Schimmenjager (deel 1)

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:01 pm

Het kind had haar duim in haar mond gestoken en lag tegen haar moeder aangedrukt, met haar vrije hand hield ze een versleten knuffel vast. Net als haar ouders had ze kastanjebruin haar, in twee vlechtjes samengebonden.
Het enige wat het vredige tafereel doorbrak, waren de bloedrode vlekken op de lakens en de donkere plassen op de grond.
Enigszins opgelucht constateerde ik dat er ook deze keer geen tekenen van foltering te vinden waren. Het was Schimmenjager klaarblijkelijk enkel en alleen om het moorden te doen. Op zijn minst was hen een snelle dood gegund.
Ik sloot de deur weer en bestudeerde de poort, niet zo heel ver van de hut. Het leek me sterk dat de dorpelingen wachtposten hadden gezet, dus waarschijnlijk was Schimmenjager simpelweg door de poort binnengewandeld.
Zwijgend vervolgde ik mijn zoektocht, snel de eerste paar hutten controlerend. Ik probeerde niet te veel aandacht te besteden aan de vermoorde dorpelingen, me zoveel mogelijk op mijn taak concentrerend, maar de doden lieten zich niet zo gemakkelijk negeren. Mijn blik werd als vanzelf naar het donkerrode bloed gezogen; bloed van kinderen, volwassenen en ouderen, dat zich met elkaar vermengd had en zijn kleur in mijn herinneringen grifte. Het was absoluut niet de eerste keer dat ik met de dood in aanraking kwam - als Ordekrijger werd je er geregeld met geconfronteerd -, maar het was de eerste keer dat zijn klauwen zulke diepe wonden achterlieten. Ik had kameraden verloren aan demonen, en al stemde hun heengaan mij verdrietig, ik kon het accepteren. Zij hadden gevochten voor hun leven en dat van anderen, zij wisten wat er gebeurde en wie hun tegenstander was.
De mensen uit dit dorp niet. Zij hadden helemaal niets geweten, anders dan dat er weer een nacht zoals alle andere zou voorbijgaan. Totdat Schimmenjager als een geest door Ralork waarde, onhoorbaar en onzichtbaar, en een eind aan hun leven had gemaakt.
Ik had het plein bijna bereikt toen ik de eerste echo’s vond, juist boven de grond. Een nevelachtig spoor startte halverwege de straat en verdween door het raam van de eerstvolgende hut. Met enige tegenzin opende ik de deur en stapte het huis binnen, me bukkend om me niet aan de lage deurlijst te stoten. Een man zat met zijn rug naar het raam toe op een stoel, zijn wang rustte op het tafelblad voor hem, een bijna lege kroes zwaar bier in de hand. Verschillende kruiken stonden of lagen op en naast de tafel, de meesten tot de laatste druppel leeggedronken. Zoals de man nu lag - zijn hoofd op de tafel, zijn vingers om zijn geliefde drank geklemd, zijn gezicht van mij af gewend - leek het alsof hij zijn roes lag uit te slapen. Ik was er echter van overtuigd dat de donkere vlek waar hij met zijn hoofd en arm in lag geen alcohol was.
Misselijk door de intense dranklucht liep ik verder en wierp een snelle blik op zijn gezicht. Gebroken ogen staarden nietsziend naar de muur tegenover hem, hij was wakker geweest op het moment dat hij werd vermoord. De vervagende echo’s van demonenmagie liepen van het raam tot net achter zijn stoel en ik vermoedde dat de bezwering die Schimmenjager had gebruikt ervoor had gezorgd dat hij zich geluidloos kon verplaatsen. Deze dronken man had zelfs niet gemerkt dat zijn keel werd doorgesneden, zo stil en snel had de demon zich door het huis bewogen. Al kon de benevelde toestand van zijn prooi daar ook in hebben meegespeeld.
Achter een houten wand die het huis opdeelde, vond ik een tweede slachtoffer. Een broodmagere vrouw lag opgekruld op een strozak, in een grauw laken gewikkeld. De helderrode vlek op haar rug duidde aan waar Schimmenjager zijn dolk in haar tengere lichaam had gestoken, haar levensdraad doorsnijdend.
Ik leunde met mijn rug tegen de muur en beet op mijn lip terwijl ik wezenloos naar buiten keek. De doodse stilte in het dorp, de vermoorde mensen die leken te slapen, de spookachtige gloed die Schimmenjagers bezweringen achterlieten: het schepte de angstaanjagende onwerkelijkheid van een extreem realistische nachtmerrie. Straks zal ik snakkend naar adem wakker worden naast een half gedoofd kampvuur, midden in het bos, en Sven zal me bezorgd aankijken. Ik zal hem – en vooral mijzelf - geruststellen, me omdraaien en de volgende dag grinniken om de absurditeit van mijn nachtmerrie.
Bitter lachend zette ik me tegen de wand af en stapte de straat weer op. Hier ging de samengedrukte aarde van de weg over in los grind, en al voelde ik hoe de steentjes verschoven onder mijn zolen, ik hoorde geen enkel geluid. In de laatste twee huizen aan deze kant van het plein trof ik telkens in hun slaap vermoorde mensen aan. Schimmenjager had deze hutten bezocht vóór het oproepen van de Sluier.
Ik stond opnieuw op het plein en draaide langzaam om mijn as. De kern van de twee bezweringen lag duidelijk in het met belletjes versierde huis, de lucht met een zinderend waas vullend.
De zon was ondertussen niet meer dan een lichtgevend streepje aan de horizon, en de invallende nacht zorgde ervoor dat het dorp nog onheilspellender overkwam. Hoe langer je naar het spel van licht en schaduw keek, hoe meer het leek alsof donkere schimmen zich om huizen en voorwerpen heen wikkelden en Ralork in absolute duisternis drenkte. De schaduwen voerden oorlog tegen de laatste flauwe zonnestralen, strijdend om de heerschappij over het dodendorp, een gevecht dat ze zeker zouden winnen met het verdwijnen van het laatste zonlicht.
Het huis met de klokjes sloeg ik over, de echo’s die zich daar bevonden zouden niet anders zijn dan diegenen die ik al eerder had gezien. Ik liep meteen door naar één van de hutten aan de andere kant van het pleintje, waar de mensen pas na de Sluier waren gedood. Weer zag ik de vage sporen in de lucht in de buurt van de huizen, groter dan de echo’s die ik rond het onderkomen van de dronken man had opgemerkt. Schimmenjager had duidelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de dorpelingen van de Enka waren wakker geworden en had voorzorgen genomen.
De hut had niet eens een houten deur, maar het deurgat was afgedekt met een stevig zeildoek dat men met diverse tinten bruin en rood had beschilderd. Met mijn hand het doek opzij drukkend stapte ik de kamer binnen en bleef haast meteen als bevroren staan. Het canvas viel terug en een seconde lang werd de ruimte in duisternis gehuld. Mijn ogen pasten zich snel aan en toonden me waar ik daarnet al een flits van had gezien.
Een al wat oudere vrouw lag in een hoek op de grond, een moeder met haar zoon, hun gezichten vertrokken van angst, waren bij de tafel ineengezakt. Een bruinharige man lag op zijn rug op de grond, voor mijn voeten, op zijn gezicht stonden vooral verbazing en ongeloof.
En overal was bloed. In deze kleine kamer leek het alsof de plassen rond de lijken steeds verder waren open gevloeid, in een grimmige vastberadenheid elkaar te bereiken en de volledige vloer met een rood tapijt te bedekken. Het schemerduister in de woning speelde in op die illusie en vulde de plaatsen waar het rode vocht niet was geraakt.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:01 pm

