Geen genade voor de verdoemden

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Geen genade voor de verdoemden

do jan 05, 2017 12:08 pm

-- Mijn inzending voor "Wedstrijd: Een andere wereld"--

O god. Ik ben zojuist doodgegaan, is het niet?
Doodgaan. Sterven. Overlijden. Het loodje leggen. Allemaal één pot nat. Allemaal verschillende benamingen voor één iets. De dood. Ja, de dood. Laat me je één ding vertellen over de dood. Je hele leven houd je dat moment in je achterhoofd, vrees je de keer dat je de wereld plotseling verlaat en de gedachten in je brein simpelweg ophouden. Een man als ik? Ik koesterde de dood. Ik keek uit naar het moment dat ik stierf, het moment dat ik niet meer naar het eindeloze gelul van de dommeriken om me heen hoefde te luisteren. Ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat ik er zin in had. Ik was van plan de dood te omhelzen wanneer diens bleke gezicht en donkere zeis me recht in de ogen staarden. Ik zou beter zijn dan al die sukkels die aan mijn voeten verdronken zijn in hun eigen bloed.
 Maar toen dat moment kwam, dat moment waar ik zó lang naar had uitgekeken, deed het zich anders voor dan ik had verwacht. Ik keek niet recht in het gezicht van de herder der zielen. Ik wist niet dat het einde van mijn tijd nabij was. Ik ging gewoon verder met waar ik mee bezig was, zoals ik al jaren had gedaan, me volledig onbewust van het feit dat de dood mij vanuit de schaduwen bekeek, loerend en wachtend op het juiste moment om toe te slaan. En toen ik in een vlaag van dwaasheid mijn bescherming liet verzwakken? De dood kwam sneller dan dat ik ooit had verwacht. Een schreeuw van achteren, het zilver van een dolk. Het ene moment had ik de tijd van mijn leven, het andere zwom ik rond in een eindeloze duisternis zo ver als het oog kon zien.
 En nog steeds zie ik geen einde. Ik loop hier, in deze grenzeloze zee van helemaal niks. Heb je daar ooit over nagedacht, niks? Het is moeilijk om je een situatie voor te stellen waarin er absoluut niets is om je heen. Geen natuur, geen mensen, geen lucht, zelfs niet die raadselachtige “donkere materie” waar ze het maar over blijven hebben. Niks heeft geen einde, niks heeft geen begin. Eindelijk begreep ik hoe het moest zijn geweest vóórdat emotie de Cirkelen van Tijd doorbrak en een einde maakte aan de oneindigheid. Zo moest het geweest zijn. Nu ik me hier bevind, in deze oceaan van heerlijke leegte, niemand om me heen om deze volmaakte idylle te verstoren, kan ik me niet eens voorstellen hoe het ooit anders geweest kon zijn. Het voelt alsof… Het voelt alsof ik hier altijd al was. Alsof ik hier voor altijd moet zijn. Ja. Ik denk dat ik nog een tijdje blijf.   
 Maar wacht. Hè? Wat is dat? Bedriegen mijn ogen me, zijn het slechts de hallucinaties van een man die zojuist aan zijn einde is gekomen? Nee, natuurlijk niet. Daar, aan het einde van de oceaan, aan de horizon in de verte, daar zie ik een licht. Het lijkt op een… Eigenlijk lijkt het helemaal nergens op. Dit is vreemd. Zo’n licht heb ik nog nooit gezien. Het is van geen kleur, en van ze allemaal. In zijn vormloosheid zie ik zo veel vormen verscholen zitten achter de sluier. En het is fel… Zo fel… En zó zoet… Ik moet ernaartoe. Mijn tijd hier is aan z’n einde. Ik weet niet hoe lang ik rond heb gezworven in het niets, maar nu weet ik het zeker. Ik loop erheen, en elke stap kost mij geen enkele moeite. Maar ergens diep in mijn hart doet het pijn om dit uitgeholde paradijs achter me te laten, te verruilen voor iets dat ik niet ken. Maar aan de andere kant… Was ik niet altijd al nieuwsgierig naar het onbekende? Was dat waarom ik hier nu ben? Ik heb geen idee.
 Het licht wordt feller en feller. Ik moet nu mijn armen over mijn ogen leggen om er niet door verblind te worden.
