Gekroond door sterfelijkheid

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Gekroond door sterfelijkheid

di apr 25, 2017 7:08 pm

Ik ben bang voor de dood. Ik ben een Zilverelf, en ik ben bang voor de dood. Mijn hart zegt me dat ik nog maar een paar jaar te leven heb. Vijf, tien misschien als ik geluk heb. En gedurende de schemering van mijn leven kan ik aan niets anders denken dan aan het einde ervan. Ik dwaal rond in een eindeloze diepte, enkel duisternis om me heen. Ik treuzel en ik twijfel. Er is nog zoveel werk, zoveel dat ik nog moet doen, zoveel zaken die afgerond moeten worden maar nu liggen te slapen in een wereld waar ik ze niet kan zien- en ik kan ze met geen mogelijkheid allemaal voltooien. Het maakt me gek, niets kunnen doen aan alles wat er nog moet gebeuren. Spoedig verlaat ik deze wereld, en ik laat enkel de fundamenten achter van een huis dat ik aan het bouwen was om elke storm te weerstaan. Maar de fundamenten brokkelen langzaam af, en het huis zal veranderen in een brandende ruïne als ik er niet meer ben om haar muren stevig te houden.  
Het besef dat je einde nadert, het verandert je als persoon. Werkelijk. Het doet iets met je, iets wat moeilijk uit te leggen is. De vloek waarmee ik belast ben, heeft me de mensen enigszins laten begrijpen. Vroeger vond ik ze inferieur aan mezelf. De mens wordt geboren, staat nog geen eeuw lang in iets wat lijkt op bloei maar dat totaal niet is, verwelkt tot een schaduw van iets wat hij toch nooit was en gaat uiteindelijk onvermijdelijk dood, tevreden over het magere leven dat hij leidde maar nooit in staat geweest veranderingen in gang te zetten. Ik vond het bijna zielig. De mensheid is vervloekt met een kort bestaan, een leven waarin de mogelijkheid iets te bereiken afgehakt is voordat ze zelfs maar werd geboren. Ze kunnen niet eens in de buurt komen van hun ware potentie voordat ze na een halve eeuw het loodje leggen. En ik lachte hen ervoor uit. Ik voelde me verheven, zoals alle Elven dat doen.   
Maar sterfelijkheid heeft me veranderd. Het heeft me laten inzien dat tijd relatief is, niets meer dan een illusie die we met z’n allen aanbidden en waaraan ieder van ons bij zijn nekvel is vastgebonden met onbreekbare ketenen. Zeventig jaren zijn voor ons Elven voorbij voordat we het doorhebben, maar voor de mensen is het langer dan dat de meeste van hen leven.
Het is een bevinding die ik telkens in mijn achterhoofd probeer te houden. Maar het lukt me maar niet! Ik heb niets aan die kennis. Wat schiet ik op door mezelf te vergelijken met de mensen, die vieze schepselen die de grond onder onze voeten en de zon boven onze hoofden vervuilen met hun aanwezigheid? Ik ben niet zoals hen. Nee. Ik zal het ook nooit zijn. Ja, ik leef nu even lang als zij, en ja, ik ben zo’n beetje de enige Elf die weet dat hij niets kan veranderen aan zijn eigen ondergang. Maar ik ben nog steeds een Elf, een Aldor, een trotse inwoner van het edele land Nahillin. Dat zal ik nooit vergeten. Nooit, zeg ik je.
Het is zonde. Het is verdomme zonde. Elven bepalen zelf wanneer ze sterven. Ze voelen dat het moment is aangebroken, gaan liggen op het bed dat ze zelf maakten, en betreden vredig de wereld van de doden alsof ze in slaap vallen na een lange dag. Die vrede is mij afgenomen. Ze hebben een onbezorgd, lang leven van me afgepakt en hebben me er een waardeloos bestaan voor teruggegeven. Ik leef als een mens, bang voor het onvermijdelijke moment dat verdoemenis je in de ogen kijkt. Ik zou er mijn moed bijna door verliezen. Maar ik weet mijn hoofd nog net boven water te houden. Dat heb ik altijd al gedaan.
Het had ook gewoon nooit mogen gebeuren. Mijn jonge jaren waren gevuld met de glorie die mijn familie toebehoort. Ik bereikte zonder veel moeite het niveau van mijn vader, en spoedig rees ik boven hem uit in een schitterend spektakel van roem en faam. Werkelijk. Je had de straten van Var Nellon moeten zien toen ik, na die idiote Dahroz Kromzwaard bij Alunix in de pan gehakt te hebben, terugkeerde naar de stad. Het was een prachtig moment, een die voor altijd herinnerd zal worden in de heldenkronieken van het Elvenland. Het marmer van de Citadel glinsterde feller dan ooit tevoren, Elenthens glimlach was zoet als zonneschijn, en één bepaalde edelvrouwe was me zo ontzettend dankbaar dat ze ‘s nachts m’n lul gelikt heeft. Ik was een nieuwe held, de redder in nood die Nahillin in haar meest donkere uur behoedde van een lot erger dan de dood. Ik noemde