Zaborav

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
Nellineke
Vulpen
Beheer:
Berichten: 108
Lid geworden op: do nov 17, 2016 10:15 am

Zaborav

ma dec 12, 2016 12:24 pm

Om goed te maken dat het vervolg van Fenides vrouwe waarschijnlijk nog even op zich laat wachten, een ander verhaal. Ik weet dat het een hele lange post in één keer is, maar ik wil het liever helemaal plaatsen, hij is een beetje lastig in stukken te knippen...


Ik herinner me de feesten, de zomerfeesten die normaal rond deze tijd van het jaar gehouden werden. Tenminste, ik denk dat het rond deze tijd was. Helemaal zeker ben ik er niet van, die zomerfeesten waren voor mij de manier om de jaren te tellen. De laatste eeuwen ben ik de tijd een beetje kwijtgeraakt.
Ik herinner me alle mensen die op de straten liepen, de kinderen die duidelijk opgewonden door de straten renden. Maar ook de mannen die zwalkend ronddoolden en hun vrouwen die boos op de stenen stampten, waarschijnlijk omdat ze vonden dat hun mannen teveel mede gedronken hadden. Dit alles was geweldig, de zeven dagen van de zomerfeesten waren altijd de mooiste dagen van het hele jaar. Ze maakten het jaar compleet.
Het was echter allemaal zo plotseling opgehouden. Op een dag voelde ik gerommel, dat aanzwol tot dreunende klappen op de stenen straten. Aan de rand hield het plotseling op, maar ik voelde de geschrokken inwoners over de straten rennen en de stad in grote haast achter zich laten. Ditzelfde gebeurde nog een aantal keren en niet lang daarna was heel Zaborav verlaten. Was ik dus verlaten. Af en toe droomde ik nog over vroeger, schrok ik op wanneer er weer voetstappen te voelen waren. De laatste eeuwen had ik er echter geen meer gevoeld. Ik voelde wel het instorten van de houten huisjes, die steeds verder verrotten. Alleen het prachtige stenen centrum is intact gebleven, geloof ik.
De fijnste voetstappen waren altijd de kleine, zachte geweest die bij de kinderen hoorden. De zwaarste en vervelendste waren die van ridders in volle wapenrusting op hun paard geweest. Door de manier waarop mensen liepen kon ik altijd zoveel van hen begrijpen. Mensen begrepen mij niet, dachten dat ik niets was, niets anders dan een hoop stenen die door hen op elkaar was gestapeld. Alleen ik bestond nu nog, terwijl die mensen die mij gebouwd hadden, al lang niet meer in leven waren.
Sommige mensen stierven in mijn straten. Dan voelde ik soms het warme bloed over de straatstenen vloeien. Dat deed altijd pijn, mensen hoorden elkaar te accepteren en hoorden elkaar te verzorgen, in plaats van dat ze elkaar vermoordden. Maar naar mij zullen ze niet willen luisteren, ik ben slechts een hoop stenen.
Ik schrik op van het gevoel van voeten op de uiterste straat aan de noordkant. Vreemd, al in geen jaren heeft zich iemand hier gewaagd. Aan de grote van de voetstappen, is het een kind, of een dwerg misschien. De voeten lijken de stenen nauwelijks aan te raken, maar ze komen naar mijn centrum. De persoon die erbij hoort heeft duidelijk haast. Dan wordt het ritme van de voeten anders. Ik denk dat de persoon die erbij hoort een beetje geïntimideerd is door mijn oogverblindende schoonheid, want hoewel ik al jaren, zo niet eeuwen verlaten ben, zie ik er nog steeds adembenemend uit. Denk ik.

