Naamloos

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Naamloos

di mei 02, 2017 11:01 am

Even een woord vooraf.
Dit is een lang verhaal. 53.307 woorden om precies te zijn. Ik was bezig met het te plaatsen op OnlineVerhalen, maar aangezien die site het niet meer doet, plaats ik het nu hier. Het verhaal bevat redelijk wat expliciete content, dus wees gewaarschuwd. Naamloos is een fantasy-verhaal gemixt met een beetje horror. Persoonlijk ben ik niet helemaal tevreden over het verhaal, zeker in vergelijking met de korte verhalen die ik de laatste tijd op deze site plaats; maar dat betekent niet dat ik het niet meer wil laten lezen aan zij die dat graag willen. Ik verwacht dat het best een tijd zal duren voordat Naamloos er volledig op staat; ik ben van plan 1 tot 3 stukken per week te plaatsen.

Oké, genoeg gekletst. Op naar het verhaal.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op do okt 12, 2017 8:29 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Introductie

di mei 02, 2017 11:03 am

Er waren dagen dat zij studeerde aan de meest prestigieuze academies op het aanzicht van de wereld. Er waren dagen dat ze zichzelf verloor in de gevaarlijke bossen van Eclozar en de eindeloze librijen in de donkere gangen onder Stormrots. Er waren dagen dat zij magie leerde waarover er onder het volk enkel vage legendes de ronde gaan.
Die dagen zijn voorbij.
In een wrede knoop in het patroon van de eeuwigheid werd Tara alleen op een bootje gezet en overgelaten aan de genade van de Bevroren Zee. Alles dat ze kende, alles waar ze van hield, alles was weg voordat ze kon knipperen met haar ogen. Nu zwerft ze door de bossen en vlaktes van de vele koninkrijken van de Federatie van Talwan, gaand waar de fluisteringen van de wind en de muziek van de stilte haar naartoe wijzen, met enkel haar zwaard als metgezel. De slingerende Weg heeft haar inmiddels na vele omzwervingen gevoerd naar Kainere, een vergeten dorpje in de meest afgelegen hoek van het koninkrijk Tintra. Ze is van plan er slechts één nacht door te brengen, een tussenstop van de reis die haar uiteindelijk naar de glorieuze hoofdstad Cilen Taas zal voeren. Maar die plannen worden verijdeld als ze in het holst van de nacht dingen ziet die men nog nooit gezien heeft in deze delen van de wereld. Naamloze dingen fluisteren tegen de wind, en er hangen problemen in de lucht. En Tara is niet iemand die stilletjes bij het vuur zit terwijl de wereld om haar heen schudt op haar grondvesten.
De stilte is de hare. Dit is haar verhaal.  
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:04 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Proloog- deel I

