Mastara

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
Nellineke
Vulpen
Beheer:
Berichten: 108
Lid geworden op: do nov 17, 2016 10:15 am

Mastara

ma jun 19, 2017 9:42 pm

Al een behoorlijk oud verhaal, ik heb het eens geschreven voor een wedstrijd op OV, dus sommigen van jullie zullen het al wel kennen. Ik kon het toch niet laten om het te delen..

‘Mastara… Mastara… Mastara…’
Nausica voelde hoe de haartjes in haar nek recht overeind gingen staan. De echo stierf weg, maar kwam daarna weer terug.
‘Mastara… Mastara… Mastara…’
Het voelde alsof een koude hand in haar nek werd gelegd en ze kon niet uitleggen wat ze precies voelde. Mastara, het klonk vertrouwd, ze had het gevoel dat ze deze naam of wat het dan ook was, eerder had gehoord. Maar waar?
Ze ging op het zand zitten, haar benen gevouwen, haar ellebogen leunend op haar knieën. Zo zat ze altijd als ze moest nadenken, wat, zeker de laatste tijd, nogal veel gebeurde.
Sinds de dorpelingen haar naar het verboden eiland hadden verbannen had ze veel meer tijd gehad om na te denken. Niet dat ze daar altijd even vrolijk van werd, maar ze deed het, om de tijd te verdrijven. Het verboden eiland kende zijn eigen verhaal. Niemand kwam er, behalve degenen die verbannen werden uit het dorp. Nausica, in dit geval.
Het gedoe was al maanden aan de gang geweest. Het begon met fluisteren, raar naar haar kijken en haar ontwijken. Het ging verder, totdat zelfs haar ouders haar scheef aan begonnen te kijken. Totdat ze zelfs toegaven dat ze haar niet langer in huis wilden hebben.
Ze werd naar de dorpsoudste gebracht, een man waar iedereen in het dorp bang van was. Vooral de kinderen, Nausica had hem dan ook nog nooit van dichtbij gezien. Hij was oud, heel oud. Zijn haar was spierwit, maar zijn baard had nog steeds kleur. Er werd gefluisterd dat hij bijna doof was, maar niemand kon dat bevestigen.
Het had niet heel lang geduurd, de dorpsoudste had al snel besloten dat ze verbannen moest worden. Het was vreemd, normaal duurde dat een hele tijd. Eerst moesten de andere oudsten hun mening geven, daarna de dorpelingen en uiteindelijk werd dan meestal niet besloten dat iemand verbannen moest worden.
Toen Nausica de hut van de dorpsoudste uitgeleid werd door twee Angwa, een soort politie, hoorde ze hoe hij iets tegen haar ouders zei. Toen ze daarna nog één keer naar hen omkeek, ontweken ze haar blik, maar het ontging haar niet dat ze allebei bleek zagen, vooral haar vader.
Ze wreef met haar hand over haar ogen. Ze voelde zich ontzettend alleen. Alles wat tegen haar praatte was de wind door de toppen van de bomen, die momenteel aan het aanwakkeren was. Ze keek naar de lucht en zag dat de zon bijna verduisterd zou worden door een grote, donkere wolk. Tijd om terug te trekken.
Ze liet het strand achter zich en begon aan het terugtrekken, zoals zij het noemde. De wind floot nu door de boomtoppen en ze hoorde een aantal bomen kreunen toen ze dichter bij het bos kwam. Haar hutje stond aan de rand van het bos, aan het kleine riviertje, dat eigenlijk de naam rivier niet eens kon dragen.
Ze hoorde de onweersbui eerder dan ze hem voelde. Het gerommel van de donder was nog ver weg, maar kon binnen niet al te veel tijd over de zee naar haar toe waaien. Af en toe verlichtte een bliksemflits de hemel, die zwart begon te kleuren.
Onwillekeurig huiverde Nausica. Ze kende de verhalen. Niemand was veilig op het verboden eiland. Alle mensen die daarnaar waren verbannen waren verdwenen na een onweersbui die begon als deze. Tenminste, als ze zich de verhalen goed herinnerde.
Haar vader hoorde ook bij de Angwa. Na iedere onweersbui ging hij met een aantal anderen naar het verboden eiland, als daar tenminste iemand naartoe was gegaan, de laatste tijd. Toen ze klein was, had ze er niet op gelet, maar toen ze ouder werd begon het haar op te vallen. Als ze terugkwamen fluisterden ze met elkaar en toen ze eens stiekem een gesprek van haar ouders afluisterde ving ze toevallig het woord ‘verdwenen’ op.
Ze trok zich terug in haar hutje en keek uit over de zee. De onweersbui kwam snel dichterbij. Heel snel. De tijd die ze hoorde tussen donderslag en bliksem werd steeds korter. De bomen kreunden door de harde wind. De combinatie van dit alles bezorgde Nausica kippenvel. Boven haar dreunde het onweer en de bliksemflitsen waren soms als schichten door de lucht te volgen.
Ze voelde hoe haar hart sneller ging kloppen, ze legde haar handen over haar mond en dwong zichzelf rustig te ademen. Net toen ze haar ademhaling weer normaal had gekregen, viel vlak naast haar hutje een boom op de grond.