Geen tijd, Arlanda, geen tijd!
Ze blijft het voor zichzelf herhalen en hoopt dat ze er in zal geloven. Ze is bang, de stad is verlaten, leeg en gewoonweg eng. Aan de noordkant, waar ze de stad binnen is gekomen, zijn alle gebouwen verpletterd door stenen. Verderop is alles gewoon in elkaar gestort. Nu komt ze langzamerhand in het nog redelijk intacte gedeelte, waar de gebouwen van steen zijn. Over de muren zijn klimplanten gegroeid. Het miezert zachtjes en ze schudt haar haren uit. Ze rilt, ze is doorweekt, hoewel het niet eens hard regent. Haar voetstappen klinken hol in de lege straten. Het geluid ervan weerkaatst tegen de muren en lijkt steeds terug te komen. Heel even voelt Arlanda de aandrang om te roepen, maar ze weet dat iemand die in de stad zou zijn, haar dan ongetwijfeld zou kunnen horen.
De stad is een doolhof, niets meer, niets minder. Overal zijn straten, steegjes, in elkaar gezakte huizen. Alle steegjes lijken op dezelfde plek uit te komen, hoewel Arlanda weet dat dat onmogelijk is.
‘Waarom lijkt het allemaal op elkaar?’
Ze fluistert, maar toch voelt het alsof ze verschrikkelijk hard praat. Ze stampt met haar voet op de straatstenen, die zo ongelijk zijn, dat ze al twee of drie keer haar voet bijna heeft verzwikt.
Gefrustreerd haalt ze haar hand door haar donkerbruine krullen, die tot haar schouders reiken. Ze zitten in de war en haar hand komt steeds vast te zitten in de klitten. Ze zucht en haalt haar schouders erover op, ze kan er nu helemaal niets meer aan doen.
Voor haar gevoel komt ze steeds dichter bij het centrum van de stad. De huizen om haar heen worden groter en zijn van steen gemaakt. De rijkste mensen woonden altijd in het midden van de stad, had haar vader haar altijd verteld. Hun volk doet niet meer aan dat systeem, iedereen is gelijk. Behalve de mensen die wat kleiner worden geboren, die zouden ongeluk brengen.
De rimpel in haar voorhoofd wordt dieper bij die gedachte en heel even staan haar ogen spottend. Heel snel daarna komt de angst erin terug. Nog een klein stukje blijft ze doorlopen, totdat ze hijgend voor een groot huis blijft staan, waarvan de houten deur is weggerot. De stenen waarvan het huis is gebouwd zijn overgroeid met klimplanten, maar nog in goede staat. Het huis staat in ieder geval, voor zover zij het kan zien, niet op instorten.
Haar korte, een klein beetje kromme benen voelen inmiddels als lood, nu die een lange tijd het gewicht van haar volgroeide bovenlichaam hebben moeten dragen.
Het huis ziet er aantrekkelijk uit. De muren zijn net als die van alle andere huizen begroeid met klimplanten, maar het lijkt groot, met de gelegenheid om te rusten. Ze weet dat ze het niet lang meer kan volhouden. Ze kan niet meer verder, ze heeft al veel te lang gerend. Ze moet een plek vinden om te rusten en deze lijkt haar perfect. Heel even twijfelt ze nog, maar dan loopt ze het huis binnen.

De voetstappen houden heel even op. Heel even maar, na die grote stamp die ze eerst op mijn stenen hebben gegeven. Het is duidelijk dat de persoon die erbij hoort, zeer gefrustreerd is, maar daar kunnen ik en mijn straatstenen ook niets aan doen. Daar zou de persoon niet op af moeten reageren.
Ze doet het wel, natuurlijk, maar dat is iets wat iedereen altijd doet. Het maakt hen ook helemaal niets uit, want ik ben slechts een hoop stenen, maar ik besta toch nog altijd en ben nog steeds oogverblindend, tenminste, dat moet wel, anders waren de voetstappen niet opgehouden. De persoon die erbij hoort, bestudeert nu mijn immense schoonheid, de mond valt open van verbazing, dat kan niet anders.
De voetstappen gaan weer verder, gehaaster nu en dat stemt me ontevreden. Genieten kun je alleen als je stilstaat en alles goed in je opneemt. Deze persoon heeft zijn of haar voeten slechts zo kort stilgehouden, dat het niet kan dat ze van mijn schoonheid heeft genoten. Alweer niet. Waarvoor besta ik eigenlijk nog? Niemand wil van me genieten, want ik ben maar een stapel stenen.
Het kost even moeite de verontwaardiging opzij te zetten en me op de voetstappen te richten. Ik voel hoe de voeten het huis binnengaan, tenminste, de voetstappen worden lichter, ik voel ze minder goed, dus ze moeten wel ergens binnen zijn gegaan. Heel even voel ik ze nog, voordat ze helemaal verdwijnen. Ik voel niets meer, mijn straten lijken weer even uitgestorven als ze al jaren, of misschien wel eeuwen, zijn.