di mei 02, 2017 11:05 am

Deze nacht ging helemaal niet zoals ze verwacht had.
In de duisternis van de fluisterende wouden, door de lange schaduwen geworpen door talloze verrotte bomen, liep een jonge vrouw. Haar haren waren zwart als de nachtelijke hemelen, haar gewaad was wit als sneeuw en haar jeugdige gezicht was bedekt met een deken van sproeten; maar in haar gifgroene ogen lagen angst en paniek verscholen. In haar glinsterende kleding viel de jonge Leruan Atyr, geboren in de kastelen van Santhagar en opgevoed in de zuilengangen van Tandenivian, min of meer uit de toon in dit angstaanjagende donkere woud.
‘Jongens?’ riep Leruan voorzichtig terwijl ze zich voorover boog om onder een scherpe tak door te kruipen. ‘Waar zijn jullie? Zijn jullie er?’ Ze zuchtte diep en vervloekte zichzelf om haar dwaasheid. Deze dag was bijna perfect geweest. Bijna. De bruiloft was een droom die uitkwam, met alle kleurrijke versieringen aan het plafond, de heerlijke hapjes en drankjes op de tafels goed verzorgd door de beste kokken uit Akanif, de tientallen edelen die haar vriendelijk aan hadden gekeken en gefeliciteerd hadden met haar kersverse echtgenoot. Maar dat alles was in het water gevallen toen de fluisteringen kwamen. Leruan rilde. Ze herinnerde zich nog goed de ijzigheid van de stem, de onweerstaanbare neiging alles achter te laten en hulpeloos naar de bosrand te gaan. Niemand had het kunnen weerstaan. Niemand. Zelfs haar beschermer Corenne had haar niet gewaarschuwd voor het kwaad dat op de loer lag. Leruan voelde talloze paren ogen vanuit de schaduwen naar haar kijken, voelde dat elke stap die ze zette nauwkeurig in de gaten werd gehouden door een naamloze vrees.
Ze baande zich een weg door het struikgewas. Een kroon van vele doornen rustte op de bladeren, waardoor de verwarde reiziger meerdere keren een scherp voorwerp in haar ontblote onderbenen voelde steken. Toen ze eenmaal uit de rotzooi was gestapt, probeerde ze met een onvrouwelijke snauw het vuil van haar eens sneeuwwitte gewaad te vegen, maar was onsuccesvol. Naar een verzorgd uiterlijk, verplicht voor elke half fatsoenlijke edelvrouwe van hier tot Taratora, kon ze bij haar terugkeer naar Kainere wel fluiten.
Leruan hield enkele momenten halt om op de rand van een diepe greppel te gaan zitten. Onder haar leken de overblijfselen van een oude weg te liggen, de stenen lang bedekt met mos en de littekens van ouderdom; maar ze besteedde nauwelijks aandacht aan de herinneringen van tijden lang vervlogen. In plaats daarvan staarde ze omhoog, naar de nachtelijke hemel. Die was een egale deken van zwart, een dieper zwart dan dat je in andere delen van de wereld zou vinden na zonsondergang. De dode bomen en hun talloze vertakkingen tekenden zich scherp af tegen de lucht, waar geen enkele ster aan te bekennen was. De maan keek neer op de landen onder haar, bleek tegen de duisternis van de nacht, en grijnsde naar de verdwaalde en misplaatste edelvrouwe.
Leruan stond met aanzienlijke moeite op van haar toch wel comfortabele zitplaats, bang en trillend als een kind. Langzaam maar zeker begon ze haar weg door het woud te vervolgen. Ze had geen idee welke richting ze op ging. Alles leek hier op elkaar, iedere boom en iedere struik; tot overmaat van de ramp stonden de leidende sterren van de Zeven Jagers niet aan de hemel deze nacht. Ze vermoedde dat ze naar het zuiden moest reizen om terug te keren naar de bewoonde wereld, maar wist niet hoe ver noordelijk ze inmiddels al in het woud was doorgedrongen. Leruan Atyr strompelde tussen de afgestorven bomen met hun donkere hout, klom over heuveltjes en vond rust in kleine dalen, dronk af en toe bij gebrek aan een beter alternatief enkele slokken uit een plas donker water. Dit woud gaf haar de kriebels. Op sommige plekken leek het wel te leven en te veranderen, en soms merkte ze tot haar afschuw dat ze weer aangekomen was bij precies dezelfde kuil als zojuist. Hoe verder ze doordrong in deze kwaadaardige bossen, hoe dichter de bomen op elkaar leken te staan en hoe vager het pad werd. Leruan was er zeker van dat er iets in de schaduwen huisde en haar nauwlettend in de gaten hield, verborgen van de ogen der wereld in een vergeten en verlaten plek als deze. Enkele keren draaide ze zich met een ruk naar achteren, ervan overtuigd dat er nu écht een monster de struiken uit was gesprongen. Maar geen van die keren kreeg ze gelijk. Het enige leven dat ze hier zag, waren de krijsende raven en stilletjes door de boomtoppen vliegende uilen op jacht naar een prooi.
Leruans adem stokte in haar keel toen er in de verte achter haar een ijzingwekkend geluid klonk. Een troep oude grijze wolven huilde klagend tegen de bleke maan, staande op een donkere rots en uitkijkend over het donkere woud. Vervolgens klonk hetzelfde kabaal nog eens; maar nu leek het vele malen dichterbij, alsof het kwam uit de bomen op nog geen steenworp afstand van waar een jonge vrouw trillend stond te luisteren.
Leruan begon voluit te sprinten toen er een verdachte ritseling in de struiken klonk.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:04 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Proloog- deel II

