De belofte van morgen

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

De belofte van morgen

ma mei 15, 2017 7:41 pm

O god. Dit gaat allemaal helemaal fout, is het niet? De stad gaat in vlammen op. De huizen om ons heen brokkelen af  terwijl wij er nog steeds in staan, de stenen onder onze voeten verloren in een eindeloze duisternis. Ik voel de fundamenten van de aarde schudden; diepe kloven scheuren haar lichaam uit elkaar.
 Het spijt me. Ik weet dat er nog hoop is voor Dimaeren. Ik weet dat de kans op een overwinning, hoe klein dan ook, nog steeds bestaat. Maar ik kan die gewoon niet zien! Ik kan ze niet zien. Eigenlijk zie ik bijna niets meer. Je probeert me te herinneren aan de vreugde die we eens hadden, Storma. Jij en ik, samen, verenigd. We waren één, zeg je me; en ons leven was een zomer van overvloed. We dronken uit kristallen fonteinen, haar water zo zuiver als de tranen van de vrouwe. We hadden alles wat we ooit zouden hebben kunnen willen, en meer. Ons bestaan was een bestaan waar ieder wezen naar streeft. Ik zou willen dat ik het kon geloven. Echt waar. Ik zou willen dat ik het me kon herinneren. Maar dat kan ik niet. Het spijt me. Het is alsof deze oorlog al mijn mooie herinneringen van me afgepakt heeft en me er enkel beelden van dood en geweld voor terug heeft gegeven. Wanneer ik probeer te denken aan het gulden leven waarover je me vertelt, aan de warme stralen van de zon die vielen over de paleizen en zuilengangen van Dimaeren, dan zie ik enkel duisternis. Een zwarte vlek op mijn geheugen.
 Oorlog heeft me veranderd, mijn liefste. Het is nu eenmaal zo. Ik ben niet meer de persoon die ik eens was. Ik mag van geluk spreken dat ik me jouw liefde nog herinner. Voor hetzelfde geld was dat ook al van me afgenomen. Ik moet er niet aan denken. Jij bent de enige om wie ik nog geef. Heb ik je dat al eens verteld? De rest kan me eigenlijk niet meer zo veel schelen. De verhalen over de voormalige glorie van de stad doen me niets. De gezichten van degenen die zeggen dat ze mijn vrienden en bondgenoten zijn, roepen niets meer bij me op. Het is alsof ik geboren ben in de strijd. Ik ben een zwaard, van zwak ijzer gesmeed in de vuren van de oorlog. Ik weet alleen dat ik op deze wereld gezet ben om te vechten. Dat is de enige reden die ik kan zien, de enige verklaring voor mijn bestaan. Ik ben een wapen. Een druppel in een stormachtige oceaan van pijn en leed en geweld en de dood. Ik word meegevoerd op de wind van verandering, en ik zie het land onder me in vlammen opgaan; ik zit vastgeketend aan de Cirkelen van Tijd, en ik kan mezelf niet bewegen. Ik voel niets dan haat, een bloedlust die enkel is gericht op onze vijanden. Ik weet niet waar ik voor vecht, maar ik weet tenminste dát ik vecht. Minstens even belangrijk, misschien wel belangrijker.
 Ik móet vechten. Het is waar ik voor gemaakt ben, voor zover ik kan zien. De Elicer die jij je herinnert maar ik niet, die is niet meer. Ik weet niet wat er met hem gebeurd is. Dat is verder ook niet belangrijk. Het enige dat belangrijk is, is de strijd. Een fundamenteel onderdeel van ons bestaan, de grootste reden voor ons leven. Alles dat ooit geweest is en alles dat ooit zal zijn, werd gesmeed in het vuur van de oorlog. Ik herinner me dat Eledar me dat ooit vertelde. Iets over een zwaard en een hamer, iets over een berg en een vallei. Wat hij precies zei, dat weet ik allang niet meer. Ik weet niet eens meer hoe zijn stem klonk. Maakt verder ook niets uit. Het begon met de strijd, en met de strijd zal het eindigen. Haar vuur gaf mij het leven, en in haar vuur dans ik nu vrolijk rond.
 Ja. Dit is hoe het moet zijn. De veldslag is mijn meesteres, en ik ben niets meer dan haar gewillige slaaf. Maar dat betekent niet dat ik niet meer van je houd. Want dat doe ik nog steeds. Dat doe ik nog steeds, Storma. Mijn geheugen is zwak en gebroken, maar er is één herinnering die tussen de duisternis staat als een licht in… nou ja, de duisternis. Onze liefde is zo sterk dat het zelfs een vloek als deze kan doorbreken. Ik weet het nog, Storma. Maak je daar maar geen zorgen om. Ik ben onze beloftes niet vergeten. Dat zal ik nooit doen. Zelfs wanneer ik afdaal naar de wereld hieronder of opstijg naar de wereld hierboven, als ik op weg ben naar de poorten van de Verdoemenis en de armen van Cilandos langzaam nader, zal er één ding zijn dat ik niet zal vergeten. En dat ben jij. Je ogen diep en helder als de oceaan, je glimlach zoet als honingzoet, je lippen zachter dan het zachtste zijde. Je zegt me dat we één zijn, en ik weet dat je de waarheid spreekt. Als ik ‘s nachts doelloos tussen naamloze lichamen dwaal en mijn blik omhoog richt, zie ik ons daar aan de hemel, verwikkeld in een blijde dans die zal duren tot in de eeuwigheid. Onze omhelzing is iets dat niet verbroken kan worden. Het is sterker dan alle haat en alle afgunst die over ons heen geworpen worden, kan ieder vuur dat wordt ontstoken zonder enige moeite weerstaan. Het kent geen begin, en het kent geen einde. De wetten van het universum zelf buigen zich om zich aan te passen aan onze dans. Dat is me meer dan duidelijk.
