Schimmenjager (deel 1)

Ontdek een wereld voor elven en draken en nog veel meer mystiek
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:49 pm

Oké, dit is veel. Hieronder staan tweeënveertig pagina's. Als je die wilt skippen, ik heb een korte samenvatting aan het begin van deel 2 staan ;) .

Reden dat ik dit doe is dat ik vooral op mijn laatst geschreven stukken wat feedback zou willen ipv op mijn eerst geschreven stukken. En daar zat mijn probleem: zelfs als ik twee pagina's per week post, heb ik nog driekwart jaar nodig om op het punt te komen waar ik nu zit :lol: . Dat werkt dus niet.

Maar voel je vrij om gewoon alles te lezen! :D
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:52 pm

1
Dodelijk gezelschap
Kifher
3586 Na de Beving


Hoofdpijn wekte me en langzaam deed ik mijn ogen open. De ruimte waarin ik lag, was donker, op een vage gloed die ik vanuit mijn ooghoeken kon zien na. Verward trachtte ik te bedenken waar ik was. Zoekend naar aanwijzingen wilde ik overeind komen, maar ik viel terug neer toen felle steken en voor mijn ogen dansende lichtjes me duidelijk maakten dat ik nog lang niet klaar was voor deze inspanning. Ik kreunde zacht en dacht na. Het laatste wat ik me kon herinneren was dat ik voor een missie naar een dorpje in een uithoek van Inthasin moest en daarbij verschillende opeenvolgende weken in het woud had doorgebracht. Tijdens mijn reis had een kleine groep demonen me aangevallen. Voorzichtig betastte ik mijn achterhoofd en ik vertrok mijn gezicht even. Eén van die monsters moest me een klap hebben gegeven terwijl de rest van de troep me bezighield. Toch was het vreemd dat zoiets had kunnen gebeuren: met mijn scherpere zintuigen had ik op zijn minst moeten horen dat er iets achter mij stond. Ik snoof en verweet mezelf dat ik onoplettend was geweest.
Ik richtte mijn aandacht weer op mijn omgeving en draaide mijn hoofd richting het flauwe schijnsel. Ongelovig stelde ik vast dat ik me in een grot bevond.
Hebben die demonen me hier gebracht?
Volkomen verward probeerde ik een tweede maal rechtop te gaan zitten om de omgeving beter in me op te kunnen nemen. Een rilling liep langs mijn rug omlaag. Iets in deze ruimte beangstigde me, gaf me het gevoel dat er gevaar dreigde. Nerveus keek ik om me heen, maar het enige wat ik kon zien waren rotswanden en de vreemde gloed buiten de kleine grot. Ik bestudeerde de doorgang even en kwam tot de vaststelling dat deze spelonk slechts een holte was in de wand van een veel grotere grot.
Waar ben ik?

‘Je bent in de Niveaus. Het Zesde.’
Een zachte stem kwam vanuit de duisternis achter me. Ik draaide me met een ruk om. Meteen begonnen de stenen wanden om me heen te tollen en ik sloeg met een klap tegen de rotsbodem. Hoestend werkte ik mezelf weer overeind en ik bekeek achterdochtig de nog net zichtbare, in een zwarte mantel gehulde gestalte. Hij zat bewegingsloos in kleermakerszit op de grond, een grote kap verborg zijn gezicht. Twee zwaarden hingen op zijn rug en verschillende dolken waren aan de riemen kruiselings over zijn borst bevestigd.
Toen pas drong de betekenis van wat hij had gezegd tot me door.
De Niveaus. Een enorm grottenstelsel dat zich onder Inthasin uitstrekte en de thuisbasis van de demonen vormde. Niemand, zelfs de meest ervaren krijgers niet, haalde het zich in zijn hoofd om in deze onderaardse gangen af te dalen. Diegenen die dat toch hadden geprobeerd, waren niet meer teruggekomen. Dit was het domein van het kwaad, van duisternis en demonen, en dat kwaad was niet van plan zijn geheimen prijs te geven aan de oppervlakte.
En nu zat ik in de Niveaus.
De man, die zich nog niet had bewogen, stond plots met een vloeiende beweging op, zonder enig geluid te maken. Hij was mager en niet zo groot - als ik naast hem zou staan zou hij misschien net tot aan mijn kin reiken - maar hij zag er lenig en sterk uit: het lichaam van een doorgewinterde vechter.
Hij liep naar een uithoek van de grot, keerde terug met een waterzak en een plat, hard brood en gaf het voedsel aan mij.
‘Over een uur moeten we hier weg’, deelde hij mee. Mij volledig negerend ging hij terug zitten, in zowat exact dezelfde houding als zonet.
Opgelaten door de aanwezigheid van de onbekende begon ik langzaam te eten.
‘Wie ben jij?’ vroeg ik tussen twee happen door.
Wat ben jij, dat je in de Niveaus ronddwaalt?
Een moment lang verroerde hij zich niet. Toen trok hij langzaam, bijna loom, zijn kap af.
‘Daeren Lì Sinfal.’
Felrode ogen met smalle pupillen keken me strak aan. Zijn halflange, warrige haar was wit en een fijn, zwart litteken startte onder zijn linkerooghoek, liep schuin naar beneden naar zijn hals en verdween in zijn kraag.
Het duurde maar enkele seconden voordat ik besefte dat hij een halfdemon was; een mens die, door een speling van de natuur, over demonenmagie beschikte.
Normaalgezien was dit een onmogelijke combinatie, maar heel af en toe werd het verkeerde wezen aan de verkeerde soort magie gelinkt. De kans dat zoiets gebeurde was echter zeer klein. Halfdemonen waren al helemaal zeldzaam, gezien de woeste, vernietigende aard van demonenmagie. De laatste keer dat ik over een halfdemon had gehoord, was na het verdwijnen van Rendorin. Na…
Ik werd lijkbleek. Na Schimmenjager.
De man voor mij grijnsde, zich bewust van mijn gedachtegang.
‘Dat kan niet. Schimmenjager werd door Rendorin verslagen, hij bestaat niet meer’, fluisterde ik.
‘Hoe weet je dat?’ Zijn stem droop van spot. ‘Ik was verdwenen. De Orde heeft mij noch Rendorin kunnen terugvinden. De misdaden hielden op, maar kun je ervan uitgaan dat dan ook de misdadiger dood is?’
Ontelbare gedachten schoten door mijn hoofd, vechtend om voorrang. Het was niet mogelijk dat de vreselijke Schimmenjager nog in leven was.
Zeventien jaar geleden startte iets met het uitmoorden van hele dorpen, ze willekeurig uitkiezend. Afgesneden van de buitenwereld werden de bewoners een voor een vermoord. Langer dan één nacht had de moordenaar nooit nodig. De enige sporen die hij achterliet waren de zwakke echo’s van demonenmagie. De Orde probeerde de schuldige op te sporen, zoekend naar een machtige demon, maar had geen succes. Hij speelde slechts sadistische spelletjes met de jagers, uit het zicht blijvend. Alsof je schaduwen geworpen door het licht van een flakkerende kaarsvlam trachtte te grijpen.
Niemand had gedacht aan de mogelijkheid dat Schimmenjager een halfdemon kon zijn, totdat de elfenmagiër Rendorin hem op het spoor kwam en zijn leerling terugstuurde met deze informatie.
Schimmenjager verdween nadat Rendorin hem had gevonden. Net zoals Rendorin zelf ook verdween. Iedereen nam aan dat ze allebei waren gestorven.
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op ma mar 06, 2017 6:45 pm, 2 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:53 pm

