Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk I- deel IV

za mei 13, 2017 11:27 am

Haar blik dwaalde af naar de onderkant van een van de ruwe stenen muren die de grens vormden van dit nagenoeg vierkante vertrek. Daar stond haar zwaard, losjes leunend tegen de grijze stenen, alsof het ding zelf haar nonchalant in de gaten aan het houden was. Het was haar belangrijkste bezit. Het was een van de enige dingen die niet kwamen en gingen in haar leven. Het was haar leven, de enige manier waarop ze zonder krachtige magie te gebruiken fatsoenlijk kon overleven in deze genadeloze wereld. Zij en het zwaard waren, in zekere zin, één wezen. Hun zielen waren in elkaar gewikkeld zoals twee touwen een onbreekbare knoop vormen. En samen waren zij onbreekbaar. Tara had het bemachtigd in de Grot van Dromen, aan het einde van haar opleiding tot dochter van de Karna, de eeuwenoude en veruit superieure vechtstijl die alleen weggelegd was voor de besten van de besten. Dit was geen bijzonder fraai zwaard zoals overmoedige edelen in Darlasse of Tandenivian meenamen naar een duel tegen een lid van een rivaliserend huis. Het gevest was omwikkeld met een donkerleren lap stof die comfortabel in de hand lag en tegelijkertijd een aanzienlijke grip gaf. De kling was redelijk smal maar bereikte door de scherpte van de punt haar doel altijd. Op het ijzer stond met eeuwenoude en half vergeten runen het woord valar geschreven. Roshar, de oude strijder die haar de Weg der Koningen had geleerd en haar op het pad had gezet dat haar uiteindelijk hiernaartoe zou leiden, had het toepasselijk Valarite genoemd, een naam die Tara tot op de dag van vandaag gebruikte. Ze pakte het op en hield het in haar rechterhand. Ze glimlachte. Valarite had de kelen van tientallen mannen en vrouwen doorgesneden, had hun harten doorboord, had hun ballen afgehakt en hun hoofden door de modder later rollen. Als ze het bij zich droeg vreesde iedereen haar. Koningen, prinsen, ridders, monsters. Allemaal hetzelfde in de armen van Glarric.
Soms vroeg ze zich af wat ze zou moeten zonder haar zwaard. Over het algemeen waren het geen plezierige gedachtes. Zonder Valarite zou ze verloren zijn in de eindeloze draaikolk van chaos en schaduwen die deze wereld was. Ze zou slechts een hulpeloos meisje zijn van zestien jaar, een leeftijd waarop de meesten van haar geslacht bessen plukten in het bos en uitgehuwelijkt werden aan de zoon van de lokale smid. Ze zou zijn zoals haar idiote ouders, die in plaats van wapens slechts houten pollepels in hun handen droegen en niet wisten dat ook vrede gesmeed was in bloed. De gedachte beangstigde haar. Tara was niet iemand die vreesde. Ze vreesde geen gevaar. Ze vreesde geen bloed. Ze vreesde zelfs niet de holle ogen en het bleke gezicht van de dood. Het enige wat ze vreesde, was dat Valarite van haar afgenomen werd. Ze zou alles doen om dat te voorkomen. Ze zou een koning vergiftigen en zichzelf vrijwillig overgeven aan de garde. Ze zou naakt door de straten van Allisar rijden op de rug van een ezel. Ze zou een dansje doen voor de keizer van Tevaria en de nacht doorbrengen met zijn zoon, als ze haar zwaard maar kon houden. Het was haar enige vriend. Dat was de steenharde waarheid.
Tara pakte haar mantel van een ijzeren kapstok en sloeg hem om haar rug. De mantel had de kleur van een nacht zonder maan en reikte van haar nek tot voorbij haar knieën. Bij haar hoofd was het bezet met een laag bont. Het was geen decoratief bont zoals edelen in de koudere delen van de wereld zo rijkelijk gebruikten. Nee, dit was enkel bedoeld om haar nek warm te houden op de momenten waarop de wind ijzig waaide rondom haar. Ze wist dat deze nacht koud zou zijn, dus trok ze de mantel net iets steviger om zich heen. Haar zwaard deed ze in de oude leren schede die ze al jaren aan haar zij droeg. Bij het ijzige, doordringende geluid dat daarmee gepaard ging, bevroor ze midden in haar beweging. Ze voelde iets. Iets… vreemds. Het ijzer van haar zwaard trilde lichtjes in haar handen en leek op te warmen. De trillingen en de hitte reisden door haar hele lijf, en vervulden haar van voorhoofd tot kleine teen met een gevoel dat ze al vaker had gevoeld. Valarite hongerde. Het verlangde naar warme stralen bloed van dwaze mannen rijkelijk vloeiend op het koude staal. Haar zwaard beroerde zich. Bloed zou vanavond vloeien.