 Onze liefde zal voortbestaan. Daar kunnen we zeker van zijn. Maar of voor deze stad hetzelfde geldt… Daar ben ik niet echt zeker over. Ik weet niet veel, en mijn ogen zijn voor het grootste deel verblind; maar ik zie wel dat het allemaal niet echt de goede kant uitgaat met Dimaeren. Alles om me heen brandt. Versleten dingen worden in het vuur van de oorlog omgesmeed tot iets dat groter is, en het oude maakt plaats voor het nieuwe. Het is het einde, maar het is ook een begin. Zo zie jij het waarschijnlijk niet, maar ik zie het zoals niemand anders het ziet. Ook wij zijn onderdeel van het patroon, hoe lastig het ook is om dat te accepteren. We zijn slechts druppels in een oceaan van verandering, en hoe fanatiek je ook tegen de stroming in probeert te zwemmen, het water zal je uiteindelijk toch meenemen naar de plek waar je hoort te zijn. Dimaeren brandt, haar toekomst haar ontnomen, haar hoop gedoofd door een ijzige wind, haar zonen en dochters geveld door de zeis waarmee we vroeg of laat allemaal oog in oog komen te staan. Onze materiële vorm gaat verloren, en enkel het galactische stof blijft over. Stof is waar we allemaal uit gevormd zijn, en tot stof zullen we allemaal wederkeren als de tijd daarvoor gekomen is.
 Het lot van mijn lichaam kan me weinig schelen. Het zijn mijn gedachtes waar het werkelijk om draait. Het brein is iets goddelijks. Het is ons gegeven door krachten die we niet kunnen zien. Ik ben vrij om te denken wat ik wil, maar tegelijkertijd voel ik dat mijn gedachten beperkt zijn tot één onderwerp- oorlog. Bloed, geweld, de dood. Er zijn slechts twee opties, Storma mijn liefste. Slechts twee manieren hoe dit kan eindigen. En we weten allebei wat die opties zijn. De hoop op de overwinning is nog niet verloren, en het is die hoop waar we nu nog voor vechten. Maar we lijken steeds verder weg van verlossing te vallen, steeds verder van onze oorsprong; en ondertussen nadert de verdoemenis dichter en dichter. Twee opties. Twee manieren. Een tweesprong in de weg. De laatste fase van een potje schaak. Het voortbestaan van onze beschaving is de inzet.
 Storma. Mijn liefste. Ik weet dat dit er vreselijk uit moet zien voor je. Al die lijken op de grond, verdronken in hun eigen bloed. Honderden opgebrande ogen die naar de hemel proberen te kijken maar haar nooit meer zullen zien. Tragisch, ik weet het. Maar ik vraag je nu om even voorbij alle misère te kijken, om het leed en de pijn even te negeren. Want die zijn ondergeschikt aan de dingen die we hier vandaag bereikt hebben. Kijk dan wat er voor je ligt! Je begrijpt de implicaties nog niet, maar dat kan ik je vergeven. Je geeft een blinde toch ook niet de schuld van zijn eigen blindheid? Nee. Vertrouw me, Storma. Als je nog van me houdt, zelfs na alles wat er is gebeurd, vertrouw me dan.
 Eledar. O god, Eledar. Je hebt het dus toch gedaan, mijn broer. Ik wist dat hij het zou doen. Hij heeft het er zo lang over gehad. Terwijl wij vochten in de modder, streden voor ons voortbestaan tussen de afbrokkelende ruïnes van ons vergeten leven, werkte Eledar aan iets groters. Iets wat ons allemaal te boven gaat. Ik weet niet precies wat het is. Ik kan je zijn exacte intenties niet vertellen. Maar het is mij meer dan duidelijk dat deze dingen krachtiger zijn dan de zielen van elk wezen dat ooit in Dimaeren heeft geleefd. Ja. Kristalhelder. Er ligt iets verscholen in deze zusterzwaarden, iets… iets goddelijks. Voel je het dan niet? Sluit je ogen, Storma. Adem in, adem uit. Laat het over je heen stromen. Laat de glorie van Arendim en Ardorim je omringen als een briesje op een zomerdag. Voel je het? Ik wel. Ik voel zo veel kracht in me. Met dit zwaard kan ik alles. Ik zal er mijn vijanden mee terugsturen naar de afgrond waar ze uitgekropen zijn, en op hetzelfde moment verban ik mijn demonen en roep ik ze na nooit meer terug te komen.