Wat wil hij van me?
Daeren stond op.
'Ik ga extra proviand halen. Reservewapens zijn er pas bij de volgende schuilplaats; die van jou zijn verloren geraakt. En', hij gebaarde naar mijn hoofd, 'genees jezelf ondertussen.'
Hij draaide zich om en liep geluidloos naar de toegang tot de grote grot.
'Wat is er gebeurd toen Rendorin je vond?' Ik kon maar met moeite de verbittering uit mijn stem houden. Mijn vraag zorgde ervoor dat hij in de opening bleef staan, met zijn rug naar me toe.
'We hebben gevochten en hij heeft me verslagen', antwoordde hij zacht. Voor ik kon reageren verdween hij achter de rotsen en liet mij in opperste verwarring achter.
Rendorin versloeg je? Waarom ben jij dan de enige die nog in leven is?
Zwijgend staarde ik naar de grond terwijl ik traag het laatste stuk brood opat. Daarna voelde ik nogmaals voorzichtig aan mijn achterhoofd en opgelucht constateerde ik dat ik tenminste niets gebroken had. Ik dacht na, zocht de juiste manier om de nodige runen te ordenen en met snelle gebaren tekende ik ze boven mijn handpalm. Vrijwel meteen voelde ik hoe een warmte zich door mijn vingers en pols verspreidde en ik drukte mijn hand tegen mijn pijnlijke hoofd. De Woudmagie straalde uit naar de wonde en begon die langzaam te genezen. Ik was geen echte magiër en beschikte niet over grote hoeveelheden magie, maar ik was handig met runen, waardoor ik redelijk goed wonden kon helen. Op zijn minst zou ik straks van mijn hoofdpijn en duizeligheid af zijn.
Na een tijd verbrak ik de runen, schoof naar achteren, leunde met mijn rug tegen de muur en sloot mijn ogen.

‘Wakker worden.’
Een schop tegen mijn laarzen haalden me ruw uit mijn sluimering. Onmiddellijk was ik klaarwakker, mijn hand ging als vanzelf naar de plaats waar mijn zwaard hoorde te zijn en ik was al half overeind gekomen voordat ik besefte dat het Schimmenjager was. Geïrriteerd en verschrikt tegelijk staarde ik hem aan. Mijn slaap was heel licht geweest, hoe was hij erin geslaagd me zo dicht te naderen zonder dat het me had gewekt?
Lichtelijk geamuseerd keek Daeren me aan.
‘Kom mee. Hoe sneller jij weer boven bent, hoe beter.’
Hij moest mijn wantrouwen en kwaadheid hebben opgemerkt, want halverwege de grot bleef hij staan. Rode kattenogen focusten op me.
‘Bang dat ik je niet naar de oppervlakte leid, maar naar je dood?’
Moeizaam stond ik op, mijn blik strak op Schimmenjager gericht.
‘Waarom zou jij, een moordenaar, mij niet dood willen?’ repliceerde ik meteen.
Zijn mond vormde een glimlach, maar hij was allesbehalve vrolijk. Een demonische schittering in zijn ogen deed me achteruit deinzen. Hij haalde traag zijn schouders op.
‘Of ik je wel of niet wil vermoorden, mag je zelf kiezen.’ Grijnzend draaide hij zijn rug naar me toe. ‘In je eentje sterf je hoe dan ook. Met mij erbij… misschien.’
Zonder nog aandacht aan me te besteden liep hij de grot uit. Met een zachte vloek volgde ik hem, wetend dat hij gelijk had.
Zwijgend reisden we urenlang door het gangenstelsel. In het begin probeerde ik de weg die we namen te onthouden, maar ik gaf het algauw op. Ik was compleet gedesoriënteerd. Hoe verder we raakten, hoe meer splitsingen ik zag en hoe sneller bochten en afslagen elkaar opvolgden. Het gebied waar we doorheen gingen, was één gigantische doolhof van grotten en smalle gangen. Ondanks dat vond Schimmenjager, die me al de hele tijd negeerde, moeiteloos zijn weg.
Na wat mij een hele dag reizen leek, hielden we eindelijk halt bij een tweede schuilplaats, vergelijkbaar met degene waarin ik was ontwaakt. We spraken niet toen hij me een in dun leer gebonden bundel met voedsel en een in canvas gewikkeld zwaard gaf en hij wat later met zijn rug tegen de muur ging zitten om te slapen. Na een korte rust wekte hij me en weer trokken we verder.
We reisden van schuilplaats naar schuilplaats, steeds water en proviand aanvullend. Het viel me op dat hij nooit at en slechts heel af en toe dronk. Echt slapen deed hij ook nauwelijks.
Ik begon ongemerkt mijn aandacht te verliezen, verveeld door het zich eeuwig herhalende uitzicht van stenen gangen en grotten. Ergens in het midden van één van die gangen zei Schimmenjager dat we het zesde niveau voorbij waren en het Vijfde waren binnengegaan. En opnieuw gingen we door voor vele uren, zonder een moment rust.
Uiteindelijk draaide hij zich om, wenkte me en ging een smalle zijgang in. Daeren liep een heel eind voor me uit en met een vloek dwong ik mezelf ertoe om sneller te lopen, ondanks mijn vermoeidheid, en ik kon hem nog net in een goed verborgen scheur in de rotswand zien verdwijnen.
Even bleef ik voor de opening staan. Het was aardedonker in de spelonk, ik kon slechts vage silhouetten zien van wat vermoedelijk stalagmieten waren. Schimmenjager was in het duister verdwenen.
Blijkbaar aarzelde ik te lang, want Daeren kwam net ver genoeg in de gloed van de gang staan om waarneembaar te zijn.
‘Ga binnen.’ Hij gebaarde ongeduldig naar de ruimte achter zich. Ik stapte de grot in en liet me wat verder op de grond vallen. De razendsnelle tocht door de Niveaus had me volkomen afgemat en ik was ervan overtuigd dat, als onze rust nogmaals zo kort zou zijn, ik halverwege het volgende deel zou flauwvallen. Een aantal runen begonnen op nog geen meter van mij zacht te gloeien en zorgden voor licht, zonder zo fel te zijn dat het op de gang zou opvallen. Verwonderd bekeek ik de vreemde symbolen.
Demonenmagie die door runen geleid wordt? Ik wist niet dat dat mogelijk was.
Daeren leunde tegen een uitzonderlijk grote druipsteen aan. De halfdemon observeerde me zwijgend en stoorde zich niet aan het feit dat ik me ongemakkelijk voelde onder zijn onderzoekende blik.
‘Je bent uitgeput,’ constateerde hij. Hij maakte zijn zwaarden los van de riemen en legde ze naast zich neer.
‘We zullen hier langer rusten. Kom weer op krachten.’
Ik kon mijn opluchting niet verbergen en hij glimlachte licht. Tot mijn verbazing kon ik geen enkele spot in zijn stem of op zijn gezicht ontdekken. Hij staarde een beetje afwezig naar de door hem getekende runen. Het leek alsof zijn irissen donkerder dan anders waren. Toen stelde zijn blik zich scherp, en de indruk van het warme wijnrood in zijn ogen was verdwenen.
Rillend van vermoeidheid trok ik mijn mantel strak om me heen en maakte het me zo gemakkelijk mogelijk op de stenen ondergrond.
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op ma mar 06, 2017 6:47 pm, 2 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:54 pm