*einde van Hoofdstuk I*
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:07 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Naamloos

zo mei 14, 2017 7:24 pm

Leuk vervolg. Een paar kleine opmerkingen:
Bij de spiegel bleef ze staan en nam zichzelf zorgvuldig in zich op. Sommigen zouden haar jong en zwak genoemd hebben als ze zouden zien wat zij nu zag
Eerder geef je aan dat ze een gespierd lichaam heeft, dus het is een beetje gek dat men haar dan voor zwak aanneemt.
Tara had aan den lijve ondervonden dat je met enkel een lief gezichtje en een mooi paar borsten nergens kon komen in deze genadeloze wereld.
Ze komt eerlijk gezegd niet over dat ze ooit zo naïef was omdat te denken.

Sommige toevoegingen over wie Tara is mogen best gedurende het verhaal toegelicht worden. Zoals "En Tara was niet iemand die zwakjes bij het warme haardvuur zat terwijl de wereld trilde op zijn grondvesten en om haar heen instortte, zoals haar dwaze ouders dat wel deden." dat snap ik ook als ze zich direct in het vuur stort. Nu komt het een beetje over alsof elk aspect van Tara uitgelegd moet worden om haar te leren kennen.

Ik heb het idee dat Tara zichzelf heel wat vindt; misschien komt het doordat we haar geheel door de spiegel waarnemen. Ze komt daardoor enigszins arrogant (en een klein beetje irritant) over. Is dat de bedoeling?

Ga zo door
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk II- deel I

zo mei 21, 2017 8:04 am

Beheerst opende Tara de krakende deur die haar leidde naar een lange gang waar enkele andere kamers aan grensden. Het was donker en verlaten. Een koud briesje waaide door de gang en deed de gedoofde handlantaarns lichtjes heen en weer waaien. Het bleke maanlicht viel door het grote raam aan het einde van de ruimte. In de verte klonk het gehuil van een troep wolven, meegevoerd door de immer fluisterende wind die in deze nacht door de bossen en vlaktes van noordelijk Tintra blies. Een doorsnee kind van zestien jaar was nu allang naar beneden gevlucht, krijsend van paniek en roepend om de warme omhelzing van haar moeder. Tara niet. Tara schreed door de duistere gang met een natuurlijke kalmte die een steen of een blok ijzer ook bezat, volledig ondergedompeld in en omringd door de stilte die de hare was.
En omringd door de stilte kwam ze aan in de gelagkamer. Gisteren was deze kamer tot op het randje gevuld geweest met luidruchtig drinkende mannen, eindeloos roddelende vrouwen en een vreselijke walm van rook, bier en zweet. Nu was het even verlaten als de gang van zojuist. De goedkope houten meubels lagen overal verspreid over de vertrekken, sommige versplinterd, andere slechts omgegooid in de chaos die hier een tijd geleden schijnbaar had plaatsgevonden. IJzeren handlantaarns die eens gehangen hadden aan de muren waren gedoofd en ter aarde gestort, en Tara verwijderde uit voorzorg een nog druipende kaars van de kwetsbare houten bar.
Ze trok één wenkbrauw op. Hier hadden zich vreemde gebeurtenissen voltrokken. Zoveel was duidelijk. Was het een gevecht, een opstootje, een massale ontruiming van de herberg bij vals alarm? Tara leek de enige te zijn in het hele gebouw, een feit dat gewone mensen zou hebben laten trillen van angst. Ze besloot het hele vertrek niet van top tot teen uit te ruimen en zorgvuldig te onderzoeken, vergeefs zoekend naar kleine aanwijzingen die haar op een doodlopend pad zouden zetten. Nee. Buiten zou ze antwoorden krijgen op haar vragen. Daar was ze zeker van.
Het maanlicht viel over haar heen en deed Tara haar ogen dicht op elkaar knijpen. Zo nam ze de omgeving zorgvuldig in zich op. Net als de herberg waarin ze had geslapen tekenden de hoge gebouwen die grensden aan de slingerende smalle straat zich donker af tegen de nachtelijke hemel. De wind waaide tussen de gebouwen door en deed de bladeren in de bomen en struiken ritselen, vertelde verhalen in een taal die geen ziel kon verstaan. Tara onderdrukte een sterke neiging om te zuchten. Deze straat was ook verlaten. De enige persoon die er stond, was zij zelf. Een jonge vrouw van zestien jaar en een half, haar donkerbruine haar in een simpele staart achter haar hoofd gebonden, een mantel om haar rug die de kleur had van de nachtelijke hemel, een vlijmscherp zwaard in de schede aan haar zij. Ze kon zichzelf bijna zien staan, zoals een overvliegende adelaar haar zou hebben zien staan. Ze vroeg zich af wat Roshar zou denken als hij zou zien waar ze nu toch terecht was gekomen. Roshar. Ze hadden hem moeten afvoeren toen besloten werd dat ze de Drie Academies per direct diende te verlaten. Roshar was altijd beheerst en onleesbaar geweest, zoals zij ook beheerst en onleesbaar was; maar in de centrale hal van Kasteel Stormrots had hij gebruld van woede. Zijn uitzinnige, bijna dierlijke schreeuwen hadden nog lang gegalmd door de zalen en gangen van het kasteel. Het was het laatste wat ze gehoord had tijdens haar tijd aan de Academies. Ze hadden haar naakt en met enkel Valarite als metgezel op een gammel bootje gezet en overgelaten aan de woede van de ijzige Bevroren Zee, de ogen van de hele school priemend in haar rug als gifpijlen. Het was een duister moment geweest, een dag die ze niet snel zou vergeten. Maar ze was eruit ontsnapt. De Karna die ze in het geheim van haar meester had geleerd, had haar de kracht gegeven de gevaren van de Bevroren Eilanden te trotseren en er als een sterker vrouw uit te komen. Ze was aangespoeld aan de noordelijke kusten van Calentassa, waar ze in een havenstad kleren en eten kreeg van enkele vriendelijke havenarbeiders. Vanuit daar was ze naar het zuiden gereisd, richting de hoofdstad Allisar, maar ze had aan den lijve ondervonden dat de bewoners van het Koninkrijk Westkroon arrogant waren en geenszins verwelkomend voor onaangekondigde bezoekers zoals zij zelf. Daarom was ze de Landbrug van Naryae overgestoken en had ze haar eerste stappen gezet in Talwan, zwervend door de talloze kleine koninkrijkjes die het land als een lappendeken bedekten. En nu stond ze hier, in het door het licht van de grijnzende maan verlichte Kainere, het meest vergeten dorp in de meest afgelegen hoek van een van de vele staten van de Federatie. Het was zo ongeveer zo ver van haar vroegere leven en woonplaats als ze kon zijn. Maar ze wist dat Roshar achter haar stond en instemmend knikte, waar ze ook mocht zijn en wat ze ook mocht doen.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op di okt 10, 2017 12:08 pm, 2 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk II- deel II