Neem dit, Storma. Neem Ardorim. Strijk met je vingers over het gevest. Ik geef je dit geschenk, mijn schat, als teken van onze liefde. Die is eeuwig, oneindig, grenzeloos. Draag het met je mee. Gebruik het om je vijanden te overwinnen en je bondgenoten te laten zien waar je toe in staat bent. Ik weet dat je het kunt, Storma. Je bent altijd al een man van de strijd geweest, net als ik. De wereld kent geen genade en zal fouten niet vergeven. Dat weten we allebei. Maar wat er ook gebeurt, het leven zal je niet breken. Denk aan mij wanneer verlossing ver weg lijkt. Herinner je onze liefde wanneer je denkt dat de strijd verloren is. En weet dat ik altijd met je zal zijn.
  Kijk me toch niet zo aan, mijn liefste. Ben je verbaasd? Ik heb je toch verteld dat ik moet blijven, en dat jij moet gaan? Ja. Nee. Je kan hier niet blijven, Storma. Deze plek is niet meer veilig. Nooit geweest natuurlijk. Ze komen. Kan je ze niet horen? Tromgeroffel in de diepte. De wind van verandering waait door deze grotten. In de gangen zie ik een vuur, het vuur dat ons thuis heeft opgeschrokt. Wij zijn de laatste. Jij kan nog vluchten, Storma. Jij kan nog ontkomen aan dat vuur. Voor mij is het te laat. Vertrouw me, want ik ken mezelf. Mijn tijd is op. Mijn leven is pas net begonnen, maar hier moet het weer aan zijn einde komen. Ik keer terug naar mijn oorsprong, mijn bron voorbij de wereld van het sterfelijke. Ik zie de poorten van de Verdoemenis al. De vrouwe lacht me toe; zal ik haar omhelzen? Mag dat?
 Ik zie alles, nu. Het einde is in zicht voor mij. Ik heb mezelf neergelegd bij het lot. Dit is nu eenmaal hoe het hoort te zijn. Zo staat het ook geschreven. Maar jíj, Storma… Jouw leven hoeft hier niet te eindigen. Je moet me geloven. Als ik hier achterblijf, kan jij ontsnappen. Wij zijn de laatste twee. Iedereen is dood, zelfs Eledar. De toekomst van onze beschaving ligt in ons, enkel in ons. En in deze zwaarden. Hun doel begrijp ik nog steeds niet, maar hun macht is mij wel duidelijk. Al die onschuldigen die Eledar heeft vermoord… Hun zielen zijn opgenomen in de zusterzwaarden. Ik zie het nu. Temidden van de oorlog die zijn thuis zou opslokken, werkte hij aan het preserveren van onze beschaving. Geniaal, is het niet? Hij zou onze ogen openen, zei hij. Ik geloof hem nu.
 Storma. Het is tijd om te gaan. Verlaat deze plek. Laat alle kwade herinneringen achter je, en neem enkel de blije met je mee. Volg het licht dat ik over je werp, en je zal uitkomen bij je doel. Verlossing ligt binnen handbereik voor ons beiden. Je hoeft er enkel je hand voor uit te steken. Volg het licht dat de duisternis doorbreekt, en het Patroon zal zich voltooien.
Ik weet dat het moeilijk is. Dat is het voor mij ook. Maar onthoud dit, Storma. Onthoud dit. Onze liefde is eeuwig. Ik heb het je al zo vaak gezegd, maar ik zeg het je opnieuw. Er is niets dat ons van elkaar kan scheiden. Zelfs nu het universum dergelijke gevaren naar ons werpt, bestaat onze liefde voort. En het zal ook altijd voortbestaan. Een van de weinige constanten; een zeldzame zekerheid. Hoe ver we ook uit elkaar zijn, we zullen altijd samenzijn. Er is iets dat ons bindt. Zoals de benen van een passer altijd met elkaar verbonden zijn, zo zal jij zijn voor mij, en wij voor elkaar; wanneer jij rent naar plaatsen die ik niet kan zien, zal ik je altijd achtervolgen, door de vlammen en het vuur; en samen maken wij de cirkel van onze liefde rond, als één enkel wezen voor eeuwig dansend aan de sterren.   
 Ik zal je spoedig weerzien, dat beloof ik je. Maar ga nu, Storma. Ga, als je nog steeds van me houdt. Red jezelf van een lot dat het jouwe niet is. Neem het zwaard met je mee, en houd het dicht bij je hart. Volg het licht, en je zal uitkomen waar je eens begon.
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op zo jul 23, 2017 10:33 am, 1 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 716
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Wanneer ik je vertel dat de ochtend niet meer komt

za mei 27, 2017 9:30 am

Mooi geschreven :)
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
MoensKatrien
Balpen
Beheer:
Berichten: 56
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 10:49 am

Re: Wanneer ik je vertel dat de ochtend niet meer komt

wo mei 31, 2017 9:08 am

Mooi verhaal!
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 485
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Wanneer ik je vertel dat de ochtend niet meer komt

za jun 10, 2017 6:53 am

Mooi geschreven

Terug naar “One-shots”