Door het ontbreken van zon en nachtgesternte was ik mijn gevoel voor tijd helemaal verloren en ik kon echt niet bepalen hoelang ik me al in de Niveaus bevond, al was ik er zeker van dat er minstens een week was verstreken sinds ik Schimmenjager had ontmoet. Een volledige week om één niveau, het Zesde, door te reizen, en wie weet hoeveel weken meer om de oppervlakte te bereiken, zelfs als ik ervan uitging dat we al een behoorlijke afstand in het Vijfde hadden afgelegd. Ik zuchtte ongelovig.
De legenden over de grottenstelsels waren talrijk, het ene nog angstaanjagender dan het andere, verhalend over een eindeloze massa demonen, klaar om Inthasin op te slokken in een golf van kwaadaardigheid. Hoewel ik nog geen demon had gezien, was geen enkele verhalenwever of minstreel er echter in geslaagd om de omvang, de uitgestrektheid van dit ondergrondse doolhof te benaderen.
Een tik op mijn schouder deed me opschrikken en Daeren drukte brood en een waterzak in mijn handen. Meteen begon ik te eten.
‘Hoeveel niveaus zijn er eigenlijk?’ vroeg ik in een opwelling.
’Drieënzestig die vrij toegankelijk zijn.’
Mijn ogen werden groot, een moment lang wist ik niet of ik hem wel of niet moest geloven. In gedachten verzonken streek hij over een lange, rond zijn bovenarm gewikkelde strook stof. Het dikke, gitzwarte weefsel leek even te zinderen.
‘Er is nog een ander, lager niveau, het Vierenzestigste. Er bestaat geen enkele doorgang die je daarnaartoe brengt, anders dan de portalen die zij zelf maken. Demonen die daar eindigen, komen meestal niet meer terug.’
Hij bleef even stil en ging toen verder: ‘Zelfs hier bestaan regels, al zijn het er niet veel en hebben ze meestal niets met de oppervlakte te maken. De regels breken betekent zeer zware straffen ondergaan.’
‘Wie zijn “ze”?’
‘Ik weet het niet. Niemand weet dat. Maar ze hebben de macht om demonenmagie te neutraliseren en tegelijk hun magie naar eigen goeddunken te gebruiken.’
Het licht van de runen werd doffer en flakkerde, doofde helemaal en herwon bijna onmiddellijk zijn normale sterkte, zo snel dat het leek alsof het nooit was veranderd. Daerens stem had een grimmige ondertoon gekregen.
‘Ben jij er geweest?’ vroeg ik zacht.
Hij knikte stuurs. ‘Ja, en ik hoop er nooit terug te keren.’
Zijn wijde mantel als deken gebruikend leunde hij achterover, trok zijn knie op en sloot zijn ogen, me duidelijk makend dat het gesprek afgelopen was. Geeuwend volgde ik zijn voorbeeld. Het duurde niet lang voordat ik in een diepe, vaste slaap viel.

Het waren mijn pijnlijke spieren die mij wekten, en niet de harde trap die ik anders te verduren kreeg. In mijn ogen wrijvend ging ik zitten en verbaasd stelde ik vast dat ik uitgeslapen was. Mijn hoofd was weer helder, mijn zicht werkte beter en ik was het knagende gevoel van krachteloosheid kwijt. Meteen moest ik grijnzen. Hoe erg was het met me gesteld als ik enkele uren slaap méér als een absolute luxe zag?
Ik rekte me kreunend uit en bekeek de kleine ruimte. De runen lichtten nog altijd op, zij het minder fel dan toen ze net getekend waren. Schimmenjager was verdwenen. Enkel de leren tas die hij gebruikte voor het meenemen van het proviand lag nog tegen de druipsteen, sporen of andere aanwijzingen voor zijn vertrek waren er niet.
Onze conversatie, en dan vooral zijn irritatie over mijn nieuwsgierigheid spookte door mijn hoofd. Ik vertrouwde hem niet en hij had al eens glashelder gemaakt dat mijn overlevingskansen laag waren. Het was niet onmogelijk dat hij op me was uitgekeken en me hier had achtergelaten.
Zacht vloekend besliste ik nog een uur te wachten. Als hij dan nog niet was teruggekeerd, zou ik ervan uitgaan dat hij dat ook niet meer ging doen, en dan… dan wat? Zelf een uitweg zoeken?
Met een zucht liet ik me opnieuw op de grond zakken, beseffend dat ik zonder gids nooit uit dit doolhof zou geraken. Ik trok de lederen zak aan de riem naar me toe en haalde er wat dingen uit om te eten. Daeren daagde niet op.
Na een uur stond ik op, hing de tas over mijn schouder en liep naar de scheur in de rotswand, bleef aarzelend in de opening staan en probeerde te bepalen welke kant ik zou opgaan. De richting waaruit Daeren en ik waren gekomen, was bochtig, vol splitsingen en zijwegen. De kans dat ik dan deze grot niet meer zou terugvinden was veel te groot – op dit moment was het mijn enige veilige haven. Links van mij was de gang recht, heel flauw verlicht door de schaarse, op de muren groeiende mossen, en ik besloot die weg te volgen.
Enkele minuten liep ik door het schemerduister, heel stil en met al mijn zintuigen op scherp om niet door demonen verrast te worden, tot er uiteindelijk zo weinig plukken mos waren dat ik soms hele delen op de tast verder moest. Bij een vaag verlichte splitsing bleef ik aarzelend staan en sloeg de linker gang in. Ik wist toch niet welke weg naar de oppervlakte leidde, dus kon ik net zo goed willekeurig door de Niveaus struinen.
Ik had nog maar enkele stappen gezet in de aardedonkere, smalle tunnel, toen ik een scherp getik hoorde, gevolgd door een nauwelijks hoorbaar schuiven, en ik zette me schrap voor een eventuele aanval. Iets raakte me heel hard tegen mijn schouders en ik tuimelde vooruit, draaide me in mijn val en rolde meteen overeind, mijn zwaard opgeheven om een volgende slag af te weren. Het tikken klonk een tweede keer en ik haalde op goed geluk uit naar de bron ervan, ergens in het duister voor mij.
‘Ben je gek?’ siste een woedende stem. Ik was zo verbaasd dat ik niet reageerde toen mijn pols werd vastgegrepen en me mijn zwaard werd afgenomen.
‘Daeren?’
‘Wie anders?’ zei hij giftig. ‘Waarom ben je niet in de spelonk gebleven?’
‘Je kwam niet terug,’ antwoordde ik onrustig.
Hij zweeg en zuchtte, zijn stem was veel kalmer. ‘Ik had gedacht dat je langer zou slapen. Sorry.’
Hij gaf me mijn zwaard terug en leidde me door de gang, met zijn hand op mijn bovenarm.
‘Doe me een plezier en spring de volgende keer zo snel mogelijk weg als je geluiden hoort die van alle kanten behalve voor of achter je komen. Het zijn vallen.’
De vage gloed van de splitsing was net zichtbaar toen hij abrupt stopte, me even aankeek en me onverwachts hard vooruit duwde. Het tikken klonk weer en ik draaide me net snel genoeg om een flits te zien passeren, veel dichter dan me lief was. Daeren sprong nu ook en deze keer zag ik het ragfijne, ijzeren blad dat uit de grond schoot, rakelings langs zijn rug scheerde en met razende vaart het plafond in verdween.
Afwezig ging hij naar de splitsing en bekeek zijn arm even.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:54 pm