di mei 02, 2017 11:08 am

Als een bliksemschicht zo snel doorkruiste ze het ongelijke landschap van het woud. Ze had geen idee meer welke kant ze op liep. Het enige dat nu nog belangrijk was, was te blijven bewegen. Anders zou ze vast en zeker verscheurd worden door de uitzinnige wolven die haar op de hielen zaten en in elke kuil en achter iedere boomstam op de loer konden liggen. Ze ging slechts daar waar de fluisteringen van de wind haar naartoe leidden, hopend dat ze zou kunnen ontsnappen aan het kwaad. De donkere stammen van de lang gestorven bomen, de bosjes struiken ritselend in de koude wind, het gekrijs van de overvliegende kraaien met hun vleugels van de nacht, de eeuwige grijns van de maan hoog aan de hemel: alles ging over in een waas van angst en paniek. Sneller, sneller, alsmaar sneller rende ze, over golvende heuvels en door natte rivierdalen, vluchtend van de wolven die niets van haar over zouden laten.
Een ongemerkt verschenen overblijfsel van een eens machtige woudreus maakte ruw een einde aan de achtervolging. Leruan bleef steken achter de onhandig geplaatste boomstronk, struikelde naar voren en vloog op bijzonder onnozele wijze door de lucht. Ze viel door bladerloos oud struikgewas, hoorde de stof van haar prachtige witte gewaad gescheurd worden door de uitstekende takken en kwam onzacht terecht in een vreemde uitstulping in het landschap.
De jonge edelvrouwe spuwde onvrouwelijk een hoop zand uit en krabbelde op. Met haar beide handen ter hoogte van haar rug en haar benen dicht bij haar borst bleef ze op de grond zitten, snikkend en met een gezicht vuiler dan dat van een mijnwerker. Ze voelde aan haar blote rechtervoet, maar trok zich onmiddellijk weer terug toen een vreselijke pijnscheut op die aanraking volgde. Geweldig. Nu moest ze- naast de vreselijke monsters die overal op de loer konden liggen- kampen met een gebroken voet. Tot haar spijt moest ze ook nog eens vaststellen dat haar gewaad op meerdere plekken nog verder gescheurd was, waardoor sommige delen van haar lichaam ontbloot werden die ze liever bedekt had willen houden. Er was nu echter niets aan te doen, besefte ze. In dit kwaadaardige woud waren er geen eindeloze kasten gevuld met kleding in iedere kleur en met ieder ontwerp dat ze zou kunnen wensen. Hier waren er geen dienaars om haar te assisteren bij elke misstap die ze zette. Haar vrienden was ze kwijt, het verstand zo kenmerkend voor haar adel had ze verloren. En ze was alleen. Niemand zou een helpende hand uitsteken in deze schaduwen.
‘Help!’ schreeuwde ze vanuit de diepste diepten van haar hart. ‘Jongens? Tallia? Corenne? Waar zijn jullie?’ Haar trillende stem klonk door tot ver in de duisternis van het woud, maar ging verloren voor elke sterveling in een spanne van mijlen en mijlen. Leruan bleef liggen, de koude rillingen reizend door heel haar lichaam. Enkele malen probeerde ze zich met een uitzonderlijke krachtinspanning overeind te hijsen, maar iedere keer viel ze weer onderuit omdat haar pijnlijke voet het vertikte haar gewicht te dragen. Een traan vormde zich in haar ogen groen als gif, spoedig gevolgd door een luide snik en een vloedgolf van veel meer tranen. Leruan Atyr sloeg haar armen om haar benen en maakte zichzelf klein.