Het huis is groot, heel groot en vanaf de vensterbank waarop ze is gaan zitten kan ze een groot deel van de kamer overzien en tegelijkertijd de straat in de gaten houden. Er staat ook nog een stoel, maar het hout daarvan ziet er net zo oud als de inmiddels weggerotte deur, dus daar durft ze niet op te gaan zitten. De bekleding van de stoel is aangevreten door muizen.
Haar ogen vallen op een handspiegel die op het halfvergane tafeltje naast de stoel ligt. Het hout waarin de spiegel heeft vastgezeten is ook voor een groot deel verdwenen en het spiegelglas is groen uitgeslagen. Ze kijkt naar haar amandelvormige ogen. In het glas van de spiegel kan ze de kleur van haar ogen niet goed zien, maar ze weet dat ze lichtblauw zijn. Die ogen, en haar zeer geringe lengte, zijn de oorzaken dat ze nu hier is. Dat ze rent voor haar leven en zich verbergt in Zaborav. Ze hoopt dat ze net als de stad vergeten zal worden, dat niemand haar hier durft te zoeken.
‘Vergetelheid’, mompelt ze, ‘een passende naam voor deze stad.’
Haar woorden lijken nog een tijdje door de kamer heen en weer te stuiteren, maar heel zachtjes en Alanda is ervan overtuigd dat niemand ze hoort, buiten de kamer. Ze huivert en zoekt naar iets wat haar warmte zou kunnen geven. Ze ziet niets in de ijskoude, stenen ruimte. Ze rolt zich op en gaat in die houding op de vloer tegen de vensterbank aanliggen. Niet veel later slaapt ze.

Heel even voel ik weer voetstappen in het huis, maar ze zijn al snel weer weg. De persoon is vast weer gaan zitten. Ik zak weer weg in de halfslaap die ik eeuwen heb volgehouden, de slaap van heel veel op elkaar gestapelde stenen. Eigenlijk wil ik het gevoel van weer mensen op mijn straten te hebben niet kwijtraken, maar ik weet dat ik onvermijdelijk opnieuw in die sluimering terecht zal komen. Hoelang deze persoon hier ook zal blijven, ooit zal hij of zij, net als alle andere mensen die ooit op mijn straten hebben gelopen, sterven of weggaan.
Ik schrik op van een tweede paar voetstappen dat ik ook voel op een van de uiterste straten aan de noordkant. Deze voelen niet zoals de kleine voeten van de eerste persoon voelden. Deze zijn slepend en sluw en daardoor bedreigend. Niet bedreigend voor mij, maar waarschijnlijk voor die eerste persoon die zich momenteel in het centrum van mij bevind.
De dip waarin ik mens wil zijn heb ik niet veel, maar vandaag heb ik hem. Dat heeft niets te maken met het feit dat ik niet in staat ben om te bewegen, maar veel meer met het gegeven dat ik, als ik mens zou zijn, de eerste persoon zou kunnen waarschuwen voor de tweede persoon, die duidelijk niets goeds in de zin heet. Dat is te merken aan zijn sluipende, slepende voetstappen, die voor mensen onhoorbaar zijn, maar voor mij heel goed voelbaar.
Of de eerste persoon iets goeds in de zin heeft, geen idee, maar het voelt zo. De voetstappen voelen bijna vertrouwd aan, alsof ze al eerder hier zijn geweest. Toch weet ik dat dat onmogelijk is. Ik ben al eeuwen verlaten, ik ben al jaren de stad Zaborav, de stad die vergeten is, de stad die midden in niemandsland ligt, een stad die inmiddels zelf niemandsland is geworden.