De flinterdunne, scherpe kling van de val had een diepe snee achtergelaten, het bloed was door zijn houding naar zijn hand gedrupt en had grillige lijnen op zijn bleke huid getekend. Hij had zijn ene arm niet op tijd kunnen wegtrekken nadat hij mij uit de val had weggeduwd. Een nauwelijks waarneembare rook verzamelde zich rond de wonde, die meteen begon te genezen. In een oogwenk stopte het bloeden en een tiental seconden later was de snee nog maar half zo diep. Het rood van zijn ogen was feller dan ik het ooit had gezien en zijn pupillen versmalden zodanig dat het niet meer dan streepjes waren.
Plots schrok hij op, het genezen stopte onmiddellijk en de damp verdween. Verward staarde ik naar zijn opnieuw donkerrode ogen, niet goed wetend wat te denken van hetgeen ik zonet had aanschouwd.
Een flits van ergernis trok over zijn gezicht, daarna keerde zijn zelfzekere kalmte terug. Mijn verbijstering negerend gebaarde hij dat ik hem moest volgen en hij liep de andere gang in, ondertussen zijn mouw omhoogschuivend en de zwarte band losmakend om het daarna rond zijn onderarm te wikkelen. De stof versmolt met zichzelf, een knoop hoefde hij niet te maken.
‘Wat is dat? Toen je er in die spelonk over wreef leek het ook al te reageren.’ Nieuwsgierig bekeek ik de dikke strook.
‘Een soort zegel,’ zei hij, terwijl hij zijn mouw er over trok. ‘Vraag me niet hoe het werkt, het Vierenzestigste heeft het gemaakt en hun magie is mij onbekend.’
Verrast keek ik op. ‘Het Vierenzestigste?’ Ik aarzelde, wetend dit een gevoelig onderwerp was. ‘Je zei toch dat zij de Niveaus min of meer controleren?’
Daeren knikte bedachtzaam. ‘Die wezens controleren wel de Niveaus, maar niet de demonen.’ Hij zocht even naar een goede manier om het uit te leggen. ‘Zie ze als de bewakers van een vreemd soort evenwicht. Als een demon dat evenwicht in gevaar brengt, wordt hij meedogenloos gestraft. Anders moeien ze zich niet met de bewoners van de grotten.’
‘Dat zegel is niet echt een straf, aangezien je zelf over het gebruik ervan beslist,’ stelde ik vast.
Hij wierp me een blik toe en mompelde: ‘Sinds wanneer ben jij zo nieuwsgierig?’
Een moment lang leek het alsof hij zich opnieuw in een afstandelijke stilte zou hullen, maar hij glimlachte licht.
‘Het was geen straf, eerder een voorzorgsmaatregel.’ Hij sloeg een donkere, steile gang in en bleef na een aantal meter staan, zijn vingers gleden zoekend over de rotswand.
‘Ik ben machtig, machtiger dan eigenlijk mogelijk zou moeten zijn. Hier beneden heb ik daar geen last van, maar boven is de druk van mijn magie soms niet uit te houden,’ vervolgde hij. ‘Vroeger beheerste ik mijn magie veel minder goed dan nu: ik was een vat dat elk moment kon ontploffen.’
Zijn hand volgde een kronkelend patroon en ik sprong op van schrik toen een scherp geratel door de tunnel echode en langzaam wegstierf. Schimmenjager bleef bewegingsloos wachten, zijn hoofd een beetje schuin, alsof hij zeer aandachtig luisterde. Een zachte klik, nauwelijks hoorbaar, kwam van diep in de gang. Pas dan ging hij verder de tunnel in en zwijgend volgde ik hem, geduldig wachtend tot hij zijn verhaal zou voortzetten. Na een tijdje begon Daeren weer te praten.
‘Halverwege de periode van de Schimmenjager zoals jij die kende, ben ik in de Niveaus gevallen. Ik bleef terugkomen om de grotten te ontdekken en behoorde daardoor volgens het Vierenzestigste allang niet meer aan de oppervlakte toe. Door mijn slechte controle over mijn magie zagen ze me als een potentieel gevaar dat ze moesten indammen, voordat het onherstelbare schade zou berokkenen aan wat het ook is dat zij beschermen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Daarom hebben ze me dat zegel gegeven.’
Ik keek hem schuin aan, er was nog steeds één ding dat ik niet begreep en waar hij met geen woord had over gerept. ‘Waarom dan je angst voor hen?’
Hij reageerde niet op mijn vraag, van zijn gezicht viel niets af te lezen. Er waren al enkele minuten verstreken en ik had de hoop op een antwoord opgegeven toen hij schamper lachte.
‘Het zegel is één ding, naar het Vierenzestigste gaan iets heel anders.’ Hij wierp een donkere blik naar de grond, alsof hij rechtstreeks naar het laagste niveau kon kijken en zuchtte.
‘Ik neem aan dat het geen kwaad kan je te vertellen wat er is gebeurd.’
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:56 pm

2
Schaduwstemmen
Daeren
3572 Na de Beving


Donkere, dichte bossen bedekten de noordelijke heuvels van Inthasin, slechts onderbroken door meanderende rivieren en enkele afgelegen dorpjes. De Wouden van Mislka, zoals de bewoners ervan ze noemden, werden angstvallig gemeden door eenieder die hier niet was opgegroeid. Paden waren smal en leken vaker wel dan niet dood te lopen, om dan onvindbaar te zijn zodra je wilt terugkeren, en de plantengroei was zo rijk dat je nauwelijks een vijftal meter voor je uit kon zien. Grote roofdieren raakten maar al te vaak met demonen in een woest gevecht verwikkeld; wee de jager die dan in de buurt was.
De brede, traag stromende rivier Menon splitste zich na enkele mijlen door de bossen te hebben afgelegd. Oostelijk vloeide de Eron, een smallere rivier die zich kronkelend een weg baande doorheen woud en heuvel. In het noorden denderde de Zaron vele watervallen af. Sommigen fluisterden dat er zich daar een toegang tot de Niveaus zou bevinden, verborgen achter het snel naar beneden stortende water, maar men was er nooit in geslaagd de wouden ver genoeg binnen te dringen om dat na te gaan.
Water ophoestend en rillend van de kou kroop hij de oever op, ging een beetje wankel staan en wierp een nijdige blik op de bulderende rivier.
Ik haat deze vervloekte uitgang.
Hij was dwars door het watergordijn naar een groot rotsblok gesprongen, in de hoop zichzelf een ijskoud bad te besparen, maar algen hadden de steen spekglad gemaakt en hij was alsnog in de snel stromende rivier gevallen.
Haastig ging hij zijn spullen na. Eén dolk was uit de schede gegleden en lag waarschijnlijk ergens op de bodem van de Zaron, de rest was doornat geworden. Hij probeerde of hij met zijn magie het water uit zijn kledij kon trekken, maar gaf op toen hij merkte dat hij onvoldoende controle had en de stof daardoor bijna scheurde.
Heftige rillingen liepen door zijn hele lichaam en hij besefte dat hij snel warm zou moeten krijgen wilde hij niet onderkoeld raken. De herfstzon gaf niet voldoende warmte om zijn kleding snel te drogen en hij liep het woud in, weg van de rivier, op zoek naar een beschutte plaats waar hij een vuur kon maken.
Hij had nog maar enkele stappen tussen de dicht opeen staande bomen gezet toen hij door een onverwachts sterke druk van binnenuit struikelde. Kreunend bleef hij staan.
Niet nu. Alsjeblieft niet nu.
Hij kon zijn magie horen krijsen en janken, kon het voelen krabben aan de wanden van de cel waarin hij het had weggestopt. Het wilde er uit, wilde hem overnemen en beheersen, net zoals het zovele jaren had gedaan, en gebruikmaken van zijn nu sterkere lichaam en in de Niveaus opgedane kennis om dood en verderf te zaaien.
Met opeengeklemde tanden bleef hij staan, tot het rukken aan de kettingen minder werd en uiteindelijk verdween. Hij haalde diep adem en ging door, verder het woud in, onderweg zoveel mogelijk brandbaar materiaal verzamelend. Een nieuwe schreeuw van zijn magie, samen met een pijnscheut die zich razendsnel doorheen zijn lichaam verplaatste, deed hem bijna op zijn knieën zakken. Hij sloot zijn ogen en leunde met zijn rug tegen de dikke stam van een eik aan.
Hier kon hij niet stoppen, er was te weinig bescherming, een vuur zou van ver te zien zijn en onmiddellijk ongewenste aandacht trekken. De kou was echter al zo ver in zijn lichaam doorgedrongen dat zijn spieren weigerden mee te werken en hij zich licht in het hoofd voelde.
Onbedaarlijk rillend dwong hij zichzelf om door te gaan, de ene stap na de andere te zetten, tot hij een betere schuilplaats vond. Hij voelde hoe de demonenmagie aanbood hem op te warmen en te behoeden voor een dodelijke daling van zijn lichaamstemperatuur. Woest drukte hij zijn magie terug naar een uithoek van zijn geest, wetend dat het van de gelegenheid zou gebruikmaken om hem opnieuw te overheersen.
Weldra bereikte hij een kleine open plek, afgeschermd door dichte struiken en een platte rots, die schuin in de grond stak en deels over de plaats hing. Snel stapelde hij de takjes en het droge gras dat hij had gevonden en ontstak het na een lichte aarzeling met een rune. Zodra de vlammen hoog opflakkerden, kleedde hij zich uit tot hij enkel nog zijn broek aanhad en hing zijn doorweekte kledij over de takken van de struiken.
Met een zucht ging hij naast het vuur op de verende bosgrond liggen, slechts af en toe overeind komend om stukken hout aan de hongerige vlammen te geven. Enkele uren later, de kou was eindelijk uit zijn lichaam verdreven, kwam ook zijn magie tot rust, en hij liet zichzelf toe in droomtoestand weg te glijden.
Hij was net in slaap gevallen toen een vreemd gevoel hem deed opschrikken. Meteen vlogen zijn ogen open, klaarwakker, en hij kwam geruisloos overeind, met één hand zijn zwaard vastnemend. Al zijn zintuigen stonden op scherp, niets ontsnapte aan zijn aandacht.
De bladeren ritselden door de wind, boven hem zongen een paar avondvogels hun lied. Het schemerde en gebruikmakend van de schaduwen om ongezien te blijven sloop hij tussen de struiken door. Bijna meteen verstijfde hij weer. Stomverbaasd keek hij naar de grote, volmaakt ronde vlek die schijnbaar in het niets hing. Hij besefte dat het een soort poort was, bestaande uit inktzwarte duisternis die het weinige licht dat er nog was absorbeerde. Vreemd genoeg was er niets in de buurt dat krachtig genoeg was om een doorgang als deze te maken.
Nieuwsgierig ging hij voor de poort staan en probeerde de vreemde soort magie die het uitstraalde te plaatsen. Het leek op demonenmagie, maar was toch helemaal anders.
En het riep hem. Onwillekeurig zetten hij nog een paar stappen, tot hij op nog geen zwaardlengte afstand van het inktzwarte gat stond. Op dat moment gingen in zijn binnenste verschillende alarmbellen af en hij bleef als bevroren staan.
De magie wilde met alle geweld dat hij naar de plaats achter de poort ging, trachtend hem met een sterke lokroep zo ver te krijgen dat hij er uit eigen beweging doorheen stapte. Zijn wantrouwen vocht met de invloed van de vreemde energie en langzaam zette hij een pas terug. Te laat merkte hij dat er iets achter hem stond en een harde duw liet hem voorover de duisternis in tuimelen.