En toen huilde ze.
Ze keek pas op toen ze het verdachte geritsel in de struiken weer hoorde. In haar angst en paniek was het haar nauwelijks opgevallen dat de gehele omgeving stilgevallen leek te zijn nadat zij zich overgegeven had aan de koude omhelzing van de aarde, had niet gemerkt dat de raven niet langer kraaiden en de wind nog enkel waaide. Leruan verkleinde haar ogen tot kleine spleetjes en keek naar het struikgewas. Er waaide slechts een bescheiden briesje door de boomtoppen deze nacht, maar het gebladerte voor haar leek tegen de wind in te gaan, leek anders heen en weer te bewegen dan dat het zou moeten. Ze draaide haar hoofd met een ruk naar rechts toen ook daar het struikgewas zich vreemd begon te gedragen. En toen links van haar, en toen achter haar. Leruan bevroor en hield haar adem in. Ze was omsingeld. Dit was het einde. Een deel van een wolvenvacht, donker als de nacht maar met enkele haren bleek als de maan, flitste tussen de bladeren. Er was een snauw. Een grom. Geritsel.
Met een schreeuw rolde Leruan naar links. De plotselinge beweging wist haar dierlijke belager zodanig te verwarren dat hij langs haar heen schoot en zijn prooi op minder dan een duimbreed afstand miste. Eén angstaanjagend moment lang zag Leruan tientallen tanden glinsteren in het maanlicht, scherper dan een mes en gladder dan ijs; toen schoot de bek met een snauw dicht en kwam de enorme wolf enkele stappen achter haar in de struiken terecht. Leruan twijfelde geen moment en dook weg van de plaats waar de wolf zich had verscholen. Met grote moeite wist ze overeind te komen, waarna ze het op een lopen zette zoals ze nog nooit in haar leven had gedaan. Haar gebroken voet protesteerde hevig tegen de sprint waarin de in het wit geklede edelvrouwe plotseling uitbarstte, de rest van de wolven achtervolgden haar in volle vaart en op slechts enkele kleine stappen afstand, en overal op haar pad lagen versperringen neergelegd door de natuur; maar Leruan hield niet in. Ze keek niet om naar het gevaar dat achter haar door de schaduwen rende en haar zou verscheuren als ze niet oplette. Leruan rende en rende, en besteedde er geen aandacht aan het feit dat ze haar gewaad nog verder scheurde en haar huid nog vuiler maakte.
En zo merkte ze het niet op toen de achtervolging zijn einde naderde en een grote klif in de verte opdoemde. Leruan rende door, enkel gericht op de wolven achter haar en op het ontsnappen aan hun vlijmscherpe klauwen. Na een tijd besefte ze eindelijk dat ze in haar dwaasheid en concentratie in volle vaart recht op een klif af aan het sprinten was. Ze probeerde abrupt haar blote voeten in het zand en het gras te zetten om enkele stappen voor de klif tot stilstand te kunnen komen; maar het was al te laat. Met een ijzige kreet stortte ze de diepe duistere afgrond in. Vaag hoorde ze de wolven achter haar klagend huilen tegen de maan. Toen was er niets meer.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:05 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Proloog- deel III