zo mei 21, 2017 8:08 am

Tara werd uit haar gedachten over haar vroegere meester gerukt toen er een gestalte uit de schaduwen verscheen. In haar ooghoek zag ze een zwarte vorm uit een donker steegje op haar af komen rennen. Tara reageerde razendsnel. Ze zette haar gehandschoende rechterhand aan het gevest van haar zwaard, trok Valarite uit de schede met een geluid dat tot op het bot ging en stak de vlijmscherpe punt naar rechts. Alles gebeurde sneller dan dat een bliksemschicht een eeuwenoude eik had kunnen vellen in het verloren Qaza. Ze was niet ontdaan. Ze had niet getwijfeld. De kling van haar zwaard was tot stilstand gekomen op minder dan een duimbreed afstand van de keel van haar belager. Die bleek in feite helemaal geen belager te zijn.
De donkere gestalte werd nu duidelijker verlicht door het bleke licht van de maan vallend op het staal. Het was een man van twintig, misschien vijfentwintig jaar. Zijn donkerblonde, krullende haren zaten warrig door elkaar, zijn handen en vingers trilden alsof hij zojuist het einde van de wereld had gezien en de verwarring en paniek was overduidelijk in zijn zeeblauwe ogen te zien. Zijn kleding bestond uit een wijde leren broek, een lichtkleurige dunne trui, een donker vest en een nogal wijd uitgevallen maliënkolder om hem te beschermen tegen pijlen en de snijdende koude van de nacht.
Tara zag recht door hem heen. Ze wist precies wie hij was, hoewel ze hem nooit eerder gezien had. Ze was een van de besten geweest van haar jaar als het ging om het herkennen van verschillende soorten mensen en hun persoonlijkheden, een talent dat niet verloren was gegaan- Glarric zij dank.
De man die voor haar stond was een rekruut in het leger, schatte ze in. Met een beetje geluk kwam hij uit een klein dorp aan de andere kant van het koninkrijk. Hij was altijd al een meeloper geweest in het genootschap van de meest populaire jongen van het dorp, en toen die had besloten zijn thuis op het platteland achter zich te laten om bij de belofte van enkele zilveren prinsen zich in te schrijven bij het leger van de koning van Tintra, was hij samen met al zijn vrienden op pad gegaan om hun nieuwe vrijheid samen te trotseren. Maar hij was moederziel alleen ingedeeld in een hele andere compagnie, en zonder de bescherming van de zoon van de lokale smid had hij zichzelf niet kunnen redden in deze genadeloze wereld. Nu was hij hier uitgekomen, verward en gestrand in de meest afgelegen plaats aan de grens van de wereld zoals hij die kende. Zijn stem was even krakend en zwak als zijn uiterlijk.
‘De koning!’ schreeuwde hij paniekerig en gooide daarbij zijn trillende armen in de lucht. ‘De koning is dood! Ze hebben ‘m vermoord!’ Tara was geenszins onder de indruk van dat bericht. De meeste mensen hadden hun ogen wijd opengesperd en luid naar adem gesnakt bij het horen ervan. Tara niet. De lotgevallen van het koninkrijk Tintra interesseerde haar nog minder dan het precieze aantal mensen dat op ‘t moment de liefde aan het bedrijven waren in de paleizen van Darlasse of hoeveel koeien de vrouw van boer Lared vandaag gemolken had. Maar er hingen problemen in de lucht. Ze kon het ruiken.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk II- deel III