Een seconde lang had hij de verwarrende indruk naar boven te vallen, voor hij met zijn rug en hoofd tegen de grond aan sloeg. Hoestend en snakkend naar adem bleef hij liggen, duizelig door de klap en de omkering van de zwaartekracht die de poort had veroorzaakt.
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op wo mar 08, 2017 7:55 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:57 pm

Alles om hem heen was donker, geen enkel straaltje licht bereikte de ruimte waarin hij lag. Blind tastte hij met zijn vingertoppen de bodem af, zoekend naar aanwijzingen over zijn locatie. Koude, onregelmatige steen. Een rotsbodem.
Ergens klonk het gestage druppelen van water; het geluid weerkaatste tegen de muur en deed hem vermoeden dat hij in een lange gang lag, diep onder de grond. Hij overwoog de mogelijkheid dat hij zich in de Niveaus bevond, maar verwierp het idee meteen weer. De grottenstelsels waren doordrongen van demonenmagie en hier kon hij geen enkele soort ontdekken.
Voorzichtig kwam hij overeind, stapte langzaam naar voren tot zijn vingers de wand raakten en met zijn hand tegen de steen aangedrukt sloop hij verder, in de richting van het druppelende water.
Iets in deze gang beviel hem niet, hij had het beklemmende gevoel dat er elk ogenblik een roofdier bovenop hem kon springen. Daarbij hing er geen geur. Geen stof, geen stilstaand water, geen muffe lucht, zoals men in grotten zou verwachten. Onrustig wreef hij zijn witte haar uit zijn ogen. Deze gang was een val, en hij was de prooi.
Minutenlang ging de tunnel rechtdoor, de wand en ondergrond bleven vrij vlak, alsof iemand moeite had gedaan elke hindernis weg te nemen. Op een gegeven moment stopte de muur en stond hij in een open ruimte. Steeds nerveuzer wordend bleef hij even staan en liep naar links, waar het gedruppel vandaan leek te komen.
Hij wist niet wat hem waarschuwde, maar al na een paar meter besefte hij dat hij niet alleen was in deze spelonk. Gespannen bleef hij staan. Een zacht lachje klonk op, tegelijk stopte het druppen.
‘We wisten dat je sterk was, Renii, maar dat je ons opmerkt is een ware verrassing.’ Weer lachte het wezen, hoog en zacht.
‘Demonenmagie is gevaarlijk, het vernietigt je als je het niet in toom houdt. Jij kunt het maar met moeite beheersen.’ Het had een vriendelijke, bijna kinderlijke stem.
Hij stond doodstil, verward en alert probeerde hij uit te maken waar de ander zich bevond.
‘Je zult ons niet vinden, Renii,’ fluisterde het wezen vlakbij zijn oor.
Instinctief sprong hij opzij en haalde uit met zijn magie, die vrijmakend van alle ketenen waaraan het had vastgelegen. Wat aan de oppervlakte zijn volle vermogen zou zijn geweest, werd gereduceerd tot een minieme luchtverplaatsing. Verbijsterd deed hij nog enkele stappen achteruit, ongelovig reikte hij nogmaals naar zijn magie. Het was alsof hij schaduwen wilde grijpen. Hij voelde de energie duidelijk in zijn binnenste, maar kreeg er haast geen vat op, kon het niet inzetten tegen de monsters in deze zaal.
De magische klap die hij had willen uitdelen had totaal geen effect gehad, toch voelde hij de verbazing van het wezen.
‘Hij is sterk, broeders,’ siste een tweede stem, ‘laten we hem onschadelijk maken, hij mag niet met deze macht rondlopen.’
Plots vloog hij door de lucht en werd met geweld tegen de rotswand aangedrukt, de vreemde macht hield hem op eenzelfde hoogte. Hij knipperde met zijn ogen. De magie was als vanuit het niets verschenen om hem aan te vallen. Doodsbang trachtte hij zich los te maken, maar een krachtveld zorgde ervoor dat hij muurvast zat, en met zijn magie kon hij ook niets beginnen.
Zijn armen schoven een eindje van zijn zij af, tegelijk werd in de lucht voor hem op verschillende plaatsen een vaag, blauwachtig schijnsel zichtbaar dat snel samentrok, totdat er zeven langwerpige vormen voor hem in de lucht zweefden. Misselijk van angst bekeek hij de uit pure energie opgebouwde voorwerpen.
Zijn schreeuw werd abrupt afgebroken toen de scherpe staken zijn polsen, schouders, bovenbenen en linkerlong doorboorden. Het krachtveld verdween, het waren nu enkel de staven die de bewusteloze Schimmenjager boven de grond lieten hangen.