di mei 02, 2017 11:09 am

Leruan…
Kom naar ons, Leruan…

De fluisteringen… Daar waren ze weer…
Bevrijding wacht op je…
Bevrijding aan het einde van het pad…

Ze wilde niet… wilde niet toegeven aan de woorden…
Kom naar ons, Leruan…
Omhels de duisternis…

Nee!
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:05 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Proloog- deel IV

di mei 02, 2017 11:09 am

Toen ze eindelijk ontwaakte, merkte Leruan dat ze plat op haar buik in nat gras was komen te liggen. Ze wist niet hoe lang ze bewusteloos was geweest in de duisternis van het woud, maar dwong zichzelf er niet te lang over na te denken. Ze stond zonder veel moeite op, vreemd genoeg niet langer gehinderd door haar bezeerde voet, en bekeek de schade. Haar eens zo prachtige gewaad, speciaal geweven door de beste kledingmakers uit het verre Kasta, was bedekt met scheuren en een dikke, dikke laag vuil. Leruan kon niet zeggen dat ze er tevreden mee was, maar op het moment kon ze er weinig aan doen. Ze maakte een nonchalante beweging en nam de omgeving zo goed als ze kon in zich op.
De angst keerde terug in haar hart en in haar verstand toen ze zich opnieuw realiseerde waar ze zich bevond. Het woud, het fluisterende woud op alle plaatsen doordrongen van een naamloos kwaad. De dode bomen wezen als priemende vingers op een verlaten kerkhof naar de hemelen; pikzwarte raven zetelden als koningen op dunne takken. De maan stond nog immer aan de hemel, maar probeerde zich te verstoppen achter de bladeren in de boomtoppen alsof ze verlegen was zich aan de aarde te tonen. Leruan rilde. Het was donker om haar heen. Enkel schaduwen omringden haar, en een eindeloze zee van duisternis strekte zich voor haar uit en hield pas op aan het einde van het pad. Maar in die oceaan was één klein lichtpuntje, een warme gloed die zich verlegen tussen de schaduwen ophield. Leruan knipperde en staarde naar voren. Daar leek een vuur te zijn, een vuur dat brandde met een vriendelijk en uitnodigend licht. Een kampvuur, wellicht? Waar vuur was, waren mensen, mensen die haar konden helpen te ontsnappen uit deze gevangenis! Een brede glimlach verscheen op haar vuile gezicht terwijl ze zich onhandig door het struikgewas en over de heuvels haastte, blind afgaand op de warme gloed en het vriendelijke licht in de verte.
Toen ze zich in een bijzonder dicht struikgewas bevond, kon ze de warmte voelen overal op haar blote huid. Ze sloot haar ogen. De warmte omringde haar, vervulde haar van een heerlijk gevoel zoals ze nog nooit gevoeld had. Ze kon haar gedachten enkel nog richten op het vuur. Beroofd van alle verstand liet ze de stof voor haar bovenlichaam op de grond vallen, trok de rest van haar toch al verscheurde gewaad van haar lijf en gaf zich over aan de warmte. Terwijl ze liep, onbedekt in de duisternis van de nacht, haar ogen nog steeds gesloten en ondergedompeld in een wereld die enkel de hare was, voelde ze de gloed steeds warmer worden, voelde ze het vuur steeds dichter bij haar komen; en het voelde alsof ze vanuit de vriezende koude van de eindeloze ruimte naar het brandende oppervlak van de zon liep, naar de heerlijke en verschrikkelijke omhelzing van een oude geliefde; maar ze zette door, nog immer met een brede glimlach op haar met sproeten bedekte gezicht, steeds verder naar het reinigende licht dat alle vuiligheid en alle duisternis van haar lichaam zou spoelen in zijn brandende glorie…

Twee weken later keerde ze terug, naakt en met het bleke gezicht van de dood verscholen in haar ogen groen als gif.

*einde van Proloog*
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:05 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Naamloos

za mei 13, 2017 8:42 am

Spannend begin van je verhaal. Je beschrijvingen zijn weer als vanouds mooi. Vooral dat woud heb je goed uitgewerkt; genoeg om een duidelijk beeld te vormen, maar met ruimte voor eigen interpretatie.

Ik geloof dat ik dit ietwat prettiger vind lezen dan de korte verhalen die ik van je heb gelezen, waaruit we uit het hoofd van iemand de wereld om hen heen ontdekken. Misschien omdat dit makkelijker/duidelijker te volgen is? Ik kan je helaas niet zeggen wat je aan dit stuk kunt verbeteren (gezien je intro dat je over het geheel nog niet tevreden bent).