zo mei 21, 2017 8:08 am

Ze verslapte haar greep op het gevest van Valarite enigszins, maar hield de kling nog steeds tegen de keel van de man. Met een stenen blik in haar ogen en een onleesbare uitdrukking op haar sterke gezicht besloot ze enkele spaarzame woorden los te laten.
‘Wat is er aan de hand? Spreek,’ snauwde ze. Ze deed geen moeite haar stem boos of eisend te laten klinken, maar niettemin kromp de jonge man angstig in elkaar. Tara bezat een soort natuurlijke kalmte en een bepaalde toon in haar stem als ze tegen iemand praatte. Het werkte altijd. Koningen, keizers en zelfs genadige Glarric zouden huilen van angst als ze werkelijk woedend werd. Maar dat was niet iets wat ze al te graag wilde laten gebeuren.
‘Ze hebben ‘m vermoord, vrouw! Ze hebben ‘m meegenomen naar de schaduw! Glarric behoede ons van de schaduw! DE SCHADUW!’ Tara rolde met haar ogen. Het was haar nu al helemaal duidelijk waar dit gesprek naartoe zou gaan als ze zo nog langer door zou gaan. Ze haalde haar zwaard van zijn keel en schoof het terug in de schede. De man leek enigszins te ontspannen. Zijn schouders zakten een beetje naar beneden en de paniek trok nagenoeg helemaal uit zijn donkere ogen. Maar Tara had zich nog niet teruggetrokken, had nog niet opgegeven. In feite begon het spel nu pas echt.
‘Vertel me wat er hier gaande is. En praat in hemelsnaam duidelijk, of ik zal je laten kruipen als een hond en laten krijsen om de borst van je moeder. Praat, verdomme!’ De man bevroor midden in een verwarde beweging van zijn onhandige lange armen. Hij boog zijn hoofd nederig en probeerde het donkere leer van een van haar handschoenen te kussen, maar Tara schudde zich razendsnel los en gaf de man zonder na te denken een stomp in zijn ballen. Schreeuwend van de pijn viel hij met zijn knieën op de koude stenen van de smalle straat. Tara wist hoeveel pijn een man ervoer als hij een schop in zijn edele delen kreeg. Het was een wondermiddel tegen geouwehoer en aanstellerij.
Ze knielde neer bij de snikkende rekruut en hield haar mond op een duimbreed afstand van zijn rechteroor.
‘Zeg me je naam.’ De man draaide zijn hoofd lichtjes om haar aan te kijken, maar wendde zijn blik onmiddellijk weer af bij het zien van haar ijzige ogen.
‘Ik… Mijn… Ik…’ stotterde hij. ‘Seban, v-v-vrouwe. Seban Galbrin. Ik denk-’ Hij keek verschrikt op toen het verschrikkelijke geluid weer door de lucht rolde. Deze keer kon Tara het beter horen. Het was een kabaal als een uitzinnige draak die in een vlaag van eindeloze woede een vuurbal heter dan het oppervlak van de zon over een groep dwaze soldaten liet neerdalen. Het was een kabaal als een verschrikkelijke orkaan zoals ze die kenden op de tropische eilanden in de Arantische Oceaan, als ze de tientallen boeken over dat onderwerp in Gaelon had mogen geloven. Het was een kabaal als de pilaren van de gouden vestingen in de hemel trillend op hun grondvesten bij de vernietiging van Zanaqar en het einde van de Oude Wereld al die duizenden jaren geleden. En met het kabaal verscheen ook de gloed wederom aan de hemel. Ze had nog nooit iets gezien wat er ook maar half bij in de buurt van kwam. De gloed was van alle kleuren, feller dan de felste zon in de heetste woestijn op het hoogtepunt van de dag, kouder dan de woeste wateren van genadeloze Caetholos; maar tegelijk was het van geen enkele kleur, donkerder dan de donkerste nacht in de dieptes van de duistere oceanen aan de andere kant van de wereld. Er leek geroezemoes uit de verte te komen, gedempte fluisteringen in een ijzige taal die ze niet kon verstaan en die haar angst aanjoeg. Het leek haar… te roepen. Ja. Te roepen. Te roepen om de nacht in te gaan en zichzelf te verliezen in de duisternis. In een flits veranderde de kleurloze gloed in een vlammenzee aan de hemel, en tussen de dansende vlammen verscheen een gezicht zo vreselijk als dat van een woedende God die zijn woede afkoelt op de sterfelijke wereld onder hem…
Tara schudde zichzelf wakker. De gloed was verdwenen. De fluisteringen waren vervaagd, opgegaan in de duisternis en de eindeloze schaduwen van de koude nacht. De stilte zoals de meeste mensen die kenden was wedergekeerd. Het enige geluid kwam van zingende vogels in de verte en het zenuwachtig ademhalen van Seban, die nog steeds snikkend en half gebroken op zijn knieën zat.
‘Seban,’ zei Tara zacht terwijl ze sierlijk overeind kwam. ‘Breng me iemand die hier de baas is. Iemand die me wel kan vertellen wat er hier,’- ze wierp een blik naar boven en haalde onvrouwelijk haar neus op- ‘gaande is.’ Ze keek in zijn angstige ogen en rolde geërgerd met de hare. ‘O, bij Glarric en al z’n engelen, gedraag je niet als een dwaas! Ik ben hier om je te helpen, niet om je dorp in de as te leggen of een kwade geest op te roepen.’ Ze gaf hem een schop, waarna hij met moeite overeind wist te krabbelen. Tara keek hem recht in de ogen. ‘Dus ren nu, Seban Galbrin, of ik stuur je meteen door naar de armen van Glarric. Enkele reis.’ En voorzichtig strijkend over de knop van haar zwaard voegde ze eraan toe: ‘Valarite heeft honger.’ De man wierp één laatste blik op de door het maanlicht verlichte zwaard en de jonge huurmoordenares die het bij zich droeg. Toen knikte hij en vertrok, zenuwachtig in zichzelf mompelend met woorden die niemand kon begrijpen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk II- deel IV