Pijn en angst raasden door hem heen, verlamden hem en voorkwamen dat hij zich kon concentreren. Een deel van hem hoorde opvallend helder de fluisteringen en het zachte geknetter waarmee de ruimte gevuld was, proefde de metalige smaak van het bloed in zijn mond en voelde hoe het dikke, rode vocht van zijn kin af liep. Hij hoestte, kreunde toen de schokken het hete vuur van de pijn opnieuw opstookte en zakte in de verlossende duisternis weg.
Hij had geen idee hoeveel tijd er verstreken was toen hij ontwaakte. Het was stil in de ruimte, de wezens waren verdwenen of hadden ervoor gezorgd dat ze niet door hem konden worden opgemerkt. Bewegingsloos bleef hij waar hij was, te uitgeput om meer te doen dan te slapen en af te wachten wat er met hem zou gebeuren.
De pijn was weg. Hij knipperde met zijn ogen, probeerde zijn wazige gedachten te focussen en controleerde zijn lichaam. Hij lag op de grond, van de wonden was niets overgebleven, verbrijzelde botten hadden zich hersteld en hij kon weer normaal ademen. Langzaam hees hij zichzelf overeind, hij voelde zich zwak en ziek. Iets lichts schoof van hem af en nieuwsgierig raapte hij het op, liet het voorwerp door zijn handen glijden. Het leek een lang stuk stof, maar hij voelde de energie die het uitstraalde en de trilling die erdoorheen trok toen hij het aanraakte.
Fel licht verblindde hem plots en in een reflex dook hij in elkaar en hield zijn arm voor zijn gezicht. Het volgende moment zakte hij door de grond en landde languit op zijn buik op zacht mos. De stand van de portalen verwensend draaide hij zich moeizaam op zijn zij, liet zijn ogen wennen aan het licht en bekeek zijn omgeving. De wezens hadden hem afgezet op de plaats waar hij eerder zijn toevlucht had gezocht, zijn kledij hing nog over de struiken en was droog, van het vuur dat hij had gemaakt was niet meer dan een hoopje as en verkoolde stukken hout over. De afgevallen herfstbladeren ritselden toen hij op zijn rug ging liggen, hij zocht de zon door de takken van de bomen heen en zag dat hij de volledige nacht en voormiddag in de grotten was gebleven.
Hij raakte voorzichtig zijn schouder aan, zoekend naar sporen van de wonden die de staken hadden gemaakt, maar hij voelde niets. Het enige wat hij op zijn polsen vond, waren twee fijne, witte lijnen, nauwelijks waarneembaar.
Roerloos bleef hij liggen, genietend van de weinige warmte die de zon gaf, en viel vermoeid in slaap.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 3:58 pm

Kifher
3586 Na de Beving


Het duurde even voor ik doorhad dat Daeren zijn verhaal had afgerond. Hij liep zwijgend voor me uit, zo diep in gedachten verzonken dat ik geloofde dat hij mijn aanwezigheid volledig vergeten was.
Me plots van mijn omgeving bewust keek ik verwonderd in het rond. We liepen op de bodem van een brede, diepe kloof. Zacht oplichtend mos bedekte bijna het volledige oppervlak van de ruwe rotswand en hier en daar was zelfs de grond vol gegroeid. Hoog boven ons heerste absolute duisternis, zodat het leek alsof de kloof in het niets zweefde.
Schimmenjager speelde met een uit zijn mouw hangend eind van het zegel, hij was blijven staan en wachtte me geduldig op.
'Het heeft me een tijd gekost om uit te zoeken wat die strook stof was en hoe het werkte, en ik hoorde pas jaren later waar ik eigenlijk was geweest.'
Ik liep naar hem toe en we gingen loom verder door het ravijn. Het was een verademing om uit die eeuwige schemering van de smalle gangen te zijn en licht en ruimte om me heen te hebben. Ik had de indruk dat het ook Daeren deugd deed.
Hij is... rustig. Niet zo alert als anders.
'Waarom noemden ze je Renii?' vroeg ik.
Geamuseerd glimlachte hij. 'Het betekent "schaduw" of "schim" in Mena Listiën, de demonentaal.' Zijn ogen waren donkerrood en er fonkelden pretlichtjes in, voor de eerste keer gaf hij me het gevoel oprecht vrolijk te zijn.
Er viel een aangename stilte en we trokken verder de kloof door, af en toe over stapels rotsblokken klimmend die ooit deel hadden uitgemaakt van de massieve wanden die links en rechts van ons oprezen.
‘Hoelang zwerf jij hier al rond? Je kent de weg heel erg goed.’ Ik zag de nauwe gangen van het labyrint waarin we tot nu steeds hadden gereisd weer voor me en verbaasde me over het gemak waarmee Schimmenjager ons erdoorheen had geloodst.
‘Ik kwam al naar de Niveaus tijdens de jaren van Schimmenjager, maar nooit langer dan enkele weken. Het grootste deel van het jaar bracht ik diep in de wouden door. Later veranderde dat en kwam ik soms maanden niet meer aan de oppervlakte.’ Hij aarzelde en ik bespeurde enige droefheid in zijn stem toen hij zacht vervolgde: ‘Dat was na Rendorins overlijden.’
Verward staarde ik hem na, ik begreep zijn verdriet om het sterven van de elf die hem had opgejaagd en die hij zelf had gedood niet. Ik klemde mijn tanden opeen en voelde woede opkomen. Waagde hij het om met de geliefde elfenmagiër te lachen, om zijn poging Schimmenjager te doden en het land nog meer ellende te besparen in het belachelijke te trekken?
Tijd om iets te zeggen kreeg ik echter niet. Harde tikken, als van klauwen die over ruwe steen schraapten, klonken van boven ons en hier en daar viel er gruis en plukken mos naar beneden. Ik hoorde achter me het klapperen van vleugels en instinctief dook ik opzij. De verende ondergrond ving me op, ik trok mijn zwaard en hield me klaar om een volgende aanval af te weren. De demon kwam schuivend tot stilstand, diepe sporen in de rots trekkend, en spande zich op voor een machtige sprong. Toen verdween alle kracht uit het lichaam van het beest en bleef het als door de bliksem getroffen zitten. Argwanend bekeek ik het sidderende wezen dat zich plat tegen de grond aandrukte.
Staalgrijze schubben bedekten elke vierkante millimeter huid, scherp uitziende stekels waren aan het uiteinde van de lange, smalle staart bevestigd. Zijn kop was vrij spits, stevige roofdiertanden waren net zichtbaar, ondanks het feit dat hij zijn bek gesloten hield.
De vliesachtige vleugels van de demon waren het vreemdst. Ze zaten tot aan zijn elleboog vast aan zijn voorpoot, waar alle ribben vertrokken, en kon aan de rest van de poot worden vastgemaakt door een zijwaarts gerichte vinger om de buitenste rib te haken.
Heel langzaam draaide het wezen zich om, met zijn buik over het mos slepend, en keek met brandende ogen naar de op een afstandje staande Schimmenjager.
Daeren leunde onverschillig tegen de rotswand aan en hield zijn blik afwachtend op de demon gericht. Toen het niet reageerde, zuchtte hij geërgerd en deed een dreigende stap naar voren.
Finar nes no duno minar,’ snauwde hij. Zijn irissen gloeiden een moment lang felrood op.
Verbijsterd zag ik hoe het wezen blazend als een kat achteruit kroop, tegen de muur opsprong en wegvloog.
Schimmenjager besloot me opnieuw te negeren en liep de kloof verder door, duidelijk niet in de stemming me enige uitleg te verschaffen. Na wat ik zojuist had gezien leek het me niet verstandig hem nog meer op de zenuwen te werken, dus ik volgde hem zo stil mogelijk.
Verschillende gedachten maalden door mijn hoofd. Rendorin had op Schimmenjager gejaagd met het doel hem te doden en was daarbij zelf omgekomen, vermoordt door Daeren. Toch zei deze dat Rendorin hem had overwonnen en toonde hij verdriet als hij over de elf sprak. Ik kon die twee feiten absoluut niet met elkaar in overeenstemming brengen, tenzij de man die voor mij liep, toneel speelde. Daarbij kwam dan nog de angst die de demon voor Daeren had gehad, een demon die in Inthasin als een eerste klasse, de gevaarlijkste rang, zou bestempeld worden.
Wat er ook gebeurt, ik kan hem niet vertrouwen.
Na lange tijd hield Daeren halt aan de voet van een grote stapel rotsen, waar ze zo waren gevallen dat er een afgeschermde ruimte onder was ontstaan, net groot genoeg voor twee personen. Ik zette de tas op de grond en liet mezelf er naast vallen, moe, maar niet op de rand van totale uitputting zoals ik voor de lange rust van onze laatste stop was geweest. Ik dronk van mijn waterzak, haalde een stuk plat brood en enkele noten uit de tas en bestudeerde Schimmenjager terwijl ik at. Hij was gekalmeerd, zijn houding meer open, zoals voor de aanval van de demon. Of het kwam doordat hij mijn smeulende woede had opgemerkt of gewoon omdat hij me nog altijd negeerde, wist ik niet, maar hij liet me tot mijn grote opluchting met rust. Mijn hoofd was één kluwen van tegenstrijdige gedachten en met een zucht leunde ik tegen een rotsblok aan. Ik had nood aan tijd om alleen te zijn en de storm in mijn geest tot bedaren te brengen, al betwijfelde ik dat ik daar binnenkort de kans toe zou krijgen.
Daeren lag op zijn zij op de grond, met zijn hoofd op zijn arm, en leek al te slapen, zijn ademhaling rustig en diep.
Laatst gewijzigd door Nayalina Nashan op do mar 09, 2017 8:01 pm, 1 keer totaal gewijzigd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:00 pm