Ga zo door! Ben benieuwd hoe het verder gaat (:
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk I- deel I

za mei 13, 2017 11:25 am

Een kabaal als een brullende draak rolde door de lucht en rukte enkele mijlen verderop een jonge vrouw uit haar met nachtmerries gevulde slaap. Een stille storm hield de landen in zijn greep. Donkere wolken rukten op en verduisterden de hemelen.
Tara schoot omhoog, haar gespierde naakte lichaam zwetend en bedekt met het vuil van gisteren. Ze draaide haar hoofd met een ruk naar rechts, waar een klein raam aan de grens van de smalle straat het bleke maanlicht binnenliet. Het kabaal was verdwenen. Het was even snel verdwenen als het was gekomen en het haar had ontwaakt. Er hing nu enkel nog een vreemde gloed in de lucht, een gloed die van alle kleuren was en van geen; maar die trok zich spoedig weer terug naar de landen achter de horizon. De wind vertelde verhalen aan de ritselende struiken en liet de doodsschreeuwen van honderden rijden door de nachtelijke straten van Kainere. Tara fronste lichtjes. Naamloze dingen fluisterden tegen de wind, en er hingen problemen in de lucht. Ze kon het ruiken.
Ze gooide de zachte dekens aan de kant en stond op met een sierlijke beweging van haar lange benen. Een ijzig briesje waaide door de kamer, toegelaten door het zachtjes klepperende raam aan de straatkant; maar ondanks dat en haar onbetwistbare naaktheid rilde ze niet. Haar kamer werd verlicht door het licht van de immer grijnzende maan die deze nacht weer aan de hemel stond. Tara had de maan altijd al een vreemd iets gevonden.
Bij de spiegel bleef ze staan en nam zichzelf zorgvuldig in zich op. Sommigen zouden haar jong en zwak genoemd hebben als ze zouden zien wat zij nu zag. Aan de ene kant zouden ze gelijk hebben. Ze was jong. De dagen dat haar ouders haar precieze leeftijd bijhielden had ze allang achter zich gelaten, maar ze wist dat het nu ongeveer zeven maanden sinds haar zestiende verjaardag was. Twee maanden sinds de dag dat ze werd verbannen uit Stormrots voor het verslaan van de meesters in een glorieus duel. En één maand sinds de sneeuwstormen in de Passen van Naryae en haar eerste stappen op Talwanese grond. Ja, ze was jong. Maar ze was niet zwak. In feite was ze verre van zwak. Dat was de fout die de dwazen maakten waarmee deze wereld gevuld was, een fout die de dood van velen had betekend. In de strijd was zij het tienvoudige waard van een volledig opgeleide en geheel gepantserde ridder met een gehard strijdros en een zwaard van haar eigen lengte. Ze zou honderd woedende boeren in de as kunnen leggen met één beweging van haar hand, en een meditatie van een minuut zou genoeg zijn om een heel dorp met de grond gelijk te maken.
Maar ze was wijzer dan dat. Geschorst worden van Stormrots betekende niet alleen dat ze nimmer meer terug mocht keren naar de eindeloze gangen en donkere librijen van de Drie Academies. Het betekende ook dat ze de magie die ze had geleerd van de beste tovenaars en tovenaressen die de wereld kende, nooit meer mocht gebruiken. Anders… Ze deed haar best zichzelf niet te vaak te herinneren aan de gevolgen. Een vuurstorm die de grootte had van wat zij in huis had, zou in een spanne van duizenden mijlen gevoeld worden door elke half fatsoenlijk opgeleide tovenares. Voor de Meesters aan Stormrots zou het zijn als honderd brandende zwaarden die plotseling en zonder genade in hun verrotte harten werden gestoken, terwijl ze lesgaven of hun pietluttige onderzoek deden in de duistere gangen van de ondergrondse archieven. Het was niet dat ze hen dat niet toewenste. Nee, integendeel. Het liefste zou ze die idiote Hoge Meesters duizend keer doden, een vreugdedansje doen op hun graf en afreizen naar de gouden vestingen in de hemelen om genadige Glarric glimlachend te vertellen welke vreselijke dingen ze met hen gedaan had. Maar dat moest wachten voor op andere dag. Haar wraak zou ooit komen. Ooit.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:06 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk I- deel II

