Verlorene

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Verlorene

wo mei 03, 2017 5:38 pm

Heb ik nu nog niet genoeg gezegd? Ik heb alles met je gedeeld. Alles. Mijn gevoelens, mijn verlangens, mijn angsten. Het is meer dan dat ik ooit aan iemand heb verteld, aan wie dan ook. En toch ben je nog niet tevreden? Goed dan. We zijn nu toch bezig. Ik veronderstel dat het geen kwaad kan om dit verhaal te delen voordat mijn tijd op is.     
 Het waren mijn eigen ambities die me de kop kostten. Mijn succes werd mijn vloek. Ik zal je het hele verhaal vertellen, als ik niet eerst dood neerval. Het was tien jaar nadat ik de Razak-Ul volledig in de pan had gehakt in de vallei van Alunix, mijn geboorteplaats, het laatste bastion van het licht om ons te beschermen van het kwaad. In het diepste van de nacht lag ik in mijn bed, naast het naakte lichaam van een vrouw waarvan ik de naam allang vergeten was. Ik droomde, en in mijn droom was ik de machtigste man van heel de wereld, de keizer van een rijk dat tot aan de sterren was gestegen en de grenzen van het leven had overschreden. Het was een positie die ik helemaal verdiende, en ik gebruikte mijn macht om alles te bereiken wat ik ooit wilde. Maar deze droom, dit visioen van de wereld die zou kunnen zijn als mij geen onbreekbare ketenen waren opgelegd, was voorbij voordat ik er erg in had.
 Ik schoot wakker, naakt en bezweet en volledig gedesoriënteerd. De vrouw die zojuist nog naast me had gelegen, zat nu boven op me. Ik dacht dat ze haar spelletjes van de vorige avond wilde herhalen, maar blijkbaar ben ik een naïeve idioot. Mijn blik werd naar haar ogen getrokken. Ik staarde in een eindeloze duisternis, naar een zon die bedekt wordt door de donkere cirkel van de maan. Haar pikzwarte haren wapperden onnatuurlijk om haar lichaam alsof er een machtige wind was komen opzetten. Het raam werd met geweld open gesmeten, en een ijzige bries blies door de kamer en bevroor me tot op het bot. Ik probeerde me te bewegen, probeerde me te verzetten tegen de vlijmscherpe nagels die diepe kloven maakten in mijn borst en armen- maar ik kon me niet bewegen. De vrouw die over me heen gebogen zat, glimlachte met haar lippen rood als bloed en bracht haar gezicht zo dicht naar het mijne dat ik niets kon zien dan de duisternis van haar ogen. Toen richtte ze zich op. Ik was even verlamd als een jongen die voor de eerste keer de blote huid van een vrouw aanschouwt. Ze glimlachte en spreidde haar armen. Donderwolken leken zich samen te pakken in de kamer, en ik zou gezworen hebben dat ik ijspegels zag ontstaan aan het plafond. Ik dacht dat het einde gekomen was. Boetedoening voor de oorlogsmisdaden die ik was begaan op de slachtvelden in het noorden.  
Maar helaas. Een snelle dood was niet wat ik kreeg, hoewel ik later nog vaak zou wensen dat ik dat zou hebben gekregen. Er flitste een beeld voor mijn ogen. Het was een visioen van mijn eigen gestalte, de machtige generaal die ik toen was.
Ik zit weer op mijn paard, draag het Glinsterende Zwaard in mijn hand en rijd in volle vaart op een menigte barbaren af. Voor me zie ik een persoon waar ik al de hele oorlog op geaasd heb: Dahroz Kromzwaard, de leider van de aanvallende troepen uit de wildernissen voorbij de Cremma. De eens trotse kroon op zijn hoofd is volledig ingedeukt, en zijn zwaard is alles behalve krom- het is compleet gebroken. Ik zie hem naar me toe draaien, langzaam alsof de Cirkelen van Tijd één moment lang pauze houden om mij met volle teugen te laten genieten van mijn heldhaftigheid. Maar ik kan er niet van genieten. In het visioen ben ik een toeschouwer, een geest die in het hart van de strijd staat maar niets kan doen dan enkel observeren. Voor het eerst zie ik de angst in zijn ogen, het geschrokken realiseren dat het einde van je leven op je afkomt in een razende storm van glinsterend metaal. Een pijl van een van zijn bondgenoten raakt mijn paard in de zij, en ik rol over de grond in een wolk van opwaaiend stof- maar het maakt allemaal niet uit. Ik sta razendsnel op en werk me met enkel mijn schaduw en het Zwaard van Nahillin als bondgenoten een weg naar de krijgsheer. Tientallen van mijn vijanden, stuk voor stuk mannen en vrouwen met een familie die thuis vergeefs wacht op hun terugkeer, vallen aan mijn voeten. En ik geef er niets om. Het maakt me geen hol uit dat ik levens neem, toekomsten vernietig en hoop in vlammen op laat gaan. Als ik aankom bij Dahroz Kromzwaard, de legendarische krijgsheer die