Ik slikte, haalde beverig adem en zette enkele passen voorwaarts, zorgvuldig om de man heen lopend. In stilte probeerde ik te reconstrueren wat er zich had afgespeeld. Mijn ogen gleden naar de man die languit op zijn rug voor het deurgat lag.
Nadat Schimmenjager de Sluier had geplaatst was deze familie, die vrij dicht bij de kern van de Enka lag, wakker geworden. De man had op het punt gestaan om naar buiten te gaan en had op het moment dat hij het zeildoek opzij schoof een dolk in zijn borst gekregen. Misschien had Schimmenjager hem geduwd bij het binnenkomen, maar de man was achterover gevallen en had de anderen doen opschrikken. De oudste van de drie was vrijwel meteen gestorven, afgemaakt door een vlaag magie. Wat de moeder en haar zoon in de tussentijd hadden gezien – of net niet hadden gezien – kon niemand vertellen. Beiden waren door een snelle zwaardslag geveld.
Het flauwe glinsteren van de lucht boven de grootmoeder deed me dichterbij komen, en met mijn ogen volgde ik de fijne, geconcentreerde streep die de demonenmagie had getrokken. Als ze rechtop had gestaan toen de demon het huisje binnendrong, zou de bezwering haar hoofd hebben getroffen, als een onzichtbaar mes werkend.
Schimmenjager was behoorlijk handig met zijn kracht als hij het in zo een klein punt kon bundelen.
Vermoeid verliet ik de donkere ruimte, leunde buiten tegen de afbrokkelende lemen muur en liet mijn blik nogmaals over het dorp glijden. Het huilen van de wind wanneer die boom, rots en huis geselend met zijn ijskoude adem; het grommen van een roofdier, onzichtbaar door het dichte struikgewas; het krijsen van een demon in de verte; allemaal waren ze in staat je ter plekke te verlammen met een panische angst. Toch was niets te vergelijken met de sluipende beklemming die Ralork uitstraalde, voortkomend uit de invloed die de Sluier had.
Een zacht trekken in mijn ogen liet me weten dat mijn voorraad Woudmagie op was en de als stofdeeltjes in het maanlicht glinsterende echo’s die rond de ingang van het huisje zweefden, verdwenen.
Vrolijk, helder getinkel vulde mijn oren, plots kon ik het ruisen van de omringende bomen en de roep van een uil horen. Nog geen halve minuut later zag ik Sven uit het houten huis komen en naar me toe lopen.
‘Iets gevonden?’ vroeg hij. Zijn gezicht was een emotieloos masker, maar in zijn ogen kon ik een volkomen uitputting zien, het soort dat iemand overvalt wanneer die persoon uit alle macht herinneringen en gevoelens op afstand probeert te houden.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Geen sporen die ons naar hem toe zullen leiden. Het meeste bevestigde alleen maar wat we al wisten: we hebben met een mensachtige demon te maken, aangezien hij zwaard en dolk hanteert. Voor de rest’, ik gebaarde naar het huis achter Sven, ‘heeft hij ons duidelijk gemaakt dat hij slimmer en machtiger is dan de gemiddelde demon.’ Ik zweeg even. ‘In feite is het zelfs heel waarschijnlijk dat hij tot de eerste klasse behoort, misschien zelfs sterker is dan dat.’
Sven keek me verbaasd aan. ‘Dus Eerstes bestaan? Ik dacht dat die rang enkel bestond door de verhalen van de Beving.’
Met een glimlachje begon ik over de weg naar de poort te lopen. ‘Houd verhalen en geschiedenis een beetje uit elkaar, Sven. De Eerste van na de Beving is echt en hij is niet de enige van die klasse die ooit Inthasin heeft doorkruist. Ze zijn gewoon zeldzaam, meestal duurt het ongeveer vijf eeuwen voor er een volgende opduikt.’
De jongeling begon te rillen nu hij de betrekkelijke warmte van het huis had verlaten en de koude nachtlucht was ingestapt. Zo vroeg in de zomer vervloog de zonnewarmte snel en koelde het ’s nachts behoorlijk af.
‘En je zegt dat hij misschien nog krachtiger is dan een Eerste?’
Ik knikte. ‘Schimmenjager heeft hier een abnormaal grote hoeveelheid magie gebruikt. Wel, op zijn minst lijkt hij niet sterk genoeg te zijn om iedereen in één enkele vlaag magie te doden.’
Steentjes schoten rollend en springend naar voren toen Sven struikelde en ik greep zijn arm vast om te voorkomen dat hij viel.
‘Sorry, duizelig,’ mompelde hij. ‘Waarom zou hij dat niet kunnen? Ik bedoel, hij was wel in staat die Sluier op te roepen.
‘Dat heeft te maken met de natuurlijke wetgeving van magie. Energie blokkeren kost minder kracht dan energie volledig wegnemen. Een Sluier om de dodenmagie tegen te houden is dus gemakkelijker dan iemand doden.’
Het bleef een tijdlang stil. ‘Hoe komt het dat jij al die dingen weet?’ kreunde hij. Er speelde een flauw lachje rond zijn lippen.
‘Omdat, Sven, ik vier van de zes eeuwen die ik al leef les heb gehad over zoveel mogelijk van wat de elfen aan informatie hebben verzameld.’
Hij knipperde met zijn ogen en deed er het zwijgen toe.
We lieten het dorp achter ons en gingen van de weg af, een smal wildpad volgend om door het dichte struikgewas te raken. Het bladerdek van de bomen hield het weinige maanlicht dat door het wolkendek scheen tegen en meer dan eens hielp ik Sven voorbij een hindernis die zijn ogen niet meer konden zien. Hij had zijn armen om zich heen geslagen en staarde nietsziend voor zich uit, met zijn gedachten op een heel andere plek. Vermoeidheid zorgde ervoor dat hij nog enkele keren zijn evenwicht verloor.
De kleine jagershut die de afgelopen week onze uitvalsbasis was geweest en waar we onze spullen hadden achtergelaten, lag op minstens vier uur stevig doorwandelen van hier. Sven zou die afstand niet meer halen. Op een geschikte plek, waar de struiken terugweken en een grote plataan boven ons uittorende, gebaarde ik hem te gaan zitten en maakte een vuur. Toen we deze ochtend de blokhut hadden verlaten om aan een korte verkenningstocht te beginnen, hadden we voor de zekerheid voldoende proviand meegenomen. Ik haalde brood en gedroogd vlees uit mijn tas en gaf hem door aan Sven, die de zak met een snel hoofdschudden weigerde.
‘Geen honger,’ fluisterde hij.
Bezorgd keek ik hem aan. ‘Drink tenminste iets.’
Afwezig reikte hij naar zijn waterzak, nam enkele slokken en legde de zak naast zich. Hij trok zijn benen op en legde zijn kin op zijn knieën, in de flakkerende vlammen van het kampvuur starend. De sintels laaiden hoog op toen ik er enkele dikkere stukken droog hout bij legde en vonken vlogen op de warme lucht mee naar boven, om na enkele seconden te doven.
Svens schouders schokten, tranen glinsterden in de gouden gloed van het vuur en liepen onophoudelijk langs zijn wangen naar beneden.
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op vr mar 10, 2017 9:23 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:02 pm

Ik ging naast hem zitten, nam hem vast en trok hem tegen mij aan terwijl ik zacht over zijn lichtblonde haar streelde. Zijn hoofd rustte tegen mijn schouder, een trillende hand greep de stof van mijn mouw, op zoek naar steun.
‘Het was nog maar een baby, Kifher,’ snikte hij. ‘Een pasgeborene.’
Geschokt liet ik die informatie tot me doordringen terwijl ik de nu wanhopig huilende jongeling troostte. De belletjes hadden daar niet zomaar gehangen. De familie die in dat huis had gewoond had een reden tot vrolijkheid gehad.
Een kille razernij welde in mij op.
‘Schimmenjager zal krijgen wat hem toekomt, jongen,’ beloofde ik hem. ‘Die demon zal het zelfde lot ondergaan als zijn slachtoffers.’