zo mei 21, 2017 8:09 am

Tara keek hem hoofdschuddend na terwijl hij de duisternis van de nacht in rende. Toen viel haar iets op. Hij strompelde. Seban leek aanzienlijke moeite te moeten doen bij elke stap die hij zette, en zijn bewegingen zagen er op z’n minst… kreupel uit. Haar vermoedens werden bevestigd toen ze een geur in de lucht rook die ze al zo vaak geroken had. Bloed. Ze kreeg een koude rilling over heel haar lichaam en trok haar donkere mantel steviger om zich heen. De rekruut was gewond, zoveel was duidelijk. Dat betekende dus-
Seban keerde terug voordat Tara ook maar een kans had gehad om een fatsoenlijke theorie op te stellen over wat er met hem gebeurd was. In tegenstelling tot zojuist droeg de jonge soldaat nu een zuinige glimlach op zijn nerveuze gezicht; maar Tara zag zoals altijd recht door dat masker heen.
‘V-vrouwe?’ wist hij hijgend uit te brengen. Hij had gerend. Tara keek hem zwijgend aan. ‘Ik d-denk dat u beter naar de t-toren kunt gaan, vrouwe.’ Hij wees met een trillende hand naar een plek even ten westen van de smalle straat. ‘Daar is k-kapitein Jassil, vrouwe. Nou ja, eh, Bredon Jassil. Die kan u, eh-’ Tara snoerde hem de mond met een nonchalante beweging van haar rechterhand.
‘Ik weet genoeg. Je moeite wordt op prijs gesteld. Tot ziens.’ Ze knikte kort. De meeste mensen hadden Seban in dit geval minstens één koperen prins gegeven voor de moeite die hij voor hen gedaan had. Tara behoorde niet tot die mensen. Al het schaarse geld dat in de vele zakken van haar kleding rustte had ze meer dan nodig om zichzelf in leven te houden. De weg naar Cilen Taas was slingerend en vol gevaren. Ze had weinig zin om iedere nacht onder de sterrenhemel in het licht van de maan te slapen, met talloze ogen die haar vanuit de schaduwen bekeken en wachtten op het juiste moment om hun klauwen te tonen en toe te slaan. Nee. Deze man zou zijn beloning krijgen als ze de velden en bossen van Kainere verruilde voor de vrijheid van de wijde wereld, de problemen die in de lucht hingen opgelost waren en haar mysterieuze daden vervaagd waren tot slechts een gefluisterde legende in de duizenden monden van het volk.
‘En Seban?’ riep ze hem na terwijl ze beheerst weg beende. ‘Keer terug naar het zuiden. Je vader is kapitein geworden en je zus heeft een zoon gekregen. Ze wachten op je.’ Daarmee keerde ze terug naar de stilte van de nacht, de verwarde rekruut glimlachend achter zich latend.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 483
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Naamloos

zo mei 21, 2017 10:00 am

Vanochtend je hele verhaal gelezen en begrijp je intro. Had je verhaal ook op OnlineVerhalen gelezen maar niet geantwoord erop.

Vind het ook een spannend begin van je verhaal en hoe je schrijft zeker herkenbaar bij jouw manier van schrijven. Het leest fijn en ook meetrekkend, fantasy en horror zeker. Ook idd expliciete content maar dat vind ik ook niet erg.