mezelf Alwar, en ik was op weg beroemder te worden dan die slet die op een goede dag poedelnaakt de Schaduwtoren uit kwam lopen, verklaarde dat ze het licht had gezien en vervolgens de onbetwiste opvolger van Heer Elenwë werd. Als heer-generaal van het leger was ik bijna net zo machtig als de koningin- en met een goede reden. Ons land zou allang dit hele vervloekte continent veroverd hebben als ik aan het hoofd had gestaan. Dat zag ik al vanaf de eerste dag. Elenthen was zichzelf niet meer sinds de dag dat die zwakzinnige man van haar bij een vrolijk uitstapje naar Dravanen verscheurd werd door Schaduwkrijgers. Het Elvenland had een sterke leider nodig, realiseerde ik me. Een krachtige, vastberaden man die achter de schermen aan de touwtjes trekt en vanuit de schaduwen het land afwendt van de afgrond en richt op de overwinning. En wie is er nu meer geschikt voor die taak dan Alwar, de befaamde generaal die ons allen redde van de bijlen van de barbaren uit het noorden? Precies. Niemand.
Mijn plan stond vast. Mijn vastberadenheid was sterker dan op de dag dat ik op een heuvel in de vallei van Alunix stond en uitkeek over de grootste slachtpartij in honderd jaar. De enige manier om mijn land te redden, was door het onder míjn ijzersterke regering te brengen. Maar de weg naar absolute macht slingert zich meer dan het lijkt, en de illusie van een kroon op je hoofd is moeilijk in stand te houden. Dat merkte ik meteen al. Ik ging de opties af. De Citadel bestormen en innemen met het voltallige leger van Nahillin? Het zou te veel verdeeldheid zaaien in een land dat verenigd moest zijn voor de komende storm. Elenthens keel doorsnijden en mezelf opofferen als de nieuwe soevereine vorst? Weinig subtiel, en die sukkels in Inyunë zouden recht door mijn leugens kijken. Nee. Ik zag in dat ik in het geheim moest opereren, verborgen van de ogen van een volk dat mij vooralsnog hoog in het vaandel hield. Dus zo begon ik aan het uitvoeren van mijn plannen, activiteiten die me uiteindelijk op een onzichtbare troon zouden moeten zetten. En ik doe het nog steeds. Ik beïnvloed de gang van zaken aan het hof, omdat het anders een plaats zonder doel zou zijn. Ik manipuleer de debielen waarmee het paleis nog altijd overstroomt, omdat we onder hun zwakzinnige heerschappij enkel verder de afgrond in zouden storten. Ik gebruik mijn positie als heer-generaal, een positie die mij rechtmatig toebehoort, om de glibberige slangen in deze stad te dwingen te doen wat ik hen opdraag. In het begin was ik terughoudend, voorzichtig om de eenheid van Nahillin niet te vernietigen met mijn gerommel. Maar mijn sterfelijkheid deed me inzien dat ik vaart moest maken. Mijn tijd raakt op, en in mijn laatste jaren doe ik er alles aan mijn volk de goede richting op te sturen. Het is niet altijd makkelijk. Integendeel. Ik sta tegenover talloze gevaren, en elke dag is een strijd om te overleven. Maar ik offer me graag op. Voor Nahillin heb ik alles over.
Er is één ding waar ik nog steeds niet helemaal tevreden over ben. Elenthen. Onze koningin zit al op de zilveren troon sinds de dag dat wij Elven een paar lijntjes trokken op een rol perkament en zo onze dominantie op Haldar voor altijd verzekerden. Zonder haar zou ik allang mijn naam waargemaakt hebben, zou ik vele jaren geleden al de kroon op mijn hoofd gedragen hebben. Maar Elenthen heeft al sinds de eerste dag geprobeerd me tegen te houden, hoewel ze het niet altijd helemaal doorhad. Ik realiseerde me snel dat ze een obstakel was. Vroeger was ze een grote irritatie, mijn machtigste rivaal op het politieke slagveld. Toen ik echter mijn aandacht volledig op haar richtte, veranderde dit obstakel in waardevolle aanwinst die ik goed kon gebruiken. Haar zwakzinnige man Cinduilias en die zes incestueuze kinderen van ze zijn al tweehonderd jaar dood, maar nog steeds rouwt ze om hen. Dwaas. Een zwakke instelling als dat geeft ruimte aan de sterkeren om je positie over te nemen. Dat is ook precies wat ik deed. Ik gebruik haar verdriet voor mijn eigen gewin. Ik weet het, het is niet eerlijk- maar het leven is alles behalve eerlijk. Elenthen is op zoek naar liefde, en met de dood van haar echtgenoot en de verdwijning van haar minnaar is die ver te zoeken. Ze is gebroken. En toen ik aanbood het gebroken zilver weer heel te maken, trapte ze er natuurlijk volledig in. Precies volgens het plan. Ze zocht mijn omhelzing, verkerend in de veronderstelling dat die zachter was dan zijdezacht; maar