Kifher
3586 Na de Beving


‘Hé, wakker worden.’
Een tik tegen mijn bovenarm wekte me en slaperig opende ik mijn ogen. Beelden van het uitgemoorde dorp en Svens verdriet bleven als mistflarden hangen en verwarden me, even kon ik niet uitmaken waar ik was. Een bleek gezicht met dieprode ogen, omlijst door wit haar dat alle kanten op stond, zweefde op slechts enkele decimeters van het mijne.
Schimmenjager.
Alle haat en woede die ik jaren geleden had opgebouwd en die de droom weer had opgeroepen, kwamen er in één oncontroleerbare explosie uit. Zijn arm bewoog nog naar boven, ik zag de verrassing in zijn blik, maar hij was te dichtbij en mijn uithaal was te plots. Ik raakte hem met mijn vlakke hand vol op de zijkant van zijn hoofd, met alle kracht die ik in me had. Volledig overrompeld tuimelde Daeren opzij, landde met een klap op de grond en bleef versuft liggen. Ik wachtte zijn reactie niet af en verliet de schuilplaats zonder nog naar hem om te kijken, mijn geest een draaikolk van emoties.
Bij mijn eerste stap die ik op het tapijt van mos zette, had ik er spijt van dat ik niet met een dolk had kunnen toesteken. Ik had Daeren zodanig overvallen dat hij geen tijd meer had gehad om te reageren. De leugen die vijftien jaar lang stand had gehouden, zou eindelijk bewaarheid zijn geworden: Schimmenjager zou zijn gedood door een inwoner van het land dat hij zo lang had geterroriseerd. Ik had kunnen afmaken wat de Orde en Rendorin waren begonnen.
Zodra ik een tweede voet op de verende begroeiing zette, dwong ik mijzelf te kalmeren en nuchter na te denken. Ik beklom de rotsblokken en ging bovenop de stapel zitten, enigszins afgeschermd door een plat stuk steen dat overeind stond.
Toen Daeren en ik naar de stenenhoop toe waren gelopen, had het er al als een onregelmatige, onneembare muur uitgezien, maar pas als je je bovenaan stond, zag je de ware omvang van deze grijze berg. Veel van de gebarsten rotsen waren zeker vier meter hoog, sommigen waren zelfs nog groter. Grind en gruis vulden kieren en lieten het eruitzien alsof de wal uit slechts enkele gigantische blokken bestond. Door de lange val strekte de voet van de stapel zich over een groot gebied uit, maar bereikte het geen echt grote hoogte. Ik stond liever niet stil bij de kracht waarmee de rotsblokken op de bodem van de kloof waren gestort.
Ik ademde langzaam uit, leunde met mijn ogen gesloten tegen de steen, de scherpe randen die in mijn rug prikten negerend, en nam een mentaal stapje terug. Daarnet had woede mijn acties geleid, maar woede kon tot blindheid leiden. Welke conclusies zou ik trekken als ik een andere persoon zou zijn, een toeschouwer?
Schimmenjager had vijf jaar lang als een meedogenloze schaduw door het land getrokken, totdat Rendorin hem vond. Beiden verdwenen; toch was Daeren de enige die de ontmoeting had overleefd. Wat daar ook was gebeurd, het had ervoor gezorgd dat de halfdemon zijn bestaan als Schimmenjager had opgegeven. Daerens gespeelde verdriet veranderde daar niets aan.
Daarbij had hij mijn leven nu al twee keer gered, door mij uit de klauwen van demonen te halen en later door mij uit een val weg te duwen. De mogelijkheid dat hij me slechts dieper de Niveaus in leidde leek me zeer onwaarschijnlijk. Als zijn ware doel mijn dood was geweest, had hij me in de eerste plaats nooit benaderd.
Ik slaagde er niet in de puzzelstukken van zijn karakter in elkaar te passen. Er was altijd wel iets dat tegenstrijdig was, iets dat zich niet in het plaatje liet inpassen.
‘Nachtmerrie gehad?’
Geschrokken veerde ik overeind, Daeren was er opnieuw in geslaagd me onopgemerkt te besluipen. Hij stond onderaan de rotsen, leunde half tegen één van de blokken en hield zich met zijn hand vast aan de rand ervan.
‘Eerder een herinnering,’ antwoordde ik. Wantrouwend hield ik mijn blik op hem gericht. Hij zou razend moeten zijn, maar het enige wat ik op zijn gezicht kon ontdekken, was een soort gelatenheid.
Daeren bleef zwijgend staan, hij hoefde niet te vragen waarover die herinnering was gegaan - de klap die ik hem had gegeven zei genoeg. Ik draaide me een beetje, liet mijn benen over de rand bungelen en keek hem recht aan. ‘Niet kwaad?’
Voorzichtig betastte hij de zijkant van zijn hoofd, waar een vuurrode vlek op zijn lichte huid was verschenen. ‘Ik neem aan dat ik die verdiend had,’ zei hij langzaam.
Perplex bleef ik zitten. Hij had me met een nieuw puzzelstuk dat nergens bij paste opgescheept, zijn reactie strookte gewoon niet met de koude afstandelijkheid van eerder.
‘Waarom? Waarom het moorden?’ vroeg ik zacht. Hij was niet altijd zo kil. Er waren korte momenten geweest, telkens slechts enkele seconden lang, waarop hij zich als een gewone mens had gedragen. Momenten waarop hij vriendelijk en zachtaardig was, zonder de spot die bij Schimmenjager hoorde, en het onmogelijk leek dat hij diegene was die talloze slachtoffers had gemaakt.
Daeren wendde zijn gezicht af en richtte zijn blik nadenkend op de grond. ‘Ik was niet meer dan een demon, machtiger en slimmer dan zou mogen. Uitdaging en tijdverdrijf waren mijn enige doelen.’
‘Uitdaging en tijdverdrijf?’ herhaalde ik ongelovig, woede borrelde opnieuw op. ‘We hebben het hier over levens, Daeren. Enkele honderden levens.’
De halfdemon keek weer omhoog. ‘Voor een demon maakt dat niets uit.’ Hij ging een beetje rechter staan, met zijn ene hand hield hij zich nog steeds aan de rand vast, en bedachtzaam wreef hij over het zwarte litteken op zijn wang. ‘Je bent nog steeds van streek over wat je gezien hebt in die dorpen,’ hij klonk waarachtig lichtelijk verbaasd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:02 pm

‘Iedere normale mens of elf zou zich daarna ziek voelen,’ beet ik hem toe. Ik zag de verwarring in zijn blik, maar hij hield zijn mond.
‘Waarom ben je je als een demon gaan gedragen?’ Mijn vraag zorgde ervoor dat er een stilte in de kloof neerdaalde, geen van ons bewoog of zei iets. Uiteindelijk schuifelde Daeren ongemakkelijk een eindje achteruit. ‘Lang verhaal,’ zei hij terughoudend.
Geërgerd sprong ik behendig van de ene rots naar de andere, tot ik voor Schimmenjager stond. Met een snelle duw zorgde ik ervoor dat zijn hand van de steen los kwam. Zonder de steun van de rotsblokken viel hij meteen om, mijn slag van eerder had zijn oor geraakt en zijn evenwichtsorgaan ontregeld.
‘Aangezien jij nog geen twee stappen kunt zetten, lijkt het mij dat we tijd genoeg hebben.’
Daeren zat op zijn knieën en keek verschrikt naar me op, zijn ogen hadden hun donkerrode kleur nog steeds niet verloren. Zijn onverwachte hulpeloosheid deed hem er jonger uit zien dan hij kon zijn. Rekening houdend met de uitgemoorde dorpen was Schimmenjager op zijn minst eind de dertig, maar hij leek me lichamelijk niet ouder dan twintig. Misschien had zijn magie het verouderingsproces vertraagd.
Ik hielp de wankelende Daeren overeind en ondersteunde hem terwijl we terug naar de holte tussen de rotsen liepen. In de beschutting van de grot liet Schimmenjager zich op de grond zakken. Afwezig staarde hij naar de grond voor hem, de fijne barstjes in de bodem met zijn blik volgend. Ik ging voor hem zitten, trok de tas naar me toe en haalde er wat gedroogde vruchten uit, die ik langzaam opat.
Daeren zuchtte en haalde zijn hand door zijn witte haar. ‘Ik zal meteen maar in het begin beginnen.’ Hij glimlachte flauw. ‘Al zal je dan nog even op een antwoord moeten wachten.’
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:03 pm