3
Dodendorp
Kifher
3570 Na de Beving


‘Kifher!’
Ik schrok op toen ik Svens stem hoorde en ik keek zoekend om me heen. Het dichte bladerdek van de boom waarin ik zat ontnam me grotendeels het zicht en ik liet me een paar meter naar omlaag zakken.
‘Kifher! Verdorie, waar zit je?’
Hij rende recht naar de grote eik, hij keek niet naar boven en zou me waarschijnlijk straal voorbijlopen, zelfs al bevond ik me recht voor hem. Ik bleef nog enkele tellen gehurkt op de tak zitten en bestudeerde hem. Sven was een jonge mensenkrijger - hij had zijn eindproef nog geen jaar geleden afgelegd - en van de keren dat ik aan zijn groep had lesgegeven wist ik dat hij vrijwel altijd vrolijk was. Nu zag hij echter lijkbleek, hij was duidelijk nerveus en ik had de indruk dat hij zelfs lichtjes trilde. Bezorgd klom ik naar beneden. ‘Sven? Wat scheelt er?’
Hij struikelde toen ik plots naast hem stond en bleef hijgend staan.
‘In het dorp, Ralork. Ze zijn... Hij heeft ze…’ stamelde hij. Hij zweeg en herpakte zich. ‘Het dorp is uitgemoord, krijgsmeester.’
Blauwe, ernstige ogen keken me aan, ogen waarin de schok van wat ze hadden gezien nog te lezen stond.
‘Het is vrij recent, waarschijnlijk is het dorp afgelopen nacht aangevallen.’ Hij slikte. ‘Het is net een spookdorp, Kifher. Niets, helemaal niets leeft daar nog.’
Ik sloot mijn ogen. ‘Schimmenjager,’ zei ik zacht. De ongrijpbare demon werd steeds roekelozer en ambitieuzer. Eerst waren het kleine groepen reizigers die aan hem ten prooi vielen, later handelskaravanen en afgelegen boerderijen. Dat zijn volgende doelwit een volledig dorp zou zijn, had niemand durven verwachten.
Ik klemde mijn tanden opeen. Schimmenjager teisterde al bijna een jaar het land en ondanks het feit dat de sporen van vernietiging die hij achterliet steeds groter werden, bleef hij onvindbaar.
Grimmig keek ik Sven aan. ‘We gaan er naartoe. Kleine kans dat we iets vinden, maar we moeten op zijn minst een poging wagen.’
Hij knikte en wierp een schattende blik op de hemel. ‘Vandaag nog? Het heeft me twee uur gekost om hier te raken, en ik heb de hele weg gerend. Tegen de tijd dat we daar aankomen, zal het al schemeren.’
Enigszins geamuseerd gaf ik hem een duwtje. ‘Denk je dat je weer twee uur kunt lopen, Sven?’
Hij kreunde, glimlachte flauw en haalde zijn schouders op. ‘Natuurlijk.’
We vertrokken meteen en hielden een stevig tempo aan, geen uitputtende snelheid, maar één die we lang zouden kunnen volhouden. Wolvendraf, noemden de leerlingen het wel eens gekscherend, verwijzend naar het fenomenale uithoudingsvermogen van wolven.
Niettemin kreeg Sven het na een tijd behoorlijk lastig en ik ging naast hem lopen.
‘Niet rennen tot je er ziek van wordt, zeg het als we moeten rusten.’
Hij aarzelde even en schudde zijn hoofd. ‘Het is niet ver meer, ik houd het wel vol tot aan Ralork, krijgsmeester.’
Ik stemde in en we renden door in de richting van het dorp. Een klein deel van me hoopte er iets bruikbaars aan te treffen, iets wat ons zou helpen in de klopjacht op Schimmenjager, maar dat was heel onwaarschijnlijk. De demon was stomweg veel te intelligent om duidelijke sporen achter te laten, en hij had al eerder laten blijken dat hij goed was in het spoorloos verdwijnen.
Nu waren de moorden echter vrijwel meteen ontdekt, wat mij misschien een kans zou geven wat meer over zijn gebruik van magie te weten te komen. Als er nog echo’s van demonenmagie waren achtergebleven, zou ik in staat zijn ze met behulp van wat runen op te sporen. Op die manier kon ik reconstrueren wat hij met zijn macht had gedaan toen hij moordend door het dorp trok. Het zou me niet in staat stellen Schimmenjager te achtervolgen, maar alle informatie die ik over hem verzamelde was waardevol en kon later nog van pas komen.
Bomen schoten aan ons voorbij, we waren op een smal pad uitgekomen, wat het lopen een stuk vergemakkelijkte. Toen ik de eerste huizen zag, vertraagde ik en observeerde de omgeving. Een subtiele geur hing in de lucht en mengde zich met het aroma van het woud, ik had het enkel aan mijn elfenzintuigen te danken dat ik hem rook. Het was onmiskenbaar de zoete, weeïge geur van de dood.
Algauw bereikten we een poort in de gammele omwalling en we hielden halt. Ralork was niet groot, de inwoners waren vrij arm en de huizen klein, opgetrokken uit leem en enkele zware houten balken. Hoewel het dorpje er verlaten uitzag, kreeg ik de indruk dat er elk moment een deur kon open gaan, iemand op straat zou komen en ons zou opmerken. Uit één van de schouwen kringelde er zelfs nog wat rook, alsof een liefdevolle moeder in haar ketel soep stond te roeren, het avondeten voor haar gezin klaarmakend.
Het leek alsof het leven zijn gewone gang ging en er nu toevallig niemand buiten was. Ik zou haast in die verklaring zijn gaan geloven, ware het niet dat het onnatuurlijk stil was, niet alleen in Ralork, maar ook in het omringende bos. Geen enkele vogel streek neer op de daken of op takken in de buurt van het dorp, nergens klonk hun vrolijke gezang. De wind waaide wel, en ik hoorde het ruisen van de bladeren, maar geen enkel geluid kwam uit de richting van de huisjes. De geur van de dood was amper sterker geworden, ook al bevond ik me vlak bij de bron ervan.
Sven volgde me nerveus toen ik onder de paar aan elkaar gebonden balken die samen een wankele poort vormden, stapte. Zodra ik een voet binnen de omheining zette, overviel een vreemd soort kou me, en ik snakte huiverend naar adem.
Het is net een spookdorp, Kifher. Niets, helemaal niets leeft daar nog. Dat was exact wat Sven me had verteld. Hij had geen flauw idee hoe dicht hij bij de waarheid zat toen hij die woorden had uitgesproken.
‘Krijgsmeester? Wat is er?’ Sven keek me met angstige ogen aan, ook hij voelde dat atmosfeer op die paar meter was omgeslagen, al kon hij het beklemmende gevoel dat hij had niet verklaren.
‘Een Enka. Schimmenjager heeft een Sluier over het dorp geplaatst,’ zei ik ongelovig. We volgden het stoffige pad tot op het kleine pleintje waarrond het merendeel van de hutten was gebouwd.
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Schimmenjager (deel 1)