za mei 13, 2017 11:26 am

Kritisch bekeek Tara zichzelf in de ruwe spiegel die een groot deel van de wand in beslag nam. Ze zuchtte. Ze was vuil. Haar enigszins getinte huid was meestal bedekt met een op sommige plaatsen opgebroken deken van sproeten, maar nu was er slechts een laag modder en stof op haar lijf. Ze had gisteren niet meer de moeite genomen een bad te nemen, want ze had elk moment slaap dat ze kon krijgen hard nodig. Tara was smal gebouwd, had lange lenige benen en bezat na vele jaren oefenen een berg spieren waar een smidszoon nog van zou dromen. Haar schouders waren breed, de lijnen van haar gezicht waren uitgesproken en haar donkerbruine haren vielen losjes tot even onder haar nek. Een dwaas man had haar ooit verteld dat ze het uiterlijk had van een edelvrouwe. Ze had meteen en zonder na te denken zijn arm gebroken en hem huilend om zijn moeder achtergelaten in zijn vertrekken. Ze zag er niet uit als een edelvrouwe. Haar lichaam was een en al kracht, een en al spieren. Het diende slechts één praktisch nut, en toch werden mannen erdoor aangetrokken zoals gieren worden aangetrokken door een rottend karkas in een droge woestijn. Alleen waren de gieren hoogopgeleide edelen of zelfs prinsen, was het rottend karkas een jonge vrouw die hen tien keer zou kunnen verslaan in een duel van enkele momenten, en was de woestijn een zuilengang in Gaelon waar de koning in Cilen Taas nog een puntje aan kon zuigen. Mannen waren dwazen. Tara kon beter voor zichzelf zorgen dan de meeste mannen dat konden. Zij had geen man nodig om haar te beschermen, geen ridder op een sneeuwwit paard om haar te redden van een vuurspuwende draak zoals in de Canata Mus. Zij was de ridder. En zij was de draak. Mannen wilden dat nog wel eens vergeten wanneer zij haar probeerden op te eisen zoals een dronken havenarbeider een goedkope hoer opeist op een nacht zonder maan of sterren. Tara had aan den lijve ondervonden dat je met enkel een lief gezichtje en een mooi paar borsten nergens kon komen in deze genadeloze wereld.
Haar zwaard was scherp.
Haar verstand was scherper.
Met een blik die harder was dan de hardste steen en kouder dan het koudste staal liep Tara naar het raam, de deur naar de nacht. Deze herberg grensde aan de straat en was gelegen in het deel van Kainere dat gebouwd was op een vreemde uitstulping in het landschap. Haar kamer bevond zich op de bovenste verdieping van dit smalle gebouw. Toen ze zich voorover boog en haar hoofd onderdompelde in de koude lucht, strekte het gehele dorp zich voor haar uit, badend in het bleke licht van de eeuwig grijnzende maan. Op dit nachtelijke uur was er bitter weinig te doen in deze omgeving. Dat ging tot haar spijt ook op voor de uren waarop de zon haar stralen over deze landen wierp.
Kainere was een klein, ingeslapen boerendorpje in de vergeten noordelijke uithoeken van het koninkrijk Tintra. Het was geenszins een grote nederzetting. Integendeel, het was eerder een mengelmoes van verdwaalde boerderijen die toevallig naar elkaar toegegroeid waren, vergezeld door enkele tientallen kleinere huizen en winkeltjes. Als het kasteel van de gouverneur van dit gebied niet even ten westen in Santhagar had gelegen, had het vermoedelijk niet eens bestaan. Het werd voornamelijk omringd door bossen, af en toe opgebroken door een open veld of een slingerende rivier. Voor Tara was het slechts een tussenstop van de reis die haar uiteindelijk naar de hoofdstad Cilen Taas zou voeren, waar ze haar ervaring met de Karna en haar vaardigheden met haar zwaard zou kunnen gebruiken om schatkamers vol goud te verdienen. Ze zou hier misschien één dag doorbrengen, hooguit twee. Tara had een hekel aan vertragingen.
Op haar dooie gemakje wandelde ze in de richting van een gammele houten stoel. Haar kleding had ze de vorige avond met een nonchalante beweging over die stoel gegooid. Nu pakte ze haar kleren op en kleedde ze zich langzaam aan. Het maanlicht viel haar kamer in, de wind huilde door de gehele herberg en gedempte schreeuwen en geluiden die leken op donderklappen klonken in de verte. Maar ze besteedde er geen aandacht aan. Kalmte was de hare. Rust was de hare. De stilte was de hare. Hoewel er deze dagen bijna geen plekken meer te vinden waren op deze aarde waar geen zacht geroezemoes of verlegen gefluister van de wind te horen was, werd zij altijd omringd door een vreemdsoortige stilte, een stilte die niet lag in de afwezigheid van dingen. Tara was spaarzaam met haar woorden. Ze gebruikte ze enkel als het strikt nodig was. De stilte omringde haar, en zij dompelde zich erin onder. Het was de enige metgezel die eeuwig was, de enige reisgenoot waarop ze altijd kon vertrouwen.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:06 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Hoofdstuk I- deel III