Ga zo door :)
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Naamloos

za jun 03, 2017 9:18 am

Leuk vervolg :)
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk III- deel I

di okt 10, 2017 12:04 pm

Ik ga nu gewoon het hele verhaal in één keer plaatsen. Aarzel weer niet om een reactie achter te laten. Uiteraard hoef je niet alles in één keer te lezen; dat zou wel heel veel werk zijn! :lol: Maar in ieder geval: hier is de rest van Naamloos!

De tocht naar de wachtheuvel duurde niet lang. Tara stapte stevig door, haar zwarte mantel en donkerbruine haren wapperend in de wind, haar gehandschoende handen op het met leer omhulde gevest van haar zwaard. Enkele honderden stappen verderop tekende een verdacht steile heuvel zich scherp af tegen de donkere lucht en de verre sterren glinsterend aan de nachtelijke hemel. Op de top van de heuvel stond een simpele stenen toren die te bereiken was door een stevig hellende trap waarvan de treden overwoekerd waren door mos. Tara keek naar haar gelaarsde voeten en zag kleine dieren overal kruipen over de koude stenen en in het ritselende gras, zwijgend werkend in de duisternis. Ze deed geen moeite ze te ontwijken.
Toen ze aankwam aan de voet van de toren bleek er tot haar spijt niemand bij, rondom of zelfs voor de oude grijze stenen te staan. Ondergedompeld in de stilte die immer de hare was liep ze naar de kleine houten deur en klopte ze drie keer. Geen reactie. Ze besloot dat ze weinig andere opties had. Nonchalant maar met een kracht waar de best geoefende ridder nog een puntje aan zou kunnen zuigen trapte ze de deur in. Het was geen gewone trap zoals je woedende boeren of rovers zag uitvoeren in de vele verhalen die ze hier op het platteland vertelden. De schop was rein. Tara liet alle kracht in haar lichaam naar haar rechterbeen vloeien, waardoor ze bewoog met een vastberadenheid die velen angst zou hebben ingejaagd. De deur vloog open zonder kabaal of een regen van splinters, zwijgend alsof het hout zelf wilde ontkennen wat er zojuist was gebeurd.
Tevreden stapte ze de eerste kamer van de toren in, zorgvuldig bukkend om niet met haar hoofd tegen het lage plafond te botsen. Ze voelde een vlaag van teleurstelling toen ze merkte dat ook hier niemand was. Kapitein Jassil, de man die haar volgens Seban meer informatie zou kunnen verstrekken, moest nog even een mysterie blijven.
De kamer was gevuld met tientallen houten tonnen en donkere ijzeren haken aan de wand, hoewel ze stuk voor stuk leeg waren en onlangs overhoop gehaald leken te zijn. Enkele toortsen hingen nog aan de stenen muren, maar hun warme vlammen waren allang gedoofd. De wind waaide door de kamer, toegelaten door het gat in de deur, en de bleke stralen van de maan vielen door een ruit op de voorwerpen en de jonge vrouw die ertussen stond. Tara had haar zwaard inmiddels getrokken en hield het voor zich uit. Je kon nooit weten welke monsters er in de schaduwen scholen, loerend naar ongewenste bezoekers, elke stap die ze zetten zorgvuldig in zich opnemend, onttrokken aan de ogen der wereld. Valarite zou dat soort monsters op afstand houden. Althans, dat hoopte ze.
Een lange wenteltrap voerde haar helemaal naar de top van de toren, waar ze een luik opende en een krakende ladder moest beklimmen om op het dak te belanden. Een vlaag van opluchting schoot door haar hele lijf toen ze een gestalte bij de rand zag staan, scherp afgetekend tegen de duisternis. Het was de bevelhebber die ze gezocht had.
Kapitein Bredon Jassil was een middeljarige man. Het haar op zijn hoofd was onlangs tekenen beginnen te vertonen van de grijsheid van de ouderdom, zijn mantel was een vreemde mengelmoes van uitgeveegde tinten grijs en goud en zijn wapenrusting was een aanzienlijke stap boven de armzalige maliënkolder en het donkere vest dat Seban Galbrin had gedragen.
Tara schoof haar zwaard geruisloos terug in de schede en liep met lichte stappen op hem af. Jassil leek geen enkele notie te nemen van haar aanwezigheid. Hij staarde maar, staarde naar de schaduwen in de landen die onder hen lagen, staarde met ogen die te veel kwaad hadden gezien. Tara draaide haar hoofd en zag waar de kapitein naar keek.
In de verte lag een grote open vlakte. Het was bedekt met een deken van gelig gras en werd op nagenoeg geen enkele plek onderbroken door bossen of struiken. Maar de vlakte werd wél onderbroken door talloze donkere gestaltes die door elkaar liepen als een kolonie mieren, in de greep gehouden door paniek en de draaikolk van chaos die hen omringde. De toren was mijlen verwijderd van de plek waar ze nu naar keek, maar toch kon Tara de paniek voelen. Ze kon het zweet en het bloed ruiken en kon alles duidelijk zien. Het waren soldaten. Een leger. Een leger was gekomen naar de gebieden rond Kainere, de meest afgelegen nederzetting in de meest vergeten uithoeken van een koninkrijk in het verre binnenland van de Federatie. En dat leger werd machteloos meegesleurd in een storm van duisternis en schaduwen, en onzichtbare schepselen trokken volledig geharnaste ridders van hun paarden en sleurden hen naar de grond, waar ze de angstige krijgers verslonden en versleurden. Paarden steigerden wild, stortten levenloos ter aarde en verpletterden kleurig geklede edelvrouwen en trillende klerken die helemaal vanuit het hof van Tintra waren gekomen om de veldslag bij te wonen. Afgebeten ledematen en uitgerukte ingewanden vlogen in het rond, en de doodsschreeuwen van honderden vulden de lucht, zelfs hier op de top van de wachttoren. Woedende bevelhebbers schreeuwden links en rechts bevelen in een poging hun manschappen nog enigszins bij elkaar te houden, maar de woorden gingen verloren tussen de kreten der stervenden.
En boven dat alles, boven die waas van zweet en bloed, was er een lach. Het was een uitzinnige, onmenselijke lach die kwaadaardiger was dan alles wat ze in haar korte leven gezien of gehoord had. Tara wendde haar blik met een ruk af van het slachtveld en keek kapitein Jassil aan. Maar die staarde slechts naar voren, de nacht in.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op di okt 10, 2017 12:08 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk III- deel II