4
Steen en pijl
Daeren
3558 Na de Beving


Een frisse wind liet de pas ontloken berkenbladeren ritselen en de witgekleurde kopjes van boshyacinten heen en weer wiegen. Hoog in een boom zong een merel uit volle borst zijn lied, boven de verschrikt roepende mussen in de struiken uit. Een jongen duwde de takken opzij, kroop onder enkele andere door en bleef hijgend staan. Zijn blik gleed over de zee van bloemen en zocht de zwarte vogel in de boomtoppen. Met een glimlach luisterde hij even naar de steeds wisselende melodie en hij stak op zijn gemakje het veld over. Om zijn schouder hing een volle leren zak, in zijn hand had hij een slinger vast. De broek van de negenjarige zat vol groene vlekken, getuigend van een lange dag buitenspelen.
Nadat Daeren zich door een groene muur van varens aan de andere kant van de open plek had geworsteld, stond hij op de Oude Weg. Deze handelsroute doorkruiste Inthasin en liep van het noordelijke dorp Nasyutro helemaal naar de Ithmuîn, een brede rivier aan de rand van de Zoutmoerassen. Men zei dat je via de Oude Weg tot in Kaynlith Astar, het ijzige buurland kon raken, maar niemand gebruikte dat deel van het pad: het ging dwars door de Wouden van Mislka heen en trotseerde de sneeuwstormen van de IJspas.
Wie de lange weg had aangelegd, konden zelfs de oudsten onder de elfen niet vertellen. Grote grijze blokken met witte spikkels waren bijna naadloos tegen elkaar aan geschoven en hadden de tand des tijds verbazingwekkend goed weerstaan. Enkel de randen vertoonden hier en daar wat krassen en het oppervlak, dat vroeger zodanig was gepolijst dat het glansde, was grotendeels mat geworden.
De jonge Daeren hurkte neer en streek met zijn vingers over een nog glimmende plaats in de steen. De ontelbare witte bolletjes waarmee de Weg bezaaid was, fascineerden hem. Ze leken voor zijn ogen te dansen, sprongen heen en weer in de steen, verdwenen in de diepten van het grijs en doken ergens anders weer op.
‘Aan de kant, jongen!’
Verschrikt sprong hij overeind, hij was zo in gedachten verzonken dat hij de handelaar niet had horen naderen. De man die Daeren met schorre stem had toegeschreeuwd, zond hem een geïrriteerde blik toen hij de jongen voorbij reed. Een vermoeid paard trok een volgeladen en met kleurige doeken afgedekte kar. Nieuwsgierig liep Daeren de wagen achterna en probeerde te ontdekken wat de zeilen verborgen hielden, maar meer dan een mengelmoes van heldere kleuren en fonkelend metaal zag hij niet.
Het luide ratelen van de houten wielen op het stenen oppervlak hield plots op en de handelaar draaide zich zuchtend om. ‘Woon je in Lutasin, jongen?’ Een bedenkelijke frons lag op zijn gezicht toen hij het kind van kop tot teen in zich opnam.
Daeren knikte. ‘Ja, heer.’
‘Heer?’ De man barstte in lachen uit. ‘Ik mag dan een behoorlijk belangrijke handelaar zijn, een heer ben ik nog lang niet.’ Grijnzend klopte hij naast zich op de bok. ‘Kom hier, jongen. Beter dan dat je de hele weg achter mijn kar aanloopt.’
Snel klauterde het kind op de wagen en ging naast de handelaar zitten, die het paard met een tik weer in beweging zette. De man had ongekamd, roestbruin haar met hier en daar fijne vlechtjes en paarse linten en zijn gezicht was eerder hoekig, met twee donkere ogen, borstelige wenkbrauwen en dunne lippen. Een wijde linnen broek, een mouwloos jasje en dunne leren schoenen waren zijn enige kledij, de koelte van de vroege lente voelde hij niet. Om zijn arm zat een hele verzameling armbanden en om zijn hals hing een leren koord waar witte roofdiertanden en schubben aan waren geknoopt. In zijn nek en op zijn schouders kon Daeren nog net de zwarte, kronkelende lijnen van een tatoeage zien.
De handelaar glimlachte toen hij de belangstellende blikken van het kind opmerkte.
‘Hoe heet je, jongen?’
‘Daeren, hee.. meneer,’ antwoordde hij.
‘Laat dat meneer achterwege, Daeren. Mijn naam is Savigdhun Zawtralif, noem me maar Savig.’
‘Van waar bent u?’ Daeren draaide zich naar de handelaar toe en bekeek de lichtbruine huid van Savigdhun.
‘Ik ben geboren in de Genntof-clan, één van de Temlysru-clans. Weet je waar de
Temly-vlakten liggen?’
De jongen knikte langzaam. ‘Noordwestelijk van hier, toch?’
De man keek een beetje dromerig voor zich uit. ‘Ach, hoezeer mis ik soms de weidse steppe met zijn wuivende zee van ruige grashalmen en de meer zuidelijk gelegen woestijn met zijn eindeloos glooiende duinen,’ verzuchtte hij. ‘Maar een koopman moet reizen als hij wil overleven, zodus kan ik niet anders dan mijn geliefde land en clan verlaten en vreemde gebieden ontdekken.’ Zijn stem had iets overdreven theatraal en Daeren proestte het uit.
‘Zeg, Daeren, hoe kom jij aan je rode kattenogen en dat sneeuwwitte haar?’ Savig wierp een schuine blik op het kind naast hem, die onrustig heen en weer schoof op de bank.
‘Ik ben een halfdemon.’ De jongen zette zich schrap voor wat komen ging, strak naar de toppen van zijn laarzen kijkend. Een moment lang waren het gekletter van paardenhoeven op de weg en het kraken van de houten kar de enige geluiden.
De handelaar liet met één hand de teugels los en streek over Daerens haar. ‘Waarom zouden ze je een halfdemon noemen, wanneer je duidelijk voor het overgrote deel een mens bent? Jouw ogen zijn geen demonenogen, maar donkerrode rozen in een ondergesneeuwd veld – prachtig en puur.’
Daeren keek de man een paar tellen stomverbaasd aan en lachte verlegen.

Hoewel de aanvang van de Lentefeesten nog een volle week op zich zou laten wachten, was men in Lutasin al druk met de voorbereiding bezig. Lange slingers met ontelbare lichtgroene vlagjes zigzagden tussen muren en palen, hoog boven de Oude Weg, en houders van kraampjes kregen een zorgvuldig uitgekozen plek toegewezen. De traag binnendruppelende handelaars werden naar de grote hal geleid, waar ze hun goederen konden opslaan. Nu de schemering zich inzette, lichtten talloze lantaarns op, zodat de bedrijvigheid ook ’s avonds nog kon doorgaan.
Savig en Daeren naderden langzaam de slang van lichtjes die zich in een lome golfbeweging door het dorp uitstrekte. Lutasin was rondom de eeuwenoude stenen weg ontstaan, en werd door het grijze pad duidelijk in tweeën gedeeld.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:03 pm