za feb 18, 2017 4:00 pm

Sven hield wantrouwend de omgeving in de gaten, zijn blik gleed over de lege straten, de deuren en de ramen, en stopte bij belletjes. Verwonderd sloeg hij de in de wind wiegende, metalen klokjes gade. Ze waren met kleurige draad aan de deurlijst van één van de stevigere huizen gehangen en maakten ondanks hun bewegingen geen enkel geluid.
Niet-begrijpend keek hij me aan, me stilzwijgend om uitleg vragend.
‘Als iemand sterft, gaat de energie die hij meedroeg terug op in de omgeving. Een Sluier voorkomt dat teruggeven en verstoort het evenwicht enorm.’ Ik gebaarde om me heen. ‘De energie van al die vermoorde mensen hangt hier nog en zijn poging om met de omringende energie te versmelten, ontregeld onze waarneming.’
‘Vandaar dat we die belletjes niet kunnen horen,’ stelde Sven vast en ik knikte bevestigend.
‘Die Sluier,’ hij legde onwillekeurig een hand op het gevest van zijn zwaard, ‘die is toch niet gevaarlijk, hé?’
Langzaam schudde ik mijn hoofd. ‘Nee. Deze bestaat nog maar net. Een Enka wordt pas gevaarlijk als hij al lange tijd boven eenzelfde plek hangt. Het houdt de dodenenergie niet alleen vast, maar maakt deze ook voelbaar als een aura van angst.’
Ik schudde mijn donkerblonde haar uit mijn ogen, geïrriteerd door de onmogelijke lengte ervan. Te kort om samen te binden, te lang om niet in de weg te zitten. Afwezig besloot ik het meteen na de aankomst in het Ordehuis te laten knippen.
Ik focuste mezelf weer op mijn omgeving, mijn geheugen doorzoekend om ieder splintertje informatie die ik over Sluiers had naar boven te halen.
‘Die angst wordt met het verstrijken van de jaren sterker, maar begint gelukkig vrijwel van nul. Wij ondervinden nauwelijks een fractie van de volledige sterkte die zo’n Sluier kan opbouwen.’ Ik ging zachter praten. ‘In oude elfengeschriften staan verhalen over Enka’s die zo lang bestonden dat de aura voldoende was om eenieder die het grondgebied ervan betrad, ter plekke te doden.’
Sven draaide zich naar me om. ‘Van pure angst? Goden,’ mompelde hij.
Er viel een stilte, beiden onderwierpen we de omringende huizen aan een onderzoek terwijl we langzaam Ralork doorkruisten. Er waren slechts twee poorten in de houten omwalling, maar de muur was hier en daar zo wankel dat Schimmenjager eender waar het dorp had kunnen binnensluipen. Ik bleef staan bij een plaats waar de dikke palen scheef waren gezakt en tekende met een snelle beweging enkele runen in de lucht. Het was een simpele opsporingsreeks, iets wat het me mogelijk zou maken om echo’s van demonenmagie te vinden zonder al te veel kracht te gebruiken. Ik moest zuinig zijn met mijn voorraad woudmagie, ik kon elke keer slechts een beperkte hoeveelheid meenemen – niet zelf aanmaken, zoals een echte magiër.
Met mijn ogen gesloten wachtte ik totdat de runen hun werk deden.
‘Sven? Welk huis ben je binnengegaan toen je de moorden ontdekte?’ Ik hoorde hoe hij onrustig heen en weer schuifelde, niet goed wetend wat ik aan het doen was.
‘Het eerste huis dat we gepasseerd zijn toen we door de poort liepen,’ antwoordde hij.
Een zachte tinteling maakte me duidelijk dat de bezwering was afgerond en voorzichtig opende ik mijn ogen.
‘Die mensen zijn in hun slaap gedood, ze lagen nog in bed. Ik dacht even dat…’ Hij stopte midden in zijn zin en keek me verbluft aan. ‘Hé?’
Glimlachend wierp ik een blik op de bres in de muur. Het verbaasde me niet dat ik niets ongewoon zag. Als Schimmenjager zelfs sporen zou achterlaten bij het naderen van zijn doel, had de Orde hem al lang gevonden.
‘Welke kleur hebben mijn ogen?’ vroeg ik.
‘Nog steeds groen, maar helderder en het veranderd voortdurend.’
Ik knikte bedachtzaam. ‘Goed. Dat is wat ik moet hebben.’
Een nauwelijks waarneembare nevel hing over het dorp, ik merkte hem pas op toen ik met mijn aangepaste zicht richting het pleintje keek. Het middelpunt ervan leek rond het met klokjes versierde huis te hangen. Er trok een rilling over mijn rug.
We naderden de eerste poort en ik zocht de hut waar Sven was binnengegaan. De lage deur stond op een kier, de ramen waren met doeken afgedekt om de vaak gure wind buiten te houden. Het strooien dak was nodig aan vervanging toe, op sommige plaatsen bood het nog amper bescherming tegen regen.
Het oproepen van een Sluier zou de meeste dorpelingen hebben wakker gemaakt, en aangezien Sven zei dat de inwoners van dit huis in hun slaap waren vermoord, was er een grote kans dat Schimmenjager dit huis vóór het plaatsen van de Enka had bezocht. Hier zou ik mijn zoektocht beginnen.
‘Sven.’ Ik legde mijn hand op zijn schouder om zijn aandacht te trekken. ‘Met die runen kan ik misschien Schimmenjagers magie volgen, maar de echo’s zijn al aan het vervagen. Ik heb niet veel tijd meer.’ Ernstig keek ik hem aan. ‘Jij moet je ondertussen bezighouden met het vernietigen van de Sluier. Zoek in het meest centraal gelegen huis, dat met de belletjes, naar een lichaam waar runen op zijn geschilderd en verbreek ze.’
‘Is het voldoende ze er af te wrijven, of moet het op een bepaalde manier?’
‘De Sluier verdwijnt zodra het patroon doorbroken is, maakt niet uit hoe.’
Zijn gezicht stond vastbesloten. ‘Begrepen.’
Ik keek hem na toen hij tussen de huizen door liep en om een hoek verdween. Sven liep geen gevaar, maar de demon die deze Sluier had geplaatst, verontrustte mij meer dan ik had laten blijken. Voor het oproepen van een Enka moest aan twee voorwaarden worden voldaan.
Ten eerste had je er, logischerwijze, de macht en de kennis voor nodig. Om een gebied als Ralork te bedekken, was er een grote hoeveelheid demonenmagie vereist. Daarbij waren de tekens afkomstig van een zeer oude en verboden vorm van magiegebruik. De meeste demonen wisten niet eens van het bestaan van Bloedrunen af, laat staan dat ze het verstand hadden ze vanbuiten te leren.
Ten tweede was het zo dat de magiër slechts een goed uur de tijd had om al het leven in het gebied van de Sluier te doden. Zo niet, dan stierf de oproeper zelf.
Schimmenjager beschikte blijkbaar over genoeg macht en kennis, het probleem met het doden van alle levende wezens had hij opgelost door een tweede uitbarsting, waarvan ik ook nu nog de resten kon zien. Hij was er zonder moeite in geslaagd tweemaal, net na elkaar, magieverslindende bezweringen te gebruiken.
Met een zucht duwde ik de deur van het eerste huisje open en wierp een vluchtige blik naar binnen. Zoals verwacht vond ik geen enkele echo, anders dan de waas die overal aanwezig was. Ook al had ik me mentaal schrap gezet, mijn adem stokte toen ik de slachtoffers zag. Een jong meisje en haar ouders lagen in een hoek van het huis op strozakken te slapen – een eeuwigdurende slaap.
A reader lives a thousand lives before he dies.

Terug naar “Fantasie”