ik al de hele oorlog achtervolgd heb, blijkt hij in mijn ogen weinig meer te zijn dan de zoveelste angstige jongeman, een van de velen die ik vandaag al naar de poorten van verdoemenis heb gestuurd. Bleek, uitgehongerd, zenuwachtig. Een eerste onder gelijken, een waardeloos schepsel. Ik hak zijn benen van onder hem vandaan, laat hem één kort moment naar de belichaming van zijn einde kijken, en sla vervolgens met één machtige zwaai van mijn zwaard zijn hoofd eraf. Het hoofd rolt over de grond, door de modder en de steeds groter wordende plassen bloed. De kroon van Razakmill wordt vertrapt door degenen die haar dienen. Ik wend mijn blik af en kijk glimlachend toe terwijl de barbaren in paniek vluchten richting de bergen en daar in de pan worden gehakt door het Leger van Nahillin.
Het visioen valt in duizend scherven uit elkaar, en ik word ruw teruggetrokken naar de wereld van de levenden. Om me heen zie ik weer de kamer, maar de blik van Dahroz Kromzwaard staat nog altijd op mijn netvlies gebrand. In die ogen zag ik wanhoop, pijn, verlies, verdriet. Door het licht in die ogen te doven, redde ik die dag mijn land en mijn volk; maar tegelijkertijd vervloekte ik een ander land, een ander volk, met de tranen van tienduizenden. Ik merk dat ik ween voor alle zielen die die dag, tien jaar geleden precies, verloren waren gegaan. Ja, ik weet het. Dwaasheid. Zwakte. Opoffering is nu eenmaal nodig. Honderden sterven hier zodat duizenden ergens anders kunnen leven. Zo gaat het nu eenmaal. Het universum kent geen genade, het leven is niet eerlijk, en de wereld kent maar één wet. Op dat moment zie ik het echter niet. Ik geef me over aan een bijtende spijt die nooit had mogen zijn. Door mijn tranen heen zie ik nauwelijks wat er om me heen gebeurt. Vaag ontwaard ik een gestalte voor me, een vlek verscholen achter een ondoordringbare deken van tranen. Zodra ik mezelf heb weten te herpakken, zie ik dat het haar bleke huid is. Ze staat naast het bed, heeft haar rug naar me toe gericht en leunt uit het nog geopende raam, nonchalant maar tegelijkertijd sierlijk zoals een koningin nooit had kunnen zijn. Het is mijn zware ademhaling die haar informeert van mijn aanwezigheid. Ze draait zich naar me om, een verleidelijke glimlach op haar lippen rood als bloed, en kijkt me indringend aan met die verschrikkelijke ogen van haar.
‘Mijn naam is Ghalvanna,’ spreekt ze, ‘en wraak is mijn meesteres.’
 Opnieuw spreidt ze haar armen, en opnieuw lijkt de hele kamer te veranderen in een pikzwarte hemel waar zich op een stormachtige nacht donkere wolken samenpakken en zich klaarmaken om hun woede over de aarde neer te laten dalen. De vrouw Ghalvanna komt los van de grond en zweeft in de lucht, omringd door de razende storm die ze opgeroepen heeft, omhuld door de flarden van duisternis die me overal om de oren vliegen. Haar blik naar boven gericht, haar mond wijd opengesperd in een geruisloze schreeuw, en haar eerst diepzwarte ogen brandend met een duister vuur dat slechts uit één plek kan komen- de hel zelf. Dan wendt ze zich tot mij, kijkt me aan met een haat zo sterk dat ik ter plekke in zou kunnen storten als ik niet vastgeketend zat aan de lakens onder mij.
 Maar plotseling voel ik dat die ketenen gebroken worden, en ook ik kom los en zweef hulpeloos rond in een stormachtige hemel. De wind van verandering voert me gewelddadig mee in een razende orkaan. De kamer om me heen verdwijnt, lijkt in te storten alsof een rotsblok is ingeslagen, en maakt plaats voor een leegte die ik moeilijk kan beschrijven. Het is alsof ik zwem in de eindeloze wateren van het universum, omringd door sterren en planeten en alle dingen die mijn begrip compleet te boven gaan, ondergedompeld in een vreemde kalmte die ik nooit mocht ervaren. Maar tegelijkertijd is het alsof ik rondtast in het duister, opgesloten in een donkere grot met enkel schaduwen om me gezelschap te houden, mijn kwetsbare blote huid scheurend en barstend op de koude rotsen overal om me heen; en de storm komt, een ijzige winter die een einde zal maken aan al het leven waar wij van houden, een grenzeloze duisternis die het geheel van de werkelijkheid op zal schrokken en ons allen in zijn mantel van de nacht zal hullen… Er is niets om me heen, niets dan chaos, niets dan de volledige onvoorspelbaarheid van het organische- een samenloop van omstandigheden, een reeks toevalligheden, een serie gebeurtenissen die nooit hadden mogen passeren. Maar temidden van die chaos, temidden van die