In haar hoofd maakte ze een aantekening. Misschien was het mogelijk van die boom een vlot of bootje te maken om morgen, als de storm over was, terug te varen naar het gewone land. Niet naar waar ze vandaan kwam, maar ergens anders heen, waar ze opnieuw vrij zou zijn. Het bootje waarmee ze naar het verboden eiland was gebracht, was door degenen die haar erheen hadden gebracht mee terug genomen naar het dorp.
Ze keek mistroostig weer over de zee. Een bliksemflits leek de hemel aan tweeën te scheuren. Nausica stond op en keek nog eens goed. Plotseling was op zee een schip verschenen. De zeilen leken door de bliksem omgeven, maar toen het licht hiervan verdween, was het schip alleen nog maar donker. Het danste over de golven naar haar toe.
Ze schrok en voelde hoe haar hart opnieuw een sneller ritme kreeg. Ze wilde weer haar handen over haar mond leggen om haar ademen te controleren, maar ze schrok opnieuw toen ze zag hoe snel het schip dichterbij kwam.
Het kwam duidelijk recht op ‘haar’ eiland afgevaren. Nausica bleef als versteend staan en toen hoorde ze het weer. De wind leek te roepen.
‘Mastara… Mastara… Mastara…’
Net nadat de laatste ‘a’ van het woord was weggestorven kwam het volgende woord alweer. Het bleef onophoudelijk doorgaan en Nausica wilde haar handen over haar oren leggen toen ze zag dat het schip nu aan het strand lag. Haar mond viel open toen ze zag dat er mannen het eiland op kwamen.
Ze leken in het beginnende donker te zweven, alsof het spoken waren. Was dit het spookschip waar haar vroeger altijd over was verteld? Het schip dat werd bemand door geesten uit een andere wereld? Waarom kwamen ze dan hierheen?
De wind riep onverminderd door.
‘Mastara… Mastara… Mastara…’
De mannen kwamen dichterbij en Nausica kon nu onderscheiden dat ze eruit zagen als gewone mannen, maar wist zij veel hoe geesten eruit zagen. Ze voelde dat ze beefde, maar ze had geen idee hoe ze zich daartegen moest verzetten.
Voor ze het wist hadden de mannen haar bereikt. Het waren er een stuk of tien, maar aan de omvang van het schip te zien, waren er aan boord vast nog meer. Iets achter de groep liep een man, of geest, alleen, maar hij werd geroepen door de voorste man.
‘Het is een meisje!’
De belangstelling was gewekt, merkte Nausica. Het onweer begon af te nemen en ze was verbaasd dat ze dat opmerkte. Het was eigenlijk belachelijk dat ze daar nu op lette. Waarschijnlijk had haar laatste uur geslagen, maar het voelde helemaal niet eng. Ze beefde meer omdat ze het koud had, nu doorweekt van de harde regen en de koude wind, die alsmaar door riep: ‘Mastara… Mastara… Mastara…’
Er namen twee mannen, of geesten, daar was Nausica nog steeds niet uit, achter haar plaats, de anderen gingen voor haar uit, maar niet voordat ze duidelijk hadden gemaakt dat ze hen moest volgen. Het geroep van de wind bleef maar doorgaan, alsof het haar iets duidelijk wilde maken. Het begon vertrouwd te voelen. Of was het dat toch al de hele tijd geweest? Ze wist het niet en kon niet benoemen wat ze nu voelde, maar het was heel vreemd.
De personen die om haar heen liepen, bleven ongeveer vijf passen achter en voor haar. Ze kon hen slecht zien, op de één of andere manier kon ze niet goed op hen scherpstellen en lieten haar ogen haar in de steek. Ze kwamen ook nooit zo dicht bij haar in de buurt dat ze hen kon aanraken, maar liepen in een formatie. Ze kon geen kant op.
Hij had geroepen. Het schoot plotseling door Nausica’s hoofd. Konden geesten roepen? Ze had geen idee, tot dan toe had ze zich geesten altijd voorgesteld als heel enge, doorzichtige wezens. Als degenen die nu met haar meeliepen geesten waren, moest ze dat beeld ernstig bij gaan stellen.
Ze kwamen steeds dichter bij het schip.
‘Mastara! Mastara! Mastara!’
Het klonk steeds luider, het leek bij het schip te horen. Misschien hoorde het ook wel bij het schip. Nausica keek nog eens om zich heen. De persoon die zich tot dan toe iets van de groep had afgezonderd kwam dichterbij. Hij liep voor haar, maar hield zijn pas in. Niet veel later liep hij naast haar, maar nog steeds kon Nausica hem niet goed waarnemen, doordat de miezerregen steeds in haar ogen drupte.
Er klonk geschreeuw. Het kwam van de zee en het duurde niet lang voordat ze de stem van haar vader had herkend. Wat kwam hij nu doen?
De man naast haar lachte schamper.
‘Ze vrezen mij, als een alles vernietigende natuurkracht, een brenger van donder en dood.’
Zijn stem was laag en diep, maar niet schor, iets wat Nausica eigenlijk wel had verwacht. Ze begreep niet wat de man wilde zeggen. Slechts één deel van de zin begreep ze: brenger van donder. Hij kwam niet voor niets tegelijk met een enorme onweersbui. Een klein glimlachje speelde om haar lippen bij deze gedachte, maar meteen voelde ze zich een dwaas. De situatie was momenteel alles behalve lachwekkend.