in mijn bed vindt ze enkel hardheid. De wereld kent geen genade. Dat heb ik haar al zo vaak gezegd. Ik zeg het haar keer op keer, en toch lijkt ze het niet te begrijpen. Dwaas. Ik maak van haar mijn slaaf, doe met haar wat ik wil, draag haar op te laten zien wat elke man zou willen zien- en toch blijft ze naar me terugkomen, huilend en bedekt met het juk dat de zilveren troon afgeeft. De koningin van Nahillin lijkt statig, sierlijk, machtiger dan wie dan ook als ze op haar troon zit- maar als de dag dan afgelopen is, als de diplomaten en de onderhandelaars de zaal verlaten en terugkeren naar het warme haardvuur, dan komt haar werkelijke zelf naar boven. Ze is zwak. Ze mag dan wel de koningin zijn, maar als de lichten zijn uitgegaan en het zwakke kaarslicht haar naakte lichaam zachtjes verlicht, dan is het duidelijk dat de werkelijkheid anders ligt. Als deze Hoge Elf, befaamd over de hele wereld om haar schoonheid en haar onuitputtelijke gratie, me met een onderdanige blik in haar zilveren ogen aankijkt, dan is het meer dan duidelijk wie de macht stevig in handen heeft. Precies. Ik.
Nu, aan het einde van mijn leven, heb ik veel bereikt dat ik altijd al wilde bereiken. Ik zit dan wel niet op de zilveren troon, maar de kroon van Nahillin zouden ze net zo goed op mijn hoofd kunnen zetten. Ik heb het bevel over een leger dat makkelijk het sterkste is van heel de wereld. Ik stuur mijn volk de juiste richting in zonder al te veel op te vallen. Ik heb alles wat ik ooit wilde hebben, en meer. Maar nog ben ik niet tevreden. Er zijn nog steeds demonen, monsters in mijn hart die mijn ziel langzaam maar zeker verscheuren. Hoe machtig je ook bent, het zal je niet behoeden van het onvermijdelijke lot dat alle stervelingen uiteindelijk zullen moeten ondergaan. De vloek doet zijn werk. Een heks maakt geen vergissingen. Mijn dood nadert dichter en dichter, en ik ben me meer en meer bewust van mijn eigen sterfelijkheid. Verdomme. Er is nog zo veel te doen! Zonder mijn leiding zal Nahillin razendsnel ontsporen en de afgrond in storten. Ik vrees dat ik mijn broeders en zusters mee zal nemen in de dood. Alles waar ik aan gewerkt heb, alle dingen waarvoor ik me over de jaren heb opgeofferd, alles zal opgaan in vlammen. En aan het einde van de weg zal al mijn werk niets meer uitmaken.
 Dus zo moet het zijn. Zo is het nu, en zo zal het voor altijd zijn. Ik zit opgesloten in een gevangenis waarvan ik de tralies niet kan zien, en ik nader het vallen van de bijl steeds maar dichter. Er is nog zo veel wat ik moet doen, zoveel plannen die ik in beweging moet zetten voordat ik ga… Maar het einde van je leven doet je treuzelen als nooit tevoren. Je tast rond in het duister, denkend over dingen waar je niet aan zou mogen denken. Ik zou me moeten bezighouden met het redden van dit land, van het brengen van verlossing naar het volk dat het rechtmatig verdient.. Maar ik kan het niet. Ik kan het gewoon niet. Ik ben bang, ik ben zenuwachtig, ik ben woedend. Zelfs het zoeken naar en vermoorden van die heks, daar in de mistige valleien en voetheuvels van de Aren Duir, hielp me niet in de strijd tegen de gevoelens die ik nu ervaar.
Ik heb iets nodig om mezelf weer mee bezig te houden. Iets dat mijn aandacht volledig opeist, zodat ik de laatste jaren van mijn leven niet constant hoef te denken aan het moment dat alles plotseling eindigt. Ik moet mezelf de mogelijkheid bieden om met eer te sterven, om met geheven hoofd ten onder te gaan zoals ik het hoofd hief toen ik ons allen redden. Sterven van ouderdom is niet mijn lot, hoezeer Ghalvanna dat ook wilde. Er is een manier om haar vloek te omzeilen. O ja, die is er. Eén laatste keer zal ik mijn zwaard naar de strijd dragen. Eén laatste keer zal ik mijn broeders en zusters leiden naar het oog van de storm. Eén laatste keer zal ik ons allen redden, en daarmee red ik dan mezelf. Mijn leven mag dan wel kort zijn, maar het is nog altijd duizend malen meer waard geweest dan het zielige bestaan van de mensen, een onwaardig volk aan wie ik ten onrechte gelijk ben gesteld maar wiens meerdere ik ben geworden.
Ik overwin mijn vloek. Aan het einde van mijn leven zal ik de strijd aangaan met datgeen dat het heeft verkort, en als winnaar zal ik aankomen bij de gulden zalen en kloppen op de poort. Ik ben niet vervloekt door sterfelijkheid. Ik ben erdoor gekroond.                                    
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Gekroond door sterfelijkheid

