek als deze. Enkele keren draaide ze zich met een ruk naar achteren, ervan overtuigd dat er nu écht een monster de struiken uit was gesprongen. Maar geen van die keren kreeg ze gelijk. Het enige leven dat ze hier zag, waren de krijsende raven en stilletjes overvliegende uilen met hun duistere vleugels van de nacht.
Tot overmaat van de ramp- een bloedrode kers op de verjaardagstaart van de duivel- openden de sluizen van de hemel zich. Zonder enige waarschuwing vielen ontelbare regendruppels neer over de nachtelijke wouden, waar ze het zand veranderden in modderpoelen, de kleine plasjes halve rivieren lieten worden en Tara zich nog miserabeler lieten voelen. Ze trok de kap van haar diepzwarte mantel over haar hoofd, maar merkte dat dat niet heel veel zin had. Net toen ze zich erbij neer had gelegd dat ze toch wel drijfnat zou worden, was er een flits in de hemelen. De bliksem sloeg in enkele tientallen stappen van haar vandaan en velde een nogal imposante woudreus die daar al sinds het begin van de tijd had gestaan. Een moment later trok een enorm kabaal als een brullende draak rollend door de lucht. Tara vloekte binnensmonds. Er was storm op komst, en dat betekende weinig goeds.
Tara klom met moeite over de enigszins verkoolde resten van de gesneuvelde boom en vervolgde haar weg. Hoe verder ze kwam, hoe minder ze zich op haar gemak begon te voelen in dit woud. Ze voelde dat ze in de gaten gehouden werd. Ze voelde de wezens die in de schaduwen zich van haar verborgen hielden. Maar ze kon niets zien dan een eindeloze zee van modderige poelen, ritselende struiken en verrotte bomen. Had ze nu haar vrienden maar gehad. Ze kon zich de tijden aan de Drie Academies herinneren alsof het gisteren was. Alle doodsaaie lessen van stoffige oude meesters, alle bloedstollende ontmoetingen met pesterige halfprinsen, alle uitbundige feesten in de gangen en zalen van Gaelon en de dronken roes die daar onvermijdelijk op volgde. Maar vooral kon ze zich haar vrienden herinneren. De overbodige gesprekken over de vierentwintig volumes van Cindras Minture van Taler Rubin Sugo, het vriendelijk plagen van Logan met een van zijn nieuwe liefdes, het flauwe grapjes maken over het laatste mislukte project van de eerste de beste Meester; maar ook de levensgevaarlijke missies in alle uithoeken van de wereld, waarbij ze haar leven meerdere malen aan haar metgezellen te danken had gehad. Als zij hier nu waren geweest, zou alles anders zijn. Als zij hun glimlach had gezien en hun warmte had gevoeld, zou ze de duisternis in dit godsvervloekte woud misschien iets beter hebben weten te trotseren. Als-
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Re: Naamloos

di okt 10, 2017 12:20 pm

Karasethe…
Tara spreidde haar ogen wijd open en snakte naar adem. Wat was dat? Vreemd. Karasethe. Vloek der Koningen. Het was haar naam geweest, eens. Zo had men haar genoemd in de dagen dat ze de meest gevreesde huurmoordenares was aan haar kant van de Arantische Oceaan. Ze had de naam gewonnen. Ze had ervoor betaald, had ervoor gevochten, had ervoor gebloed. En toch was het haar afgenomen. Slechts twee maanden waren verstreken sinds haar verbanning uit Stormrots, maar de beruchte zwartgeklede engel van de dood was vergeten en haar naam verdwenen in de donkere dieptes van het verleden.
Karasethe…
Daar was het weer. De ijzige, haast schorre stem ging door merg en been en bezorgde haar koude rillingen over heel haar lichaam. Ze hield halt, luisterend. De woorden leken van alle kanten te komen, leken gesproken te worden door onzichtbare monden die overal tussen de bomen en in de struiken verstopt waren. Ze-
Karasethe…
Kom naar me toe…
Omhels je lot…

Ze had de stem eerder gehoord. Ze had vage woorden gehoord toen ze net het bed in de herberg uit was gekomen en zich om had gekleed, maar ook toen ze de heuvels en vlaktes rond Kainere doorkruiste op weg naar het slachtveld aan de bosrand. Toen waren het slechts gedempte fluisteringen, fluisteringen van een naamloze vrees; maar nu klonken de woorden helder en angstaanjagend duidelijk in haar hoofd. Het was de stem van het woud. Daar was ze zeker van. Of in ieder geval, de stem van het onbekende kwaad dat in deze wouden op de loer lag en haar opwachtte.
Omhels je lot…
Het enige lot dat was...