Voor ze het door had voelde Nausica de loopplank van het schip onder haar voeten. Als in een droom liep ze het schip op, niet dat ze ook maar een andere keus had. Ze werd omgeven door de mannen. Ze bleven nog steeds een aantal passen van haar vandaan. Alleen die ene man niet, degene die net naast was komen lopen.
Het geroep van de wind was opgehouden.
‘Wat wil je, Mastar? Wat wil je van ons? Wat ben je nu weer van plan?’
Nausica herkende de stem van haar vader, de stem die nu oversloeg en waarin de paniek duidelijk doorklonk.
De man die duidelijk de leiding had en naast haar stond gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte bulderend. Het schip trilde onder Nausica’s voeten. Ze schuifelde iets van hem vandaan, maar ze durfde ook niet te dicht bij de rest van de bemanning te komen. Ze bleef dus maar staan, zeker nadat Mastar haar recht in de ogen keek.
Er ging een huivering door haar heen. Zijn ogen, ze waren zo, zo vertrouwd. Het was niet goed te benoemen, maar haar gevoel was duidelijk.
‘Ik heb wat ik wil! Hoor je het, Nausic? De wind is gestopt, wat betekent dat Mastara zich uiteindelijk bij mij heeft gevoegd!’
Zijn stem klonk triomfantelijk en hij deed een stap naar Nausica toe.
‘Wat wil je? Je kunt alles krijgen, maar niet mijn dochter!’
Mastar duwde ruw een bemanningslid aan de kant en liep naar de reling van het schip. Hij leunde erover en zag hoe het bootje waarin Nausic, de vader van Nausica, zat, dichter bij het grote schip kwam.
Hij spuugde verachtelijk in het water.
‘Jouw dochter? Je wilde haar niet meer, je hebt haar verbannen, net zoals je mij hebt verbannen! De geschiedenis lijkt door te gaan van vader op dochter!’
Nausica had het gevoel alsof ze een klap in haar gezicht kreeg. De wind had vertrouwd geklonken, de wind had om haar geroepen. Ze wist dat haar moeder een broer had die Mastar heette, ze wist dat hij verbannen was, maar ze wist niet dat zij zijn dochter was. Waarschijnlijk wist zelfs haar ‘vader’ het niet.
Mastar wenkte haar. Ze liep naar hem toe. Nog eens keek hij haar recht in de ogen. Het nam al haar twijfels weg. Ze begreep zichzelf niet, maar het voelde goed, het voelde alsof ze eindelijk thuis was gekomen.
Ze boog zich over de reling. Ze zag het bootje, haar ‘vader’ en een andere Angwa. Haar vader keek haar smekend aan, maar in zijn ogen zag ze iets wat ze niet direct kon thuisbrengen. Mastar pakte haar hand. Ze voelde hoe het schip zich losmaakte van het strand. Het duurde niet lang voor ze terug de zee op dreven. Haar ‘vader’ was in het bootje rechtop gaan staan. Mastar keek naar hem.
‘Ze waren bang voor me, ik had iets wat anderen niet hadden. Ze vrezen me, als een allesvernietigende natuurkracht, als de brenger van donder en dood.’
Ze keek hem aan, met haar ogen vragend om uitleg.
‘Mijn schip komt en gaat met donder en dood. Mijn schip komt tijdens een hevig natuurgeweld. Ik kom mee en ze zijn bang voor me, ze zijn altijd bang voor me geweest. Zelfs mijn eigen vrouw, jouw moeder.’
Ze keek hem nog eens aan en deed haar mond open om iets te vragen. Mastar hief zijn hand om haar tegen te houden.
‘Ik ben vlak na jouw geboorte verbannen. Je moeder overleed bij jouw geboorte, ik kreeg de schuld, vlak daarvoor was ook mijn eigen moeder overleden. Toen begonnen de praatjes. Het overlijden van jouw moeder was de druppel. Ik werd verbannen, jij bleef achter. Je naam is Mastara.’
Weer opende Nausica haar mond en weer hield Mastar haar tegen.
‘Ik weet niet wat er is gebeurd, ik ben op dit schip terechtgekomen. De kapitein heeft me van het eiland gehaald en hij had geen zoon. Hij liet het schip na aan mij. Het enige dat ik over jou weet is dat jij mijn dochter bent. De wind heeft het me verteld. Hoor maar!’
Mastara luisterde.
‘Ik hoor niets.’
‘Precies, de wind om dit schip heeft geen rust gehad, totdat jij aan boord stapte. Voortaan zal de ‘Mastara’ ook aan land kunnen komen zonder eerst een roepende storm te veroorzaken.’
Het bootje met Nausic en de andere Angwa was nog maar een klein stipje aan de horizon. Mastara legde haar hand in die van haar vader en keek hem in de ogen. Ze las zijn liefde en genegenheid heel even, voordat hij zijn armen om haar heen sloeg en haar tegen zich aan drukte.
‘Ik houd van je, Mastara, ik ben je nooit vergeten en heb altijd van je gehouden.’
Gebruikersavatar
CliveBarker
Vulpen
Beheer:
Berichten: 105
Lid geworden op: vr nov 25, 2016 9:42 pm