wispelturigheid, daar in het hart van dit alles staat iets dat het zal doorbreken. Ze loopt langzaam naar me toe, legt een hand op mijn met littekens bedekte borst, schenkt me een glimlach van haar lippen rood als bloed. Zwarte haren wapperend in de galactische wind. Twee hemellichamen in het centrum van het heelal, verstrengeld in elkaars omhelzing. De dag is jong, maar de nacht is het begin van alles. Alles dat ooit was, alles dat zal zijn; alles begint aan het einde, een nieuw begin. Ik heb hun verleden in vlammen op laten gaan, heb hun heden vernietigd en heb hun toekomst met de grond gelijk gemaakt. En alles wat je geeft, dat komt ooit terug. Een wet, een regel, een norm, een waarde, een verplichting, een vereiste. Levens is wat ik heb genomen. Niet enkel en alleen de levens die ik zelf nam, maar alle levens waarvan ik aan mijn mannen heb opgedragen ze te nemen. De dood van duizenden rust op de schouders van één persoon, en zo zou het niet moeten zijn. De verantwoordelijkheid is een zware last om te dragen. Leven met deze kennis is lastig. Het was mijn zonde, en voor zonden moeten we boeten. Zo simpel is het. Ik zie het in haar ogen, en ik accepteer het. Verzetten heeft geen zin; ontsnapping is niet mogelijk.
 Ze spreekt. Ik versta haar woorden niet, hoor enkel een diepe stem die de aarde op haar grondvesten zou hebben laten schudden. Het zou me angst moeten aanjagen, maar angst is niet wat ik op dit moment voel. Ik weet niet wat ik voel. Het is alsof alle emoties, alle gevoelens en al mijn herinneringen zijn verdwenen. Ze hebben plaatsgemaakt voor rust, een volmaakte kalmte in mijn hoofd.
Ik voel iets veranderen. Een wind waait om me heen, blaast de afbrokkelende ruïnes omver en vervangt deze door stevige kastelen die haar woede kunnen weerstaan. Haar woorden maken aanpassingen aan het diepste van mijn ziel. De persoon die ik eens was, ontmoet hier zijn einde. Een einde dat een nieuw begin is voor degene die zijn plaats in zal gaan nemen. De wind wakkert harder en harder aan, maar ik blijf zweven in het niets. Mijn armen worden naar achteren geblazen, en me bewegen kan ik niet. Mijn lichaam rommelt. Ze vervult me van een honingzoete warmte, maar tegelijkertijd voel ik een verschrikkelijke koude.
Een flits. Een bliksemschicht. Ik zie mijn hele leven aan me voorbij gaan. Al mijn overwinningen, al mijn nederlagen, alle momenten van vriendschap, alle momenten van verraad. Ik zie zo veel leven, maar om dat leven heen zie ik de dood, vele malen groter. Het nadert dichter en dichter. Er is licht, maar dat licht wordt omringd door een duisternis die me volledig te boven gaat.
Het moment vervliegt. Het enorme kabaal maakt plaats voor de terugkeer van een ultieme stilte. Ondanks die kalmte trilt mijn hele lichaam. Ik sta voor het onbekende, en eindelijk realiseer ik me dat ik geen idee heb van wat er gaat gebeuren. Het maakt me meer dan zenuwachtig. Ik bevind me in een compleet andere wereld, een realiteit die ik moeilijk kan bevatten, een dimensie die alleen ik ooit heb gezien. Het enige dat me nog enigszins bekend voorkomt, is de naakte huid van het mysterieuze wezen dat me hiernaartoe heeft gevoerd, een vrouw wiens bedoelingen me nog altijd niet geheel duidelijk zijn. Ik ben kwetsbaar, alleen, overgelaten aan de grootste kracht in het universum: het lot. Is dit mijn bestemming?
Ik stort neer. Er is geen vloer om op te vallen, zoals er hier geen plafond is en geen muren zijn. Ik val de diepte in, maar ik sta stil. Voor me staat zij. Ze heeft haar rug naar me toe gekeerd, maar toch kan ik haar ogen voelen en haar glimlach zien. Ze staart naar de oneindigheid, maar tegelijkertijd neemt ze me in zich op. Ze beweegt niet, maar op hetzelfde moment danst ze om me heen. Ze maakt iets los in me. Haar vingers strelen mijn huid, ook al raken ze me niet aan. De wind van verandering waait door me heen, en ik voel een hitte in mijn borst. Iets verlaat mijn lichaam, een vormloze bol van puur licht, onaangeraakt door wat dan ook. De gloed die ik nu voor me zie is van alle kleuren, feller dan de felste zon in de heetste woestijn, kouder dan de woeste wateren van de wereldzeeën als de storm is gekomen; maar tegelijkertijd is het van geen enkele kleur, donkerder dan de donkerste nacht in de dieptes van de eindeloze duisternis. Het zweeft daar, omringd door het niets, en ik kijk ernaar. Ik voel me… vreemd. In dat vormloze voorwerp zit iets opgesloten, iets wat ik niet kan bevatten, iets dat kwetsbaar is maar ook onbegrijpelijk krachtig. Ik probeer te bedenken wat het zou kunnen zijn, maar het is alsof een onbreekbare muur de golven tegenhouden die mijn gedachten zijn. Ik ben niet langer meester in mijn eigen hoofd.