‘Zo, Alanda.’
De honingzoete stem laat haar wakkerschrikken en haar ogen zijn meteen gericht op de man die de kamer binnenkomt. Ze kijkt verwilderd om zich heen, maar er is geen uitweg, behalve de deuropening waarin de man staat.
‘Ik wist wel dat je hierheen zou gaan.’
Een zelfverzekerd lachje speelt om de mond van de man. Hij heeft een knap gezicht, met symmetrische trekken. Zijn ogen zijn lichtblauw en amandelvormig en heel lang is hij niet. Zijn korte, bruine haar is goed verzorgd, waardoor hij er nog beter uitziet. Veel meisjes zouden hem alleen daarom al vertrouwen, maar Arlanda heeft daar altijd doorgekeken. Ze weet dat hij haar altijd heeft gehaat. Dat hij hun ouders haatte om het feit dat ze haar verborgen hielden.
‘Wat doe je hier?’
Haar stem is schor en hoe ze ook haar best doet om hem onder controle te houden, hij slaat onvermijdelijk over.
Weer dat zelfverzekerde en griezelige lachje op het gezicht van de man.
‘Je weet wat je moet doen, je weet waarom ik hier ben!’
Arlanda trekt wit weg en haalt haar hand door haar haren, alsof ze van dat gebaar zelfverzekerder wordt. Er verschijnen zweetdruppeltjes op haar voorhoofd, ze weet maar al te goed wat Alan hier komt doen. Ze wist dat ze weg moest zijn toen haar ouders zo plotseling stierven. Ze wist dat Alan haar zou vermoorden, al was hij haar broer.
‘Je bent prachtig in mijn valletje gelopen, zusje, perfect, al zeg ik het zelf.’
Hij loopt naar haar toe, maar ze staat op en snelt naar een andere hoek van de kamer. Niet dat het veel helpt, want hij komt gewoon achter haar aan.
‘Wat wil je van me?’
Hij glimlacht onaangenaam.
‘Dat weet je best, Arlanda, dat weet je heel, heel erg goed.’
Ze voelt hoe een koude rilling over haar rug loopt, met haar hand veegt ze, met een schijnbaar achteloos gebaar, de zweetdruppeltjes van haar voorhoofd. Van een gedeelte van het verhaal weet ze dat hij bluft. Ze is er zeker van dat hij geen val had gezet, maar dat hij haar gewoon is gevolgd. Ze weet echter ook dat de rest van wat hij zegt helemaal op waarheid berust.
De man blijft om haar heen draaien en als hij praat stampt hij, om haar te intimideren, met zijn voet hard op de grond.
‘Je weet het zelf heel…’
Heel even blijft hij stil en kijkt haar aan, met een blik die opwinding en plezier in dit spelletje verraad.
‘Goed’
Hij stampt nog eens hard op de vloer waardoor Arlanda zich nog kleiner probeert te maken dan ze al is. Ze kruipt nog iets verder achteruit, maar voelt de harde stenen muur achter zich. De man gaat voor haar staan, zijn benen, die gehuld zijn in een zwart fluwelen en, volgens Arlanda, spuuglelijke broek, een stukje uit elkaar. Hij grijnst naar haar, zijn witte, perfecte gebit is zichtbaar.
‘Arlanda, ik dacht dat ik je vanaf dat je klein was had voorbereid op wat er ging komen. Ik kan er ook niets aan doen dat jij ook met deze kenmerken bent geboren!’
Nu klonk hij ineens poeslief en dat was de reden dat Arlanda zich nog slechter op haar gemak ging voelen. Ze wist dat Alan iets van haar gedaan wilde hebben wanneer hij die toon aannam. Ze wist ook wat hij van haar wilde, iets waar zij niet eens aan wilde denken.

Ook die geheimzinnige persoon, die duidelijk niets goeds van plan is, gaat naar mijn centrum. Ik voel ook het ritme van zijn voetstappen veranderen en even stilhouden op dezelfde plaats waarop daarnet de andere voeten stilhielden. Ook deze persoon gaat een huis binnen, maar zijn voetstappen blijf ik voelen.
Plotseling voel ik ook weer het eerste paar voeten. Ze zijn snel, heel erg gehaast, ik voel ze bijna niet door de vloer van het huis heen. Het is duidelijk dat de persoon die erbij hoort bang is en ergens voor probeert weg te lopen. Het ritme van haar voeten is precies hetzelfde als toen ze mijn straten betrad.
De tweede persoon stampt hard op de vloer van het huis, wat redelijk gevoelig is voor mij, maar daar denkt hij niet aan. Ik ben immers geen persoon, maar slecht een op elkaar gestapelde hoop stenen. Ik voel hoe de eerste persoon weer een paar stapjes zet, maar daarna voel ik alleen maar dat ze is gaan zitten, geen beweging meer.
De tweede persoon loopt in haar richting en zet met een flinke stamp zijn beide voeten uit elkaar voor haar. Weer denkt hij bepaald niet aan mijn gevoel, als ik zou kunnen kreunen, zou ik het doen.
Maar ja, aan mij zullen ze niet denken, ik ben slechts een hoop op elkaar gestapelde stenen. Oogverblindend, dat dan weer wel.