wo mei 03, 2017 2:53 pm

Mooi verhaal weer. Ik blijf me verbazen dat zelfs zonder dialoog het verhaal niet langdradig of saai is. Ik zou ergens verwachten dat je het zou missen, dat er geen dialoog is en dat je alleen maar in iemands hoofd zit. Maar het is boeiend om te lezen.
Ik ben een Zilverelf, en ik ben bang voor de dood
Misschien is een Zilverelf een heel bekend fantasiewezen (mooie term trouwens), ik ken het niet. Dus ik weet niet of het heel bijzonder is dat een Zilverelf bang is voor de dood. Door die zin, denk ik van wel, maar ik mis een stukje informatie om het belang ervan te begrijpen.

Eerste alinea vind ik erg mooi geschreven. Die sprong ervoor mij uit.
Maar sterfelijkheid heeft me veranderd.
Ah, het antwoord op het tweede zinnetje van het verhaal :)
Elven bepalen zelf wanneer ze sterven.
En daar komt dus hun arrogantie vandaan >.> Volgens mij heeft ie z'n vloek wel verdiend.
Ik heb iets nodig om mezelf weer mee bezig te houden.
Volgens mij maalt zijn hoofd genoeg om een levenslang bezig te zijn. ^_^ maar ik snap zijn punt.

Goed geschreven!
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Re: Gekroond door sterfelijkheid

wo mei 03, 2017 3:43 pm

Bedankt voor de feedback! Ik heb inderdaad al best wel lang geen "traditionele" dialoog geschreven. Mijn huidige verhalen kun je opvatten als een soort innerlijke dialoog ;)
En wat betreft de Zilverelf: nee, het ligt niet aan jou :lol: "Zilverelf" is een term die ik zelf heb bedacht voor één van de Elvenvolkeren in mijn fantasy-wereld. Er zijn ook andere Elven, waaronder Lichtelven (Hoge Elven), Woudelven, Sterelven en Wilde Elven. Zilverelven kiezen (net zoals veel andere Elvenrassen overigens) in meer of mindere mate zélf wanneer ze sterven. Door zijn vloek is hij nu bang voor de dood, terwijl hij dat eigenlijk niet zou hoeven te zijn.

UPDATE: Ik heb inmiddels een follow-up van dit verhaal geplaatst. Het heet Verlorene en is ook te vinden onder de one-shots ;) De hoofdpersoon legt uit hoe hij aan zijn sterfelijkheid is gekomen.
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “One-shots”