Er beginnen scheuren in het voorwerp te komen, diepe kloven die de pure schoonheid van het oppervlak besmetten. De bol trilt alsmaar heviger; spoedig zal het in een storm van vlijmscherpe scherven uit elkaar spatten. Ik tracht mijn hand uit te steken om dat te voorkomen, maar wederom word ik geblokkeerd door… iets. Ik weet niet wat het is. Ik ben de controle over mijn eigen lichaam verloren, en mijn inspanningen worden beloond met niets dan frustratie.
Eindelijk spat de bol uit elkaar. Het is alsof ik recht naast de zon staat wanneer ze het einde van haar leven bereikt in een razende woede, een woede heet genoeg om al het leven in vlammen op te laten gaan. Flarden van puur licht worden in het rond geworpen en verstoren zo het egaal donkere kleed waar ik op sta. Ik voel mijn ketenen gebroken worden; ik kan mezelf weer vrijuit bewegen. Verdwaasd kijk ik om me heen, probeer de tienduizenden scherven die zweven in de lucht met mijn gerimpelde vingers aan te raken. Maar dan word ik overvallen door een plotseling gevoel van leegte. Er is iets van me afgepakt, voel ik. Waar eens een eeuwige vlam huisde die warmer was dan het warmste vuur, de essentie van het bestaan voor mijn edele ras, daar voel ik nu enkel een ijzige duisternis, een kille afwezigheid van de rijkdom die er eens was en nu nimmermeer zal zijn.
Plotseling verdwijnt alles om me heen. Ik bevind me weer in die draaikolk van duisternis, de chaos die al bestond toen het begin van het heelal nog niet gekomen was, de onvoorspelbaarheid die vóór de heerschappij van de Cirkelen van Tijd regeerde over alles dat er was. En even plotseling als het gekomen was, houdt het ook weer op. Ik loop nu rond in een visioen, een toeschouwer in een beeld van de toekomst die kan zijn, in gruwelijk detail geschilderd door goddelijke vingers. Het is echter alsof die vingers enkel geschilderd hebben met grijze en zwarte verf- het schijnt me toe dat alle kleur uit deze wereld is gezogen met een genadeloze vastberadenheid. Ik zie gebroken muren om me heen, afbrokkelende ruïnes van een kasteel dat te zwak was om de storm de weerstaan en omver geblazen werd door de wind van verandering. Gestorven bomen zwart als as; de lucht een deken van verdriet. Voor me, een massief stenen bed, zonder lakens en zonder enige versiering. Ik, de onzichtbare observant, ik loop steeds dichter naar dat waarvan ik me langzaam realiseer wat het in werkelijkheid is. Want daar, liggend op het stenen bed, omwikkeld met de meest kostbare kleding en omringd door gezichten die hij eens kennen moest, daar is de man die ik zal zijn. Ik kijk naar beneden, en lege ogen staren terug, hun vuur voor eeuwig gedoofd. De ogen sluiten zich, het hoofd dat ik elke dag in de spiegel zie zakt zachtjes weg, en het levenloze lichaam wordt bedekt met zwarte stof. Een wapen is hem in de hand gedrukt, een glinsterend zwaard met slechts één woord geschreven op de kling- Nahillin. Tranen vallend op de grond als rivieren van verdriet, hun bron al snel weggeroepen door een stem waar kracht in schuilt. Het stenen bed sluit zich, haar doel eindelijk duidelijk; de doden wederom alleen onder de grijze hemel en tussen de bomen zwart als as.
En daar, aan het einde van alles, daar staat zij, haar huid nog steeds bleek maar haar ogen niet langer brandend in de duisternis. Nu pas ben ik me volledig bewust van wat zij heeft gedaan. Er is iets van me afgepakt, de ruwe essentie van wat het betekent om Elf te zijn- nagenoeg volmaakte onsterfelijkheid. Ik heb een groot verlies geleden, maar tegelijkertijd is een vreselijke last van mijn schouders verdwenen, een verantwoordelijkheid die verloren is gegaan. Rondzwemmend in onwetendheid loop ik naar haar toe, sneller en sneller totdat ik sprint door de eindeloze leegte die ze me heeft laten zien. Ze spreidt haar armen, één laatste keer; haar bloedrode lippen krullen zich tot een glimlach, lokkend, uitnodigend. Ik kom.
Ik ren recht door haar heen. Het is alsof ik vol met mijn voorhoofd tegen een muur van ijs aan bots, erdoor word tegengehouden maar haar alsnog breek. Ik draai me om, niet wetend wat er komen gaat. De nacht gaat in vlammen op. Zwarte haren wapperend in de galactische wind. Omhels je lot, fluistert die wind me toe. Het einde komt. Verdoemenis nadert.