Al haar bange vermoedens worden waarheid als ze in Alans laars iets ziet glinsteren. Ze weet wat er nu gaat gebeuren, ze weet wat haar te wachten staat. Ze kan geen kant op, Alan heeft haar in zijn macht. Hij heeft haar in zijn macht sinds hij hun ouders heeft gedood. Eigenlijk al sinds hij leider is geworden van hun stam.
‘Dacht je nu echt dat jij de enige bent die dit probeerd? Dacht je dat nou echt?’
Hij ontbloot zijn tanden in een vreugdeloze grijns. Arlanda rilt en drukt zich nog verder tegen de muur aan. Als hij dat ziet begint hij hardop zijn ijskoude, kakelende lach te lachen. Het misstaat bij zijn aantrekkelijke uiterlijk.
‘Je bent precies op de goede plaats. Als jij op deze plek wordt geofferd, zullen de spookridders niet verschijnen.’
Arlanda’s hoofd schiet omhoog. Ze ziet de triomfantelijke blik in Alans ogen.
‘Spookridders?’
Haar stem trilt. Alan knikt heftig.
‘Ja, spookridders, doe maar niet zo ongelovig!’
Arlanda weet dat het verhaal verzonnen is. In haar leven heeft ze alle legenden en mythen van haar volk gehoord, maar deze was daar nooit bij geweest. Ze weet wel dat Alan haar altijd al van het leven had willen beroven. Dat heeft hij haar al van jongs af aan verteld.
‘Dat is een sprookje.’
Haar stem is schor en ze bedenkt dat ze wel wat water zou willen drinken. Heel snel schud ze die gedachte weer van zich af, het is een idiote gedachte terwijl ze op het punt staat om te sterven.
Alans gezicht loopt rood aan.
‘Misschien is dat een sprookje’, zijn stem fluistert nu alleen nog maar, ‘maar het behoedt je niet van je lot. Je zult sterven! Iedere keer dat er zo’n lelijk, scheel dwergenmeisje wordt geboren, moet ze meteen worden gedood. Zij roept ongeluk uit over ons volk. Onze ouders zijn slap geweest! Slappelingen, die hun lieve en vooral kleine meisje niet konden doden. Ik zal die taak nu maar op me nemen!’
De laatste woorden zet hij opnieuw kracht bij door met zijn voet hard op de grond te stampen. Arlanda probeert zich te verweren terwijl hij dichterbij komt, maar hij is te sterk. Een tijdje kan ze hem tegenhouden, maar al snel heeft hij haar tegen de grond gewerkt. Ze ligt daar hulpeloos en kan alleen nog maar naar boven kijken, waar het mes op haar afkomt. Vlak voordat hij haar steekt, fluistert hij in haar oor: ‘Je bent een monster, daarom moet je dood!’
Het laatste woord schreeuwt hij. Arlanda voelt een scherpe pijn en ziet beelden van haar ouders voorbij flitsen. Ze schreeuwt, maar maakt geen geluid. Ze sterft met het grijnzende gezicht van Alan voor haar ogen.

Iets klopt niet meer. Ik voel iets warms vloeien. Het is niet duidelijk merkbaar, maar zeker aanwezig. Ik voel weer voetstappen het huis verlaten, mijn straten oplopen. Ze zijn steeds verder weg, totdat ik ze helemaal niet meer voel. De voetstappen hebben niet meer de slepende tred, maar zijn duidelijk toch van de tweede persoon. De eerste persoon voel ik alleen nog maar hard tegen de vloer van het huis drukken. Ik weet wat dat betekent. De eerste persoon is door de tweede persoon gedood en ik ben door hem weer verlaten. Over niet al te lang zou ook het lijk van de eerste persoon verdwenen zijn, waardoor ik weer helemaal alleen over zou blijven. In de ogen van hen maakt dat helemaal niets uit. Ik ben slechts een hoop stenen, maar wel oogverblindend. Ik mag dan niemandsland zijn, opnieuw, maar ik ben en blijf oogverblindend. Denk ik.
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 483
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Zaborav

ma dec 12, 2016 6:54 pm

Spannend, mysterieus en goed geschreven.
Gebruikersavatar
CliveBarker
Vulpen
Beheer:
Berichten: 105
Lid geworden op: vr nov 25, 2016 9:42 pm