Tara schudde haar hoofd in ontkenning. Ze wilde de stemmen niet horen. Ze wilde niet gek worden. Niet nu. Deze plek zou haar niet als slachtoffer opeisen, zoals hij die dwaze maar onschuldige Leruan Atyr had opgeëist en had verzwolgen in de duisternis.
Het enige lot dat is…
Tara kwam weer in beweging. In het begin liep zij zo rustig en beheerst als haar trillende lichaam dat duldde, probeerde uit alle macht de onverstaanbare fluisteringen van de stem te negeren. Ze wist zichzelf vast te houden aan de stammen van de dicht op elkaar gedrukte bomen en zo verder het woud in te lopen. Maar de stem gaf zijn aanval niet zo gemakkelijk op.
Het enige lot dat kan zijn…
Ze begon sneller te lopen. Haar verstand probeerde haar te vertellen dat ze haar rust moest behouden, en de Karna die tot in het diepste van haar zat genesteld wilde haar behoeden van deze dwaze daden. Maar vanbinnen brak iets. Van de buitenkant was het niet te zien, maar in de dieptes van haar ziel veranderde iets bij het horen van de stem en het zien van de duisternis van deze plek.
...is de dood.
Sneller, sneller, als maar sneller doorkruiste ze het woud. Ze had geen idee meer in welke richting ze ging. Het enige dat nu nog belangrijk was, was te blijven bewegen. Anders zou ze vast en zeker vallen aan de schaduw, opgeslokt worden door de duisternis die haar opwachtte na elke bocht en achter elke boomstam. Ze ging slechts daar waar de fluisteringen van de wind haar naartoe leidden, hopend dat ze zou kunnen ontsnappen aan het kwaad. De donkere stammen van de lang gestorven bomen, de bosjes struiken ritselend in de koude wind, het gekrijs van de overvliegende kraaien met hun zwarte vleugels, de eeuwige grijns van de maan hoog aan de hemel: alles ging over in een waas van angst en paniek.
Kom, Karasethe.
Ik wil je wat laten zien.

Hoe meer ze haar pas ging versnellen, hoe meer in paniek ze raakte. De woorden galmden voortdurend door haar hoofd, en wat ze ook deed om ze te verbannen, ze bleven maar terugkomen. De regen bleef vallen. De storm bleef razen. De hemel bleef oplichten als er in de buurt de bliksem insloeg. De raven bleven krijsen. Ze leken te lachen. Alles leek te lachen. De dode bomen, de ritselende struiken en de fluisterende wind, alles leek haar te bespotten om haar zwakte.
Bevrijding wacht je op, Karasethe.
Bevrijding aan het einde van het pad.

Met een kreet uit het diepste van haar hart begon Tara te sprinten zoals ze nog nooit gedaan had. Ze schoot als een bliksemschicht over de golvende heuveltjes van het woud, tussen de steeds verder naar elkaar groeiende pikzwarte bomen; en zelfs de raven met hun vleugels van de nacht, die haar gevolgd hadden en in de gaten hadden gehouden vanuit de schaduwen, konden haar niet meer bijhouden en keerden verward terug naar hun meesteres.
Omhels je lot.
Ze-
Omhels je lot.
Tara rende in volle vaart door het woud, maar kwam nergens uit. Deze bossen leken wel oneindig te zijn. Maar nee, dat was onmogelijk. Ze had op een kaart van het gebied gezien dat het zich nog geen dozijn mijlen uitstrekte. Maar waar was dan het einde? Misschien was er geen einde aan deze gekte. Had ze zichzelf in een gevangenis gestort waar ze nooit meer uit zou kunnen ontsnappen?
Omhels je lot.
Op het pad vóór haar lag nu een kleine kom in het landschap, waarvan de onderkant bedekt was met een laag nog immer stijgend regenwater. De open plek werd omringd door bruingekleurde heuvels, dikke bomen glinsterend in het licht van de maan, en dode struiken met vlijmscherpe takken waar haar broek bij haar onderbeen aan scheurde.
Kom, Karasethe.
Een bliksemschicht doorkliefde de hemel en verlichtte één moment lang de nachtelijke hemelen van Kainere. In een flits zag Tara een gestalte. Hij had vaag de vorm van een langgerekt mens dat minstens twee koppen boven haar uittorende, het enige vreemde aan hem de afwezigheid van een gezicht en de angstaanjagend lange klauwen aan zijn beide handen. Hij stond daar, in het midden van het regenwater, en nam haar één moment lang zwijgend in zich op. Maar toen werd de hemel weer verduisterd, en de gestalte vervaagde even snel als dat hij gekomen was.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”