Het was een rijk dorp dat zijn welvaart aan de handel te danken had. Huizen waren verspreid gebouwd en wegen geplaveid en met de Oude Weg verbonden. Op het ruime plein, eveneens door de handelsroute doorkruist, werden wekelijks markten gehouden waar allerhande voorwerpen werden verkocht, van de meest banale tot exotische goederen die slechts op weinig andere plaatsen te vinden waren. Wie een bewerkte dolk of een met stiksels versierde mantel wilde, maar het geld niet had voor het dure stadsleven van Funta of Thaëng, kwam naar Lutasin.
Savigdhun liet zijn kar vertragen zodra ze de eerste huizen waren voorbijgereden. Mensen maakten plaats voor de wagen en knikten de handelaar vriendelijk toe of riepen luidkeelse begroetingen. De heldere klanken van een fluit en een mandoline kwamen hen tegemoet en wat verder op de Weg schreeuwde een kleine, magere man met een groot perkament in zijn handen aanwijzingen naar een slungelige jongeling boven hem. De jongeman wist zich maar met moeite op de wankele ladder staande te houden terwijl hij de zoveelste slinger aan een paal probeerde vast te spijkeren. De norse opzichter kruiste zijn armen, zich binnensmonds beklagend over de onhandigheid van zijn helpers, en zag de net aangekomen handelaar. Onmiddellijk verdween alle frustratie van zijn gezicht. Hij vouwde de plannen op, stak ze onder zijn arm en liep met een brede, hartelijke glimlach op Savigdhun toe.
‘Welkom, welkom! Ik zie dat u Daeren al hebt ontmoet. Hij heeft u hopelijk geen last bezorgd?’ De man gaf Savig geen kans om te antwoorden, maar ging meteen verder. ‘Als u mij even wilt volgen, dan breng ik u naar de grote hal, waar u uw handelswaar kunt achterlaten - de hal wordt bewaakt, maakt u zich geen zorgen -, en uw paard kunt u dan aan één van de jongens daar geven. Zij zullen u dan ook naar uw slaapplaats begeleiden en eventueel, mocht u dat willen, een korte rondleiding geven in Lutasin, om u wat wegwijs te maken.’ De opzichter draaide zich om, maakte Savig met een handgebaar duidelijk dat hij verder kon rijden en ging voor het paard lopen. ‘Oh, voor ik het vergeet: ik ben Serlim en ik heb de leiding over de organisatie van de Lentefeesten. Als u vragen hebt, kunt u altijd bij mij terecht. Wat betreft die organisatie, zou u mij uw naam willen geven, dan kan ik de lijsten in orde brengen.’
‘Savigdhun Zawtralif,’ zei de handelaar.
Serlim knikte driftig, hij had uit één van zijn zakken een leien plaat en een griffel gehaald en schreef met korte, snelle halen enkele woorden op.
‘En u bent v..’ Op dat moment viel zijn oog op twee mannen die een zware kist versjouwden. ‘Nee nee, niet hier, die moet naar het plein! Het plein, idioten, dat is de andere kant!’ riep de opzichter geërgerd.
Eén van de werkers keek hem verward aan. ‘Maar u zei toch dat de kisten naar de opslag moesten?’
‘Ja, maar níét de kisten met de blauwe linten, die moesten naar het plein! En voor zover ik kan zien heeft deze kist wél een blauw lint, dus moet die logischerwijze naar het plein. Moet ik er nog een tekeningetje bij maken?’
Mopperend maakten de mannen rechtsomkeert, met de zware kist tussen hen in.
Savig stootte Daeren aan. ‘Is hij altijd zo?’ Hij knikte naar de rood aangelopen opzichter.
De jongen grinnikte. ‘Ik vrees van wel,’ antwoordde hij zachtjes, ‘maar hij is echt goed in dingen organiseren.’
‘Goed.’ Opnieuw loste Serlims kwaadheid in een oogwenk op, en hij glimlachte vriendelijk naar de handelaar. ‘Mijn verontschuldigingen voor deze onderbreking. Ik wilde u nog vragen van waar u bent?’
‘De Temly-vlakten, de Genntof-clan. Wij reizen vooral over de noordelijke graslanden, maar ik kan u geen nadere plaatsbepaling geven.’
De opzichter wapperde met zijn hand. ‘Niet nodig, ik weet dat de Temlysru amper blijvende dorpen hebben. Wat u me hebt verteld, is meer dan genoeg.’ Hij krabbelde snel iets op de leisteen en leidde de handelaar verder het dorp in.
Zodra het plein in zicht kwam, tikte Daeren op Savigs schouder. ‘Ik ga er hier af. Bedankt dat ik mocht meerijden.’
De handelaar knikte en keek de jongen glimlachend aan. ‘Geen probleem, hoor. Ik zie je nog wel op de Lentefeesten.’
Behendig sprong Daeren van de bewegende kar af, hij zwaaide naar Savigdhun en liep naar een winkeltje aan de kant van de Weg. Het huis zag er goed onderhouden uit, opgetrokken uit lichtkleurig hout en bruingrijze stenen, met stevige luiken voor de ramen en een vers rieten dak. Een sierlijk uithangbord aan de gevel maakte duidelijk dat het om een lederwinkel ging. Simon, de eigenaar, verkocht zo ongeveer alles wat met leer te maken had: armbandjes, riemen, schedes voor dolken en jachtmessen, zelfs stevige broeken en jassen kon je hier vinden. Het meeste bewerkten hij en zijn leerlingen zelf, soms werkte hij samen met de kleermaker of de smid om zijn goederen te maken.
Daeren duwde de gladgeschuurde deur open en kromp in elkaar toen een bel hels begon te klingelen. Snel liep hij naar het midden van de winkel, zette zijn tas op een langgerekte tafel en wachtte tot Simon opdaagde. Het zware meubelstuk deelde de kamer bijna volledig in twee, met slechts een smalle doorgang aan één kant. Op het houten blad waren verschillende goederen uitgestald, die de geur van olie, leer en zeep verspreidden.
‘Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Zodra de avondklok heeft geluid, sluiten we!’
Een oudere man stommelde vloekend de kamer in en wierp een dreigende blik in de richting van de rustverstoorder. Hij had een eenvoudige katoenen broek en een wollen trui aan en zijn haar en baard waren grijs geworden, met hier en daar nog een beetje van de oorspronkelijke bruine kleur.
‘Hé, Simon, ik ben het,’ zei de jongen geamuseerd.
De man knipperde met zijn ogen, bekeek zijn bezoeker wat grondiger en glimlachte verontschuldigend. ‘Kleine Daeren, ik had je helemaal niet gezien. Vergeef me mijn uitbarsting, maar de laatste tijd komen er zoveel mensen ongevraagd binnenvallen…’ Simon schudde zuchtend het hoofd en leunde op de tafel. ‘Heb je wat voor me gevangen?’
‘Ja, ik heb een konijn geschoten,’ zei Daeren en hij schoof zijn zak naar de man toe. Simon opende het, bekeek de inhoud en haalde tevreden zijn vingers door de vacht.
‘Tegen de kop geraakt, de rest is niet beschadigd. Je bent best handig met die slinger van je.’ Hij haalde het konijnenvel uit de zak en legde die naast hem op de tafel. Daeren had het dier in het bos gestroopt en had het vlees in aparte doeken gewikkeld. ‘Als je zo voort doet, word je nog de beste jager van het dorp.’
De wangen van de jongen werden rood van verlegenheid en trots tegelijk.
‘Zeg eens, kan ik het vlees ook van je kopen?’
‘Tuurlijk,’ knikte het kind.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:04 pm