Re: Zaborav

di dec 13, 2016 11:17 am

Heel origineel om het verhaal uit het perspectief van de straatstenen te schrijven. Wel spijtig dat het meisje sterft, maar dat maakt het wel realistischer. Blijven schrijfen
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Zaborav

vr dec 16, 2016 2:15 pm

Hé, straatstenen met een (heel) groot xD ego. Inderdaad een heel leuk perspectief om je verhaal te vertellen. En oh, die "denk ik" op het einde :lol: is prachtig. De stenen even daar gelaten, ik neem aan dat dit verhaal zich in dezelfde wereld als Santiana afspeelt? En ohja, voor ik het vergeet: je hebt zowel "Arlanda" als "Alanda" gebruikt :P .
WAT IS ER MET DIE FAMILIES (sorry moest er even af). Eerst is het de vader die zijn dochter zo ongeveer vermoordt door haar te weinig tijd te geven, en nou is het de broer. Alan, wat voor een broer denk jij wel dat je bent?! xD
De afwisseling tussen de straatstenen en Arlanda is echt goed, het zorgt ervoor dat je het verhaal kunt volgen en toch altijd dat beetje meer info krijgt, bijvoorbeeld over de stad (door de stenen) of over de situatie waaruit het personage komt. Het karakter dat je Zaborav hebt meegegeven maakt het met momenten gewoonweg grappig, zelfs al is de eigenlijke verhaallijn niet bepaald grappig ;) .
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Nellineke
Vulpen
Beheer:
Berichten: 108
Lid geworden op: do nov 17, 2016 10:15 am

Re: Zaborav

vr dec 16, 2016 8:35 pm

WAT IS ER MET DIE FAMILIES (sorry moest er even af). Eerst is het de vader die zijn dochter zo ongeveer vermoordt door haar te weinig tijd te geven, en nou is het de broer. Alan, wat voor een broer denk jij wel dat je bent?! xD
Tja, hele goede vraag. Eigenlijk is het alleen wel andersom, eerst was dit verhaal er en daarna pas het verhaal over Santiana. Dit verhaal kon ik eerder nog niet plaatsen, ik wachtte toen nog op reactie van een schrijfwedstrijd.
Alan dacht volgens mij dat hij er een soort van toch goed aan deed, hoewel hij zijn daad uiteindelijk toch nog voor zichzelf moest rechtvaardigen. Dat maakt hem voor mij heel interessant... ;)
De stenen even daar gelaten, ik neem aan dat dit verhaal zich in dezelfde wereld als Santiana afspeelt? En ohja, voor ik het vergeet: je hebt zowel "Arlanda" als "Alanda" gebruikt :P .
Het verhaal over Santiana heb ik geschreven met dit in mijn achterhoofd, maar is niet direct, of in ieder geval niet bewust in dezelfde wereld geplaatst. Van die namen wist ik ja, maar iedere keer als ik ging controleren raakte ik zelf weg in het verhaal. (Nu hoop ik dat ik niet al te zelfverzekerd overkom ;))
Gebruikersavatar
Nayalina Nashan
Gouden griffel
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 346
Lid geworden op: wo nov 16, 2016 7:19 pm

Re: Zaborav

za dec 17, 2016 2:50 pm

Ma-maar dan nog, normale broers doden hun kleine zusjes niet... *snif* ;)
Oh, dus de volgorde is omgekeerd? Welja :3 .
Haha, ik heb zelf zo vaak dat ik plots denk "hé, dat stukje moest eigenlijk zó" en dan ga ik ernaar op zoek en begin gelijk iets anders te herlezen.... Met als resultaat dat ik compleet vergeet die zin of die alinea aan te passen xD .
A reader lives a thousand lives before he dies.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Zaborav

ma dec 19, 2016 7:22 pm

Goed geschreven. Eigenlijk is het een heel zielig verhaal vanuit het perspectief van de ziel van de stad. Doet je toch afvragen of ze niets kon doen om de dood van het meisje te voorkomen.

Wat ik mooi vond waren de beschrijvingen, maar ook dat een onmenselijk personage helemaal is verweven in de fundering van de stad. Dat vind ik een originele insteek.

Het enige wat een beetje stoorde is dat de ziel van de stad steeds zo benadrukt dat er niemand is die haar opmerkt. het is zo'n zeurderige klaagzang, dat snap je na de eerste keer ook wel :P En enerzijds zou ik zeggen dat het iets is om nog eens naar te kijken, anderzijds door aan het einde te beschrijven dat Zaborav oogverblindend is, denk ik dat stadsziel er niks aan kan doen. Na al die eeuwen is ze gewoon verbitterd en vereenzaamd. Ik denk dat er ergens in de toekomst wel weer mensen naar haar stad zullen komen, maar of ze er dan nog huist, tsja...

Goed geschreven!
It always seems impossible until it's done. Keep writing!

Terug naar “One-shots”