di okt 10, 2017 12:04 pm

‘Het is de Schaduw,’ zei hij plotseling. Zijn stem was verrassend hard en stabiel voor een bevelhebber die zo overduidelijk kapot was van het verlies van zo veel manschappen. ‘De Schaduw is gekomen. Duan Mor is wedergekeerd om de wereld in zijn mantel van de eeuwige nacht te hullen.’
‘Onzin,’ antwoordde Tara vastberaden. ‘Duan Mor keert pas weder als de Cirkelen van Tijd ten einde komen. Hup, mee naar beneden. Je gaat me alles vertellen wat je weet.’ De bevelhebber wendde zijn blik eindelijk naar de persoon naast hem. Hij was even verrast om te zien dat die persoon in feite een meisje was dat meer dan veertig jaar jonger was dan hij, maar wist zich snel te herpakken met een beheersing die typisch was voor militairen als hij. Hij knikte haastig en beende weg richting het luik. De bevelhebber maakte een korte buiging en hield halt om Tara eerst te laten gaan, zoals een man behoort te doen, maar zij sloeg dat overbodige gebaar in de wind met een lichte maar veelzeggende frons. Jassil haalde zijn schouders op en daalde de krakende houten ladder af, op de voet gevolgd door de veel behendigere Tara.
Toen het luik goed en wel gesloten was, en de duisternis van de nacht en de schreeuwen van de stervenden buitengesloten waren, gingen de twee tegenover elkaar zitten in oude versleten stoelen. Bredon Jassil haalde diep adem en begon toen zijn verhaal, aangemoedigd door de vragende blik van de jonge huurmoordenares voor hem.
‘Goed. Ik zal, eh, beginnen bij het begin, vrouwe,’ zei hij met instabiele stem ‘Dit Kainere wordt al meer dan een jaar, eh, geterroriseerd, zal ik maar zeggen, en eerlijk gezegd hebben we geen idee waardoor. Ze zeggen dat er af en toe fluisteringen te horen zijn uit het woud dat daar ligt.’ Hij wees met een geharnaste vinger naar een donker gebied dat vanuit het raam te zien was in de verte. ‘Het is een schaduw die daar huist. Een onuitgesproken vrees. Ik ben hier nu, eens even zien… twee maanden, en ik heb het gezien. In het begin was het nog niet zo erg, dat zeggen ze, vrouwe. Er verdwenen twee, hooguit drie mensen per maand in de duisternis, misschien vanaf een jaar geleden of iets dergelijks. Maar het begon steeds erger te worden. Het, eh, monster nam meer en meer onschuldige dorpelingen mee, en die ongelukkigen, nou ja, die werden nooit meer gezien. De echte problemen kwamen toen…’ Jassil aarzelde. Hij slikte nerveus zijn woorden in en sloeg zijn ogen af van de jonge vrouw links van hem. Hij wist dat zij sterker was dan hij. Jassil had verstand van de strijd, en door die kennis kromp hij bijna in elkaar van de zenuwen- en terecht. Tara kantelde haar hoofd lichtjes en keek de kapitein met een stenen blik aan.
‘Ga verder.’
‘Het spijt me, vrouwe. Ik ben gewoon een beetje ontdaan door dit alles, kunt u zich voorstellen. Mijn mannen-’
‘Sethe ta!’ vloekte Tara in Tiyeru. ‘Bij Glarrics gekrulde baard, ik ben niet hier om naar gelul te luisteren over hoe bang we hier wel niet met z’n allen moeten zijn! Vertel me alles wat er gebeurd is in dit godsvervloekte rovershol, of ik snijd je keel door als een krijsend varkentje bij de slager. Arenvasta?’ Jassil kuchte ongemakkelijk in zijn geharnaste vuist. Hij was het niet gewend om op zo’n manier toegesproken te worden door een meisje van nog niet eens zeventien jaar, maar was in geen toestand om zich fatsoenlijk te verdedigen.