Zacht neuriënd haalde Simon de stevig ingepakte bundel uit de tas, legde die naast de vacht op tafel en haalde enkele koperstukken uit de geldbuidel aan zijn riem.
‘Hier, je hebt ze meer dan verdiend.’ Hij gaf de munten aan Daeren, die ze veilig in zijn leren zak opborg. ‘Kom die doeken één van de volgende dagen maar ophalen, ik zal ze voor je klaarleggen.’
‘Oké.’ De jongen hing de tas weer over zijn schouder en keek vrolijk naar de man op. ‘Ik moet gaan, Simon. Tot ziens!’
Voordat de koopman iets terug kon zeggen, stoof Daeren de winkel uit. Uitgelaten rende hij de Oude Weg over, liep bijna iemand omver en schoot de kleinere straten in, weg van het drukke centrum van het dorp. De jongen ging de laatste huizen voorbij en bereikte het bos, waar hij vertraagde. Rustiger volgde hij een pad dat hem tussen de struiken door naar een houten huis leidde. De jagershut stond aan de rand van een open plek en ging half verscholen onder een grote treurwilg, die aan de rand van een smal beekje groeide.
Het heldere water werd in een stenen bekken naast het huis opgevangen, drupte over de rand van de rots en stroomde verder naar het bos. Vertrapte lijnen in het hoge gras naar het waterreservoir en de deur toonden duidelijk waar er veel heen en weer werd gelopen en een strook kiezels zorgde ervoor dat de toegang tot het huis min of meer gevrijwaard bleef van de verwilderde begroeiing.
Daeren duwde de deur open en schopte zijn laarzen uit. Bladeren die door het open raam naar binnen waren gedwarreld, waaiden op toen de wind zijn weg in het huis vond. Een grenen tafel, twee gewone stoelen, een grotere leunstoel met een paar kussens en enkele planken aan de muur waren de enige meubels in de ruimte. Voor de open haard lag de grijsbruine vacht van een hert uitgespreid en in de hoek van de kamer stond een boog die langer dan de jongen was.
‘Daeren, deur toe! Het tocht hier!’
Aan de andere kant van de ruimte ging een deur open en een tengere man kwam grijnzend uit de slaapkamer. Kort, bruin haar piekte alle kanten op en hazelnootbruine ogen keken vrolijk en goedgezind de wereld in.
Daeren lachte, sloot de deur en sprong in zijn vaders armen.
‘Papa, je bent terug!’
‘Ja, kleintje, van een succesvolle jacht moet ik zeggen. Maar Faren heeft op de terugweg zijn enkel verstuikt, dus duurde het een dag langer om het dorp weer te bereiken.’ Hij gebaarde naar de tas rond Daerens schouder. ‘Had jij geluk met je slinger?’
De jongen knikte en gaf de zak aan zijn vader. ‘En ik ben al naar Simon geweest.’ Hij hield zijn hoofd een beetje schuin en keek de man aan. ‘Het is nog altijd druk op het plein, papa. Ze zijn heel Lutasin aan het versieren en er zijn meer handelaars dan ooit. De Lentefeesten zijn toch niet zo groot?’
Met een glimlach zette Dowan zijn zoon op de grond en legde de zak op tafel, waarna hij zich in de leunstoel liet vallen. Daeren kroop meteen bij hem op schoot.
‘Ooit gehoord van de Lentebijeenkomsten?’ vroeg de man. Ondertussen haalde hij zijn hand door het haar van het kind, dat het hoofd schudde.
‘Elk jaar, wanneer de Feesten plaatsvinden, wordt er één dorp of stad uitgekozen waar leden van verschillende volkeren en standen samenkomen. Die Lentebijeenkomst wordt dit jaar hier gehouden. Er komen afgezanten van de koning, edelen, machtige kooplieden, magiërs, enkele Ordekrijgers en zelfs een aantal elfen. En dan zijn er nog diegenen die van over de grens komen,’ somde hij op.
Daeren knipperde met zijn ogen. ‘Elfen? Komen er elfen naar Lutasin? En krijgers?’ Opgewonden ging hij rechtop zitten, zijn donkerrode ogen schitterden. Dowan lachte vrolijk.
‘Ja, kleintje, en je bent absoluut niet de enige die daar enthousiast van wordt. Of nerveus, in Serlims geval. Goden, hij terroriseert zo ongeveer het hele dorp.’
‘Ik heb hem gezien,’ zei Daeren met een grijnslachje. ‘Hé, Is het waar wat Beer over de elfen vertelde?’
‘Dat hangt er vanaf wat hij precies verteld heeft,’ antwoordde Dowan droog. Beer was een oude man die vaak in herberg “de Stapsteen” te vinden was, waar hij de kinderen vermaakte met verhalen over zijn reizen. Eigenlijk maakte hij gewoon handig gebruik van de vele geruchten die reizigers met zich mee brachten en goot hij uit die halve waarheden een eigen verhaal, om het met zoveel overtuiging te vertellen dat het bijna geloofwaardig werd.
De echte naam van de verhalenverteller was Beral, maar alle kinderen noemden hem Beer en de volwassenen hadden dat gewoon overgenomen.
‘Ze zijn stukken sneller dan mensen, hun zintuigen zijn scherper en ze zijn slim. Voor zover ik weet leven ze niet eeuwig, maar wel heel lang, en er wordt gezegd dat ze mooier zijn dan een mens zich kan voorstellen. Elfen maken gebruik van een heel eigen soort magie, Woudmagie, en al houden ze er niet van dat mensen hun bossen binnendringen, ze zijn vriendelijk en zachtaardig.’ De man haalde zijn schouders op en grijnsde. ‘Dat is toch wat ík me heb laten vertellen. Of het waar is, zal wel blijken.’ Hij keek zijn zoon aandachtig aan. ‘Ze zullen moeiteloos kunnen zien dat jij een halfdemon bent, Daeren, en dus ook meteen weten dat je het lastig hebt met het uit elkaar houden van goed en kwaad. Mocht het gebeuren dat een elf je iets over die twee vertelt, kun je daarop vertrouwen.’
Daeren knikte ernstig en kroop weer dicht tegen zijn vader aan, genietend van de strelingen over zijn rug. Na een tijdje voelde Dowan dat de jongen ontspande en hij hoorde zijn langzame, rustige ademhaling. Voorzichtig stond hij op, liep met Daeren in zijn armen naar de slaapkamer en legde zijn zoon zacht op het grote bed. Hij dekte hem toe met het wollen deken en ging terug naar de woonruimte. Aan de deur keek hij nog even om en glimlachte licht toen de jongen zich op zijn zij draaide en gewoon verder sliep.

Daeren voelde het gewicht van de boog in zijn hand en trok de pees langzaam naar achteren, tegen de kracht van het wapen in. De veren van de pijl kriebelden zijn gezicht en het koord drukte pijnlijk tegen zijn vingers, vuurrode lijnen achterlatend. Zijn armen begonnen te trillen en hij keek langs de schacht naar zijn doel, zorgvuldig mikkend. Zacht suizend vloog de pijl weg en landde met een klap in de stam van de boom, net boven de grond en ver onder het grote blad dat zijn vader had opgehangen.
‘Je hand verder naar achteren trekken als je loslaat, anders verlies je kracht en snelheid,’ mompelde Dowan. Hij ging achter de jongen staan. ‘Doe eens alsof je gaat schieten. Niet aanspannen.’
Het kind hield de boog weer voor zich en legde zijn hand tegen zijn wang. Met een paar zachte tikken tegen zijn voeten en een duwtje tegen zijn schouder veranderde de man Daerens houding een beetje.
‘Nu sta je goed. Probeer nog eens. En denk aan je hand.’
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op vr mar 10, 2017 9:26 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:04 pm

De jongen knikte, nam een tweede pijl, legde aan en schoot. Het projectiel legde een veel rechtere baan af dan de eerste keer en scheurde een deel van het blad los toen de punt zich in de onderste rand ervan boorde.
Dowan keek zijn zoon verbaasd aan. ‘Je hebt er talent voor, kleintje, als je er meteen al in slaagt dat ding te raken.’ Hij grijnsde breed. ‘Het enige wat je nu nog kan doen is oefenen en vooral blijven oefenen. Kunnen mikken is één ding, tientallen pijlen na elkaar afschieten iets helemaal anders.’
Het volgende halfuur besteedde Daeren aan het boogschieten. In het begin wist hij verschillende pijlen in en rond het blad te krijgen, maar zijn vader had gelijk gehad: algauw werden zijn spieren zo moe dat hij de pees niet ver genoeg meer kon trekken. De pijlen vielen in het gras of vlogen de struiken naast de boom in.
Dowan stond op. ‘Je kunt nu beter stoppen en je armen laten rusten. Morgenochtend kan je verder oefenen.’
‘Mag ik mijn boog mee het bos in nemen? Dan kan ik oefenen door te jagen.’
Zonder antwoord te geven verdween de man in het huis en kwam enkele seconden later weer buiten, met zijn eigen lange boog en een in canvas gewikkelde bundel. Hij keek zijn zoon bedenkelijk aan.
‘Als je me beloofd voorzichtig te zijn.’
‘Beloofd!’ zei Daeren enthousiast.
Dowan zette zijn boog tegen de muur en plooide het zeildoek open. Een volle pijlenkoker, een kort, licht zwaard en een jachtmes kwamen tevoorschijn.
‘Je weet wat ik over wapens heb gezegd, hé?’
‘Nooit tegen mensen gebruiken of naar hen richten,’ knikte de jongen.
Met een glimlach haalde de man zijn hand door Daerens haar. Hij gespte zijn zwaard en dolk vast aan zijn riem en hing de pijlenkoker en de boog op zijn rug.
‘Ik ga de strikken controleren, vanavond ben ik alweer terug.’ Dowan gaf zijn zoon een stevige knuffel. ‘Simon sprak heel lovend over je werk met je slinger toen ik hem gisteren zag. Hij zei dat je nog eens bij hem moet langsgaan, dat hij je iets wil geven. De doeken die je er had achtergelaten, heb ik trouwens al meegenomen. Ze liggen in het rek, mocht je ze nodig hebben.’
‘Oké. Papa, morgen moet je weer weg, hé?’
‘Ja, voor twee dagen, maar daarna ben ik thuis tot de Lentefeesten voorbij zijn.’
Opgelucht keek Daeren zijn vader aan.
‘Nog even volhouden, kleintje.’ Hij gaf het kind een bemoedigend klopje op zijn rug. ‘Ik ga, voor het te laat wordt.’
Daeren bleef voor het huis staan tot zijn vader tussen de bomen verdwenen was. Vrolijk rende hij naar de boom die hij als schietschijf had gebruikt en begon met het verzamelen van de pijlen.