Ik weet niet wat het is. Ik weet niet wat ik aan het doen ben. Maar íets trekt mij naar het licht, als een magneet van zielen en geesten. Waar ga ik in hemelsnaam naartoe?
Ik stop. De hemel. Dát moet het zijn! Was dat niet wat ze altijd zeggen? Dat je na je dood in de hemel komt? Dat je door een donkere tunnel loopt met een verblindend licht aan het einde van het pad?
Aha! Ik begin de raadsels van deze plek te ontrafelen. Maar meteen lijkt het me… Zo vanzelfsprekend. Dat ik hier ben, bedoel ik. Het is alsof ik nooit ergens anders ben geweest...
… Ik knijp mijn ogen stevig dicht en ga verder. Hoe dichter ik nader, hoe zoeter het licht wordt en hoe warmer haar omhelzing.
Ik voel dat ik een barrière passeer. Eerst mijn hoofd, dan mijn schouders, mijn borstkas, mijn middel, mijn benen en dan het laatste puntje van mijn teen glijden langzaam door een onzichtbare muur.
En bijna treed ik buiten het niets. Bijna breek ik de oneindigheid…
 En ineens is er geluid. Ik had me helemaal niet gerealiseerd dat er geen geluid was waar ik vandaan kwam, maar hier… Hier vullen het zingen van vogels, het stromen van beekjes en het bloeien van bloemen de lucht met hun lied. Ik open langzaam mijn ogen, bang en zenuwachtig voor wat er komen gaat, en zet de laatste stappen. En dan zie ik… Wolken. Duizend wolken op een zee van blauw en roze. Voor me, een zwevend eiland. Op dat eiland, een marmeren fontein met glinsterend water, en om die fontein, twee… engelen? Dit moet wel de hemel zijn, als twee schaars geklede mannen met vleugels als een vredesduif me opwachten. De Poortwachters. Dat zijn de Poortwachters, weet ik, en ik sta voor de Taalan Vitas. Ik weet niet waar dat besef vandaan komt. Het is er gewoon. Ik heb het nooit geweten, heb me er ook nooit mee beziggehouden, maar nu is het zo vanzelfsprekend als wat.
 Ik neem verdere stappen, steeds meer stappen over de brug die onder mijn voeten ligt. De Poortwachters, Arlas en Vana, ze kijken me aan met alle emotie van een steen. Ik zou me ongemakkelijk moeten voelen, maar dat doe ik niet. Het lijkt allemaal zo gewoon, alsof ik op een goede dag naar buiten stap en een hert neerschiet met een scherpe pijl. Zo alledaags.
 Ik zie nu dat er meer is. Meer achter de fontein. Drie trappen is wat ik zie. Een trap naar beneden, gekroond door vuur; een trap naar voren, gehuld in schaduwen; en een trap naar boven, omgeven met mist. De drie trappen naar het leven na de dood, realiseer ik me. Een laatste driesprong aan het einde van het pad. Geen weg terug, er is enkel de weg naar voren. Maar eerst, de Poortwachters.
Ik kom aan op het eiland. De wolken zijn zacht onder mijn voeten, zachter dan het zachtste wol ooit geweest kon zijn, en ik onderdruk het verlangen de wolkenzee in te springen en er in rond te zwemmen als een kind. Maar dat doe ik niet. Er staat me iets te wachten. Een taak. Mijn lot. Mijn bestemming. Ik kijk naar de kleurloze ogen van de Poortwachters, zoekend naar antwoorden, maar de twee engelen verraden niets.
 Welkom, sterveling.
Ik zie geen lippen bewegen, bij geen van beide, maar weet op de een of andere manier dat het Arlas is die spreekt, Arlas met zijn zelfverzekerde stem.
En wanneer de volgende woorden komen, dan is het Vana, ja, Vana met zijn honingzoete woorden. Honingzoet, want ze kleven aan je gedachten als zoete, zoete honing.
 Je staat voor de poorten van de Taalan Vitas.
Er verschijnt een lichte glimlach op mijn gezicht. Natuurlijk sta ik voor de poorten van de Taalan Vitas. Hoe kan het ooit anders geweest zijn? Ik heb het gevoel alsof ik hier altijd al heb gestaan. Elk besef van tijd en ruimte om mij heen is verdwenen. Er zijn enkel nog de vier trappen: omhoog, omlaag, naar voren en terug.
 Vier trappen, sterveling. Arlas. De laatste stappen van jouw Weg. Welke trap zal je nemen? Omhoog, omlaag, of naar voren? Of ga je terug naar de sterfelijke wereld?