Re: Mastara

vr jun 23, 2017 5:01 am

Mooi verhaal,met een verrassend einde
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 716
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Mastara

do jul 13, 2017 7:32 pm

Eerst herinnerde ik me het verhaal niet, totdat ze het over de verbanning en ergens op dat eilandje kwam het een beetje terug. Er zou aan het einde iemand komen en die was familie van haar, maar ik wist niet meer hoe het zat. Daarom is herlezen ook zo leuk, het voelt vertrouwt ook al is het zachte herinnering ver weg. Het is nog steeds even mooi als toen, met mooie zinnen en grote opening naar mooie avonturen :)
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
Nellineke
Vulpen
Beheer:
Berichten: 108
Lid geworden op: do nov 17, 2016 10:15 am

Re: Mastara

vr jul 14, 2017 11:41 am

Dankjewel! Inderdaad vond ik het ook geweldig om weer eens terug te lezen. Ik had nog wel ongeveer in mijn hoofd wat er allemaal ging gebeuren, maar het was heel ver weg gezakt. Het blijft leuk om af en toe ouder verhalen terug te lezen, als die een beetje goed gelukt zijn, natuurlijk :)
Gebruikersavatar
Kattenmeisje3045
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 345
Lid geworden op: za nov 19, 2016 11:25 am

Re: Mastara

vr jul 14, 2017 12:45 pm

Ik herinner me dit verhaal heel goed. Het was heel er goed geschreven.
Zet je dromen op papier.

Terug naar “One-shots”