Stil sloop hij tussen de struiken door naar het geritsel dat hij hoorde. Op een plaats waar de takken terugweken en hij het stuk bos voor hem kon zien, bleef hij onbeweeglijk staan en speurde met zijn ogen de bodem af. Twee lange oren staken boven een dikke boomwortel uit, heen en weer draaiend terwijl het konijn aan een paar grassprietjes knabbelde. Heel langzaam legde Daeren een pijl op zijn boog en hij deed een paar stappen opzij zodat hij het dier volledig kon zien, zijn voeten behoedzaam neerzettend om zijn prooi niet op te schrikken.
Gisteren had hij de kans niet gehad zijn boog tijdens de jacht uit te proberen en zelfs nu had het uren geduurd voor hij een spoor had opgepikt dat nog vers genoeg was om hem naar een mogelijke maaltijd te leiden. Zijn vruchteloze pogingen van de vorige dag en zijn inspanningen die hij vandaag had geleverd werden eindelijk beloond.
Traag bracht hij zijn armen omhoog en mikte. Het diertje zat doodstil en vormde een gemakkelijk doelwit, maar de kans dat hij raak zou schieten was vrij klein. Zijn vader had hem gisteren pas zijn eerste les gegeven en daarna had hij enkel diezelfde avond nog wat geoefend. Hoewel hij het blad vaak had doorboord, was op een voorwerp schieten nog altijd iets helemaal anders dan op een levend wezen.
Hij hield zijn adem in, liet de pees los en volgde gespannen de baan die de pijl door de lucht beschreef.
Verderop begon het konijn plots wild te spartelen en met een zachte vloek spurtte de jongen naar voor. Hij had de kop gemist en in plaats daarvan de flank geraakt. Het doodsbange dier probeerde nog weg te raken en kroop moeizaam een eind over de bladeren. Met een snelle beweging draaide Daeren zijn prooi de nek om, haalde de ingewanden eruit en stak de buit trots in zijn leren zak. Hij veegde zijn onbeschadigde pijl af aan wat bladeren, stak hem weer in zijn pijlenkoker en stond op.
‘Geef dat konijn maar hier, halfdemon, het is van mij.’
Met een ruk draaide Daeren zich om. Hij was zo in de jacht opgegaan dat hij niet op zijn omgeving had gelet. Zart stond wijdbeens tussen de varens en hij hield een stok in zijn handen, waar hij lichtjes op leunde. Ondanks het feit dat de twee leeftijdsgenoten waren, torende de jongen ver boven Daeren uit en was hij veel steviger gebouwd dan de tengere halfdemon. Hij had een losse broek en een bruine wollen trui aan, op sommige plaatsen duidelijk versleten en versteld.
‘Hé, demon, ben je doof of zo? Geef hier,’ snauwde de pestkop. Ongeduldig zette hij enkele passen voorwaarts en richtte hij dreigend zijn houten stok op de jongen.
‘Het is mijn prooi, Zart, ik heb hem neergeschoten,’ antwoordde Daeren, zonder zich te verroeren. Zijn hersenen werkten op volle toeren. Als Zart hier was, konden zijn twee bondgenoten, Kilon en Hotar, niet ver weg zijn. Schichtig keek hij om zich heen en probeerde de twee te ontdekken. Af en toe kon hij hun voetstappen horen en beweging achter de struiken en varens zien. Zijn blik richtte zich op de stok in Zarts handen. Of hij het konijn nu afgaf of niet, Zart was niet van plan hem zomaar te laten gaan. Waarschijnlijk hadden de andere twee ook een houten wapen.
Zart grijnsde. ‘Hé, jongens, hebben jullie dan niet gezien hoe ik dat beest met één schot velde?’
Zijn vrienden kwamen uit het struikgewas en omsingelden het witharige kind, dat onbewust zijn voeten wat verder uit elkaar zette en licht ineen dook.
‘Ja… Ja, tuurlijk wel.’ Kilon was nerveus, zijn blik schoot schichtig heen en weer tussen Zart, Daeren en de stok in zijn eigen handen.
‘Ha, alsof we dat konden missen! Echt waar, Zart, ik heb zelden iemand gezien die zo goed is met zijn boog als jij,’ grijnsde Hotar. ‘We zouden je boog terug moeten nemen, weet je. Het kan echt niet zijn dat die demon ons besteelt.’ Hij keek Daeren vol leedvermaak aan.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:05 pm