Ik schoot wakker, mijn lichaam bezweet en mijn spieren op alle plekken aangespand. Enkele momenten leek het alsof ik daar nog was, zwevend in een wereld die ik me nu niet langer voor de geest kon halen. Maar al snel realiseerde ik me dat die wereld geen werkelijkheid meer was. Ik was terug in de kamer waar ik al die tijd al was geweest. De kasten stonden op hun plaats, de lichten waren uit, het raam was gesloten. Mijn boeken, de aantekeningen waar mijn levenswerk in zat verscholen, lagen onverstoord op het bureau waar ik ze had achtergelaten. Maar de vrouw, dat bleke schepsel dat me naar een dimensie had gevoerd waar ik iets had verloren wat mij rechtmatig toebehoorde, die was weg. Verdwenen. In rook opgegaan.
Gealarmeerd sprong ik overeind. Ik opende het raam, maakte me geen zorgen over mijn eigen naaktheid, en keek naar buiten. De straten van Var Nellon strekten zich voor me uit. Zelfs bij nacht hadden ze dezelfde glorie die ik me kon herinneren, dezelfde glans die tot in alle hoeken van de wereld bekend was. Maar er was iets… anders. Er was iets veranderd.
Een bliksemschicht doorklieft de hemel. De nacht gaat in vlammen op, en de duisternis staat in brand. De wind fluistert me dingen toe die ik diep in mijn hart allang weet.
Ik ben gekroond door sterfelijkheid.     
Laatst gewijzigd door JochemCommissaris op wo mei 17, 2017 3:49 pm, 2 keer totaal gewijzigd.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: De tand des tijds is een vijand die ik niet kan overwinnen

di mei 16, 2017 7:09 pm

Mooi geschreven.
Is Ghalvanna een soort godin waardoor ze wraak komt nemen op al die wezens die hij heeft vermoord?
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
nurias
Columnist
Beheer:
Berichten: 483
Lid geworden op: do nov 17, 2016 8:16 am

Re: Verlorene

wo mei 17, 2017 5:36 pm

Mooie geschreven one-shot

Terug naar “One-shots”