‘De echte problemen,’ vervolgde hij zijn verhaal, zich weer naar de uitgestrekte vlakte en het duistere bos in de verte wendend, ‘kwamen toen de dochter van de gouverneur verdween. Op een zonnige dag ging ze met acht vriendinnen naar een heuveltje op de vlaktes aan de rand van het bos. Zie je, de jonge Leruan Atyr was net getrouwd met een of andere welgestelde jongeman die helemaal uit Tandenivian- da’s de hoofdstad van Silas- was gekomen voor de hand van de gouverneursdochter. Nou, ze gingen dus op weg met een houten mandje en-’
‘Hoe oud was die Leruan?’ onderbrak Tara zonder enige schaamte. Jassil knipperde met zijn ogen en dacht een moment diep na, zocht de donkere holtes af van zijn geheugen, dat inmiddels zo vaag en verduisterd was als een moeras.
‘Ze leek… Ze leek ongeveer uw leeftijd, vrouwe.’
‘En hoeveel is dat?’ Haar interesse was lichtelijk gewekt, en ze kon niet voorkomen dat daar een hint van doorschemerde in haar stem. Jassil dacht een moment na.
‘Eens even zien… Negentien? Twintig misschien? In ieder geval niet jonger dan dat, vrouwe.’ In een moment van zwakte gaf Tara zich over aan de zachte lach die bij haar kwam opborrelen, en ze grinnikte. Al vanaf dat ze veertien was en voor het eerst de paleiszalen en zuilengangen van Gaelon bewandelde had iedereen haar al aangezien voor twee, drie jaar ouder. In zekere zin was het een voordeel.
‘Nu, vooruit met het verhaal,’ eiste ze toen ze haar gezicht wederom onleesbaar had gemaakt. ‘We hebben niet eeuwig de tijd. Jullie hele zielige legertje wordt nog weggevaagd als jij hier mijn tijd blijft verspillen.’
‘Natuurlijk. Ze gingen dus dansen en rollen in het gras en dat soort onzin dat jongelingen doen- niet beledigend bedoeld voor u natuurlijk. Maar de dag ging eerder over in de nacht dan dat ze verwacht hadden. De schaduwen fluisterden tegen het groepje vriendinnen, en ze…’ Hij slikte en moest zichtbaar moeite doen om verder te gaan. ‘Ze gingen het woud in. Leruan en haar vriendinnen waren een halve maand nergens te bekennen. Iedereen die in Kainere woonde en tijd te sparen had- praktisch het hele dorp dus- deed mee met de zoektocht. We hebben het hele gebied afgezocht, mijn manschappen en de dorpelingen, van de ene hoek naar de andere in een spanne van tientallen mijlen. Maar de enige plaats waar we niet durfden te gaan was…’
‘Het woud,’ zei Tara duister. Jassil knikte en keek nerveus naar de grond, zijn ogen machteloos neergeslagen. De eens zo krachtige bevelhebber bungelde op het randje van een diepe, duistere afgrond waar hij nooit meer uit zou kunnen ontsnappen als hij zijn evenwicht nu verloor.
‘Het duurde een volle twee weken voordat een van hen terugkeerde. Ondertussen zaten wij hier, in Kainere, bang voor het lot van Leruan en haar vrienden. Op een dag keerde ze terug.’
‘Wie keerde terug?’
‘Leruan. Het was een mooie dag, toen. Dat weet ik nog wel. Ik herinner me de warme omhelzing van de zonnestralen, het zachte gezang van de vogels en de vriendelijke aanraking van de wind- als je mijn plotselinge poëzie vergeeft. Maar dat alles vervaagde toen ze terugkeerde. Die arme Leruan kwam halfdood aanstrompelen, naakt en op alle plekken van haar lichaam gewond. Ze liet een lang spoor van bloed achter op weg naar de lokale geneesheer.’ Een pauze. Jassil sloot voor een moment zijn ogen en ademde diep in, luisterend naar de muziek van de stilte en de zachte bries die om de toren heen waaide. De wind was nooit hetzelfde, veranderde altijd. Iemand met de juiste aanleg en de juiste mentaliteit kon haar fluisteringen verstaan en haar verhalen begrijpen, zoals de grote koning Illian dat kon toen hij haar tot achter de horizon achtervolgde op zoek naar haar eeuwige liefde. Vandaag vertelde de wind geen fijne verhalen aan de bomen en de struiken, wist Tara.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”