 Ik werp een blik over mijn schouder. Kijk naar de brug waar ik zojuist overheen ben gelopen. Een portaal aan het einde, een soort gat in eindeloze leegte.
Ik ga op mijn tenen staan en leun naar voren. Daar, in de verte beneden me, daar zie ik de hele wereld onder me uitgestrekt. Alle plekken waar ik ben geweest, alle personen die ik heb ontmoet, alle zonden die ik heb verricht.
Ik strek een hand uit en neem een stap. Ik móet terug naar de aarde. Mijn tijd daar is nog niet aan z’n einde, o nee.
 Ik voel een hand op mijn schouders. Vana.
Je kunt daar niet teruggaan. Jouw leven daar is opgehouden, huurling. Er is daar niets meer voor je. Niemand die zich je herinnert. Geen familie, geen vrienden, zelfs geen bondgenoten. Helemaal niets. Ik voel de pijn van zijn woorden als een mes door mijn lichaam snijden. Maar op hetzelfde moment weet ik dat hij gelijk heeft. Natuurlijk heeft hij gelijk. Hij is een Poortwachter, rechter van zielen en… Rechter van zielen. Dat is het. Ik ben hier om me te laten berechten, om te antwoorden aan mijn daden en aan mijn zonden. Een lichte rilling trekt over mijn rug, maar al snel maak ik vrede met mijn lot. Er is niets dat ik nu nog kan doen, wel? Als ik dit had geweten, had ik mijn leven gebeterd, maar dat leven ligt nu ver achter mij. Die bladzijde is omgeslagen door zilver en bloed, en kan nooit meer terugkomen.  
 Wij hebben ons oordeel gemaakt, klinkt de stem van Arlas. Ik knik, en ik weet. Ergens in het diepste van mijn ziel weet ik wat mij te wachten staat.
De Poortwachters hoeven al niets meer te zeggen. Ik heb geen woorden meer nodig. Waarom zou je je woorden ook vuilmaken aan een man verdoemd voor de eeuwigheid?
De Poortwachters hebben vast wel meer te doen, kan ik me voorstellen, de Taalan Vitas moet een drukbezochte plek zijn met al dat geweld en al die dood op aarde. Hoeveel personen als ik, man en vrouw, jong en oud, schuldig en onschuldig, wachten op dit moment om beoordeeld te worden? Ik wil er niet aan denken. Het maakt ook niets uit. Het enige dat nu nog uitmaakt, is mijn bestemming. Die is voor mij zo helder als een glas water.
 De Poortwachters gaan voor me aan de kant terwijl ik mijn weg vind naar de driesprong. Ik kijk naar de drie trappen voorbij de fontein. Als ik naar beneden kijk, zie ik enkel vuur. Een koninkrijk gekroond door vlammen, bewoond door de zielen van zij die gezondigd hebben en de lichamen van naamloze schepselen die ik nog nooit gezien heb. Ik wend mijn blik af en kijk naar boven. Daar zie ik een paradijs, een prehistorische wereld met levendige bossen en jungles en een heldere blauwe lucht. Daar lopen de mensen rond die goed gedaan hebben in hun leven, daar lopen ze zonder kleding en zonder schaamte en zonder zonden, grenzeloos gelukkig in de omhelzing van de hemel.
 Maar ik wend mijn blik af. Dat is niet waar ik heen moet gaan. Dat is niet waar mijn lot ligt. Ik kijk naar voren. Daar, aan het einde van de trap naar voren, daar ligt mijn lot, gehuld in schaduwen oneindig. Ik kijk niet eens meer naar de Poortwachters. Ik ga gewoon. Ik stap naar voren, en ik betreed een nieuwe wereld. De wereld van de werkelijke dood. Geen hemel, geen hel, enkel de dood. En niets dat mij omringt. Niets waar ik me nog zorgen om hoef te maken. De dood blijkt een heerlijk iets. Met gesloten ogen en een glimlach op mijn gezicht stap ik naar binnen.
 En ik krijg mijn ogen niet meer open.   
  
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
CliveBarker
Vulpen
Beheer:
Berichten: 105
Lid geworden op: vr nov 25, 2016 9:42 pm

Re: Geen genade voor de verdoemden

ma jan 23, 2017 3:47 pm

Een mooi uitgewerkt gedetailleerd verhaal, en een vlotte schrijfstijl.

Terug naar “One-shots”