Kwaad klemde de jongen zijn hand rond zijn boog. ‘Ik heb helemaal niets gestolen.’
‘Wel, wel,’ spotte Zart, ‘Niet alleen een demon, maar ook nog een dief en een leugenaar. Dat kunnen we echt niet toestaan, Daeren, echt niet.’
Meteen na het uitspreken van zijn laatste paar woorden haalde hij razendsnel uit met zijn stok. Daeren sprong achteruit en liet zijn boog vallen, verrast daar de plotselinge uitval. Het uiteinde van het houten wapen passeerde rakelings langs zijn gezicht. De andere jongens waren tijdens Zarts aanval dichterbij gekomen en een klap in zijn knieholten haalde hem onderuit. Hoestend lag hij op zijn rug, een paar tellen volkomen onbeschermd. Zart maakte van dat moment gebruik en voordat Daeren iets kon doen, kreeg hij een harde slag tegen zijn zij. Met een schreeuw van schrik en pijn rolde hij opzij, een volgende uithaal per toeval ontwijkend.
De jongen zag hoe Kilon zijn stok tot boven zijn hoofd hief en met een razende vaart weer naar beneden bracht, recht naar zijn gezicht. Halverwege de baan van het stuk hout veranderde er iets in Daerens waarneming. Zijn omgeving vervaagde en zijn zicht focuste volledig op het wapen dat op hem af kwam. Het bewoog traag en de kleur van het hout, dat er daarnet egaal donkerbruin had uitgezien, had onmogelijk veel schakeringen gekregen. Elke nerf tekende zich duidelijk af en hier en daar bevond zich een zweem groen, waar het mos houvast had gevonden aan het gladgeschuurde oppervlak. Blutsen en deuken in het hout door eerdere slagen zorgden ervoor dat de stok, die eerst volkomen recht had geleken, een schots en scheef uitzicht kreeg.
Het wapen kwam beangstigend dicht bij Daerens hoofd en zijn lichaam kwam plots in beweging. Zijn vingers vonden het uiteinde van zijn boog en hij haalde uit. Zijn arm botste tegen Kilons stok, waardoor die werd weggeduwd en onschadelijk in het gras plofte. De andere kant van zijn boog zwaaide door en trof zijn aanvaller tegen zijn slaap. Kermend tuimelde de jongen achteruit, zijn hand tegen de vuurrode striem op de zijkant van zijn hoofd gedrukt.
Daeren sprong op, dook tussen Hotar en Zart door de varens in en begon te rennen, angstig proberend verborgen te blijven tussen de grote bladeren. Geschreeuw en het geluid van brekende takken achtervolgden hem, maar werden geleidelijk zachter naarmate hij verder sprintte. Een twijg sloeg in zijn gezicht en hijgend bleef hij staan, met zijn hand tegen zijn pijnlijke zij gedrukt. Koortsachtig bestudeerde hij zijn omgeving. Voor hem had afstromend water een nauwe opening uitgesleten tussen twee rotsen. Het pad was net breed genoeg om door te kunnen lopen. Door de jaren heen had aarde zich tegen de stenen opgestapeld en varens lieten hun bladeren over de smalle gang hangen. Sparren en het dichte struikgewas hielden een groot deel van het zonlicht tegen en maakten de plaats donker.
Nerveus keek hij achterom. Zart en zijn vrienden zouden geen moeite hebben het spoor dat hij al rennend had achtergelaten, te volgen. Hij hing zijn boog op zijn rug en liep snel tussen de rotsen door, zijn voeten stevig in de losse aarde drukkend. Vervolgens ging hij met lichte, voorzichtige stappen een eindje terug, verborg zich bovenop de stenen en wachtte. Het duurde niet lang voor Daerens belagers in zicht kwamen. Enkel Zart en Hotar waren achter hem aan gekomen, Kilon was achtergebleven nadat hij die klap had gekregen. Zart liep vooraan en maaide met zijn stok woest een weg door de planten, zijn vriend was eerder geschrokken en duidelijk zenuwachtig. Zijn blik flitste heen en weer en hij omklemde zijn wapen zo hard dat zijn knokkels wit waren.
‘Hier,’ wees de leider naar de rotsen. ‘We zitten nog altijd goed.’
Muisstil bleef Daeren in de struiken zitten tot de twee de smalle doorgang bijna voorbij waren. Zonder enige waarschuwing sprong hij van de rotsen af. Zijn lichaam voelde vreemd aan, licht en sterk tegelijk, en bladeren gleden geruisloos van hem af. Plots werd zijn doelwit scherp en kon hij elk draadje in de trui van de jongen zien.
Voordat iemand doorhad wat er gebeurde, lag Hotar schreeuwend van schrik en pijn languit op de grond, met Daeren op zijn rug. Zart draaide zich om, de schok en verbazing op zijn gezicht maakten algauw plaats voor pure woede. Daeren dook aan de kant om de wild zwaaiende stok te ontwijken en deinsde achteruit. Naast hem scharrelde Hotar overeind, hij liet zijn stok vallen en rende snikkend weg.
Daeren zag de stok niet aankomen, maar hoorde hem wel. Reflexmatig bracht hij zijn arm omhoog om zijn hoofd te beschermen. Het volgende ogenblik werd hij hard geraakt en bijna ging hij onderuit door de kracht die achter de slag zat. Hij struikelde opzij en paniekerig sprong hij meteen weer weg, met zijn gloeiende arm tegen zich aan gedrukt. Het wapen scheerde rakelings langs zijn gezicht en liet zijn haar een beetje opwaaien. Onmiddellijk zwaaide Zart de stok opnieuw naar voren. Daeren had zijn evenwicht nog niet hervonden en kon onmogelijk uitwijken.
Een warm gevoel verspreidde zich door Daerens arm en verzachtte de pijn van de voltreffer die hij daar had geïncasseerd. Het bos lichtte op in een explosie van heldere kleuren en de jongen zag elk afzonderlijk blaadje en elke groef in de boombast. Verwonderd richtte hij zijn blik op de persoon voor hem, die traag naar hem toe kwam. Daarna bekeek hij de stok, gokte de baan van het ding en deed een stapje achteruit. De punt zoefde op enkele centimeters van zijn schouder langs hem heen en hij knipperde met zijn ogen. Die jongen met de stok was gevaarlijk, hij probeerde hem echt te raken! Met een spottend lachje zette hij nog enkele afgemeten passen. Gevaren dienden te worden uitgeschakeld en wel zo snel mogelijk. Op zijn gemak nam hij zijn boog vast en haalde een pijl uit zijn pijlenkoker. Met enig leedvermaak zag hij dat de bewegingen van de aanvaller stokten en hij lijkbleek werd. Tergend langzaam bracht hij zijn boog omhoog. Het mensenkind deinsde achteruit, tot grote genoegdoening van de halfdemon: de jongen stond nu tussen de rotsen en zou de pijl niet kunnen ontwijken. Hij trok de pees strak, de scherpe pijlpunt wees recht naar zijn in het nauw gedreven prooi.
Zart keek Daeren doodsbang aan. Het enige wat hij zag waren twee fonkelende, felrode ogen met smalle pupillen.
‘Niet doen.’
Het ene moment bevonden zich naast de halfdemon alleen maar struiken, het volgende hurkte een in een donkergroene mantel gehulde gedaante naast hem neer. Een hand duwde zijn arm zacht naar beneden. Geïrriteerd draaide Daeren zich naar de nieuwkomer toe. Hoe haalde deze vreemdeling het in zijn hoofd zijn spel te onderbreken? Twee vriendelijke, mosgroene ogen keken hem recht aan. Voor de jongen kon reageren tikte de man met twee vingers tegen Daerens voorhoofd en een geknetter klonk kort in zijn oren. De omgeving verloor zijn kleurenpracht en werd donker, details vervaagden en verdwenen uiteindelijk. Versuft knipperde de jongen met zijn ogen, die nu langzaam weer warmrood kleurden, en hij liet de pees van zijn boog vieren.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:05 pm

‘Hij ging op me schieten,’ fluisterde Zart met een dun stemmetje. Toen, sterker: ‘Hij wilde me doden.’
Daeren keek verward om zich heen, op zoek naar de fascinerende kleuren die het woud daarnet had tentoongespreid. Opeens leek alle kracht zijn lichaam te verlaten en hij zakte in elkaar. De man ving de jongen op voordat hij de grond raakte en glimlachte geruststellend naar het kind in zijn armen. Vermoeid richtte Daeren zijn blik op het gezicht van de vreemdeling. Zijn haar was grotendeels grijs, met hier en daar lichtblonde lokken, en de jongen kon onder de wijde kap nog net twee puntige oren zien.
‘U hebt... Bedankt dat u me hebt gered,’ zei Zart tot de vreemdeling. ‘Hij is een demon, hij wilde me doden.’ Zijn handen trilden van schrik en snel verstopte hij ze achter zijn rug.
De elf keek de jongen ernstig aan. ‘Wat Daeren bijna had gedaan, is zeker niet juist, maar was wat jij en je vrienden deden dan zoveel beter? Ik heb je laatste slag gezien, Zart, en als je hem toen had geraakt zou deze jonge halfdemon de eerstvolgende dagen niet meer zijn opgestaan.’ De man stond op en trok zijn mantel over Daeren heen, de verzwakte jongen beschermend tegen de koude wind.
‘H-hoe kent u mijn… onze namen?’ stotterde de jongen. Onrustig wendde hij zijn gezicht af.
‘Ik vond één van je kameraden, Kilon. Hij heeft me verteld wat er is gebeurd.’ De elf zuchtte. ‘Ga naar huis, zoals je vrienden. Je ouders zullen ongerust worden als je nog langer wegblijft.’
Zart knikte aarzelend, liep langzaam terug over het smalle pad en begon wat verder te rennen. Hoofdschuddend keek de elf hem na. ‘Dit gaat een staartje krijgen,’ mompelde hij. Hij richtte zijn blik op de jongen in zijn armen, die hem al de hele tijd slaperig bestudeerde, en glimlachte. ‘Ik zal jou naar je ouders brengen, kleintje.’
‘Er is niemand thuis. Papa is gaan jagen,’ geeuwde Daeren.
‘Ach zo.’ De elf hield zijn hoofd schuin. ‘Heb je er iets op tegen als ik je naar mijn kampplaats meeneem? Morgen gaan ik en mijn vrienden toch naar het dorp, dan kan je met ons mee.’
‘J-ja, goed.’
Een tijdlang liep de man door het woud, zich geluidloos door de dichte begroeiing voortbewegend. Op de één of andere manier slaagde hij erin nooit aan de takken te blijven hangen en hij liet geen enkel spoor achter.
Daeren viel af en toe in slaap, om na enkele minuten wakker te schrikken en opnieuw in te dommelen. De mantel waarmee hij was toegedekt, was zacht en hij had het lekker warm. Tevreden kroop hij wat dichter tegen de elf aan en hij geeuwde nogmaals.
‘Remaví, wil je mijn deken eens uit de zadeltas nemen?’ De elf sprak met zachte stem.
Ze stonden stil, ergens knapperde een vuur en een paard brieste ongeduldig. Door de zware stof van de mantel kon Daeren zijn omgeving niet zien, maar net voordat hij werkelijk in slaap viel, hoorde hij iemand antwoorden.
‘Je deke- hé? Rendorin, wat heb je nu mee?’
A reader lives a thousand lives before he dies.

Terug naar “Fantasie”