za mei 13, 2017 11:26 am

Haar kleding was simpel maar effectief, zoals zij ook simpel maar effectief was in alles dat ze deed. De broek die ze in een havenstad in noordelijk Calentassa had gekregen was gemaakt van ruw, donker leer dat strak om haar lange benen zat. Ze stapte met een sierlijke beweging de pijpen in en wist het met moeite helemaal omhoog te krijgen. Ze trok een enigszins beschermende trui om haar bovenlichaam, deed de rits van een leren vest dicht en trok de vele riemen overal op het vest stevig aan. Als laatste deed ze haar donkerbruine haar in een simpele staart achter het hoofd. Ze observeerde zichzelf kritisch in de spiegel. Ze was al meerdere malen vanaf een afstand aangezien voor een man, maar van dichtbij maakte de uitgesproken vorm van haar heupen en borsten het tegenovergestelde meer dan duidelijk. De helft van de mannen was zo uit het veld geslagen van die ontdekking dat het gevecht in enkele korte momenten afgelopen was. De andere helft was zo gecharmeerd van haar dat ze onmiddellijk knielden om haar hand te kussen en indruk op haar probeerden te maken. In dat geval was het gevecht in enkele nog kortere momenten afgelopen.
Tara besloot dat ze nu al wel lang genoeg getreuzeld had. Buiten klonken angstige schreeuwen en ijzige doodskreten, meegevoerd door de altijd veranderende wind. Ze wist dat er een eind verderop een bloedig gevecht gaande was. Door de jaren heen had ze het geluid van een stervende man vele malen gehoord. Nu was ze eraan gewend geraakt, evenzeer als dat ze gewend was geraakt aan het aanzicht van opengereten ingewanden en de geur van brandend haar. Enkel wat wanhopige kreten in de verte waren echter niet genoeg om haar op zo’n uur uit haar bed te krijgen. Ze herkende problemen als ze die zag. En Tara was niet iemand die zwakjes bij het warme haardvuur zat terwijl de wereld trilde op zijn grondvesten en om haar heen instortte, zoals haar dwaze ouders dat wel deden. Al vanaf de dag dat ze haar thuis in Maracuse verlaten had, was afgereisd naar de Oostlanden en voor het eerst een blik had geworpen op de zalen en gangen van Gaelon, had ze geweten dat zij de schaduw zou verbannen waar die zich ook voordeed. Het was wel het minste wat ze kon doen voor de wereld die haar het leven gegeven had.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo mei 21, 2017 8:06 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “Fantasie”