Erfgenaam

Het Podium voor de korte verhalen
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Erfgenaam

do feb 02, 2017 9:11 am

Rust. Wanneer vind ik rust? Wanneer keert het terug? Ik ben haar spoor bijster. Ik ben haar al de hele dag kwijt. Vanaf het moment dat de zon is opgekomen boven Trallic. Ik weet niet waar het aan ligt.
 Misschien is het dat Festival. Het Festival van Syon. Heidens, dat is het. Vervloekt, goddeloos. Het jaagt me de stuipen op het lijf. De koning heeft het er de hele tijd over dat het feest ter ere is van de goden. Geen woord van waar. De mensen verliezen zichzelf op deze dag. Ze verliezen Glarric en de Guldenen uit het oog en laten zichzelf gaan. Misschien is het hypocriet van mij om dat te zeggen. Maar toch. Het doet pijn om de stad in zo’n vorm te zien. Enkel hier in Valar zijn onze harten puur en onze gedachten helder. In de andere districten marcheren ze halfnaakt door de straten, een fles wijn in de ene hand en een dolk in de andere. En als de zon ondergaat, dan trekken ze zich terug naar de bordelen van Koningskroon om alles te doen dat Glarric verboden heeft. Wanneer houdt het op? Wanneer komt er een einde aan deze gekte? Ik ben sterk. Ik ben krachtig. Ik heb alles dat ik ooit zou kunnen willen, en meer. Maar over dit soort dingen wind ik me nog altijd op. Het geloof heeft mij nog niet geheel verlaten.
 Maar nee. Ik zit helemaal verkeerd. Het komt niet enkel en alleen door dat stomme feest dat in iedere straat gevierd wordt, hoewel het er natuurlijk wel aan bijdraagt. Mijn eeuwige onrust komt voort uit iets anders. Iets veel belangrijkers. De jongen nadert. En het baart me grote zorgen.
 Het is mijn taak. Mijn taak alleen. Een opdracht persoonlijk aan mij toevertrouwd door de Zaal. De jongen moet worden uitgeschakeld. Ik houd hem al jaren in de gaten. Vele jaren. Er waren Erfgenamen bij toen hij de buik van de prinses verliet en het licht van de wereld zag. Ik zie elke stap die hij zet, hoor alle woorden die hij spreekt, en ken iedere gedachte die door zijn hoofd schiet. En nu… Nu moet hij dood. Nee, niet dood. Simpelweg gevangen. Uitgeleverd aan de Zaal. Overgeleverd aan het oordeel van de meesters. Daar zijn ze akelig duidelijk over. De tijd is gekomen. En het maakt me zenuwachtig.
 Eigenlijk is het te gek voor woorden. Ik word bevolen en gebruikt. Ik zit verstrikt in een net van onzichtbare touwen, en ik voel ze strak om mijn nek gewikkeld zitten. Eén verkeerde beweging kan mijn einde betekenen. Zal mijn einde betekenen. Vervloekt. Hun geduld begint op te raken. Ze hebben allemaal wel een reden. Morkan wil hem gebruiken. Oladin wil hem manipuleren. Mazhfell wordt gek van nieuwsgierigheid. Arahtar verlangt naar een duel met de jongen. Beru-Endal zal hem ongetwijfeld willen martelen voor informatie. Allemaal hebben ze een reden. Allemaal hun eigen plannetjes. Ik en Erin Sorac zijn de enigen die hem werkelijk aan de meesters willen uitleveren. Vervloekt. Mijn leven zou zo veel eenvoudiger zijn zonder de tussenkomst van die idioten.
 Wacht. Hoe kan ik het vergeten. Dilenna… Dilenna is het ergst. Het ergst van allemaal. Zij doet niet eens haar best om haar doel te verbergen. Ze wil hem verleiden. Ja, verleiden. Zoals ze met al haar vijanden doet. En als ze hem dan eenmaal ingepalmd heeft, als hij haar dan blindelings dient zonder vragen te stellen, gaat ze hem tegen ons gebruiken. Zijn kracht zal ervoor zorgen dat ze machtiger wordt dan ons allemaal. Vervloek die vrouw. Wat mij betreft mag ze… Maar bij Glarric, ze is knap. Onweerstaanbaar. Ik ben inmiddels een oude man, maar zij ontwaakt iets in mij dat ik lang niet heb gevoeld. Lust. Passie. Verlangen. Gevoelens waarvan ik dacht dat ik ze verbannen had toen ik Hoogmeester werd. Blijkbaar niet. Ze heeft me laten zien wat ze kan doen. Haar vaardigheden zijn vreselijk. Haar lichaam is dat van een godin.
 Maar ik zal mijn persoonlijke verlangens niet in de weg laten staan van het hogere doel. Dilenna kan de pot op. Ik zal de jongen vangen voordat zij dat kan doen. Ze zal hem niet voor mijn neus van me afpakken. Moge Glarric me vervloeken als ik me nog eens laat verleiden door blond haar en wat vrouwelijke rondingen.
 Ik voel iets. Een duisternis in mijn gedachten. Een donderwolk over mijn Weg. Ik ben niet alleen. Niet alleen in de enige plek die nog van mij lijkt te zijn. Iets kijkt naar me. Het houdt me in de gaten vanuit de schaduwen en kijkt naar elke stap die ik zet. Het zou niet moeten kunnen. Zelfs een Hoogmeester als ik mag wordt elk spoortje van eenzaamheid en afzondering, hoe klein of onopvallend dan ook, genadeloos afgenomen.
Hoogmeester. Ik ben verdomme de Hoogmeester van de Kerk van Glarric. Ik ben de verkondiger van het enige juiste geloof op deze wereld. Ik maak de wetten hier in Trallic. Ik houd dit vervloekte koninkrijk intact en heb de hele wereld in mijn handen. De Scepter van Aemon Valar rust in mijn handpalm. Mijn macht is groot. Zo groot. Mijn invloed reikt verder dan alleen Allaric, verder dan zelfs de grenzen van het sterfelijke. En toch moet ik bevelen opvolgen alsof ik een schoothond ben! Ik heb er genoeg van. Het is tijd dat ík de regels begin te maken. Het is tijd dat ík de toekomst van deze wereld ga vormen. Het is tijd dat-
 Nee. Nee, nee, nee. Zo moet ik niet denken. Niet nu. Mijn meesters zijn machtig. Grenzeloos machtig. Als ik hen nu dien, zal ik daar later voor beloond worden. Ik zal mijn bezwaren nog even voor me houden. De tijd zal spoedig komen dat ik mijn kettingen breek en mezelf bevrijd uit de schaduwen van mijn meerderen.
 Nu is er echter werk te doen. Zo veel werk. Werk dat afgemaakt moet worden. Vragen moeten worden beantwoord. Het is te belangrijk om nu achter te laten. Het moment is gekomen om alles in beweging te zetten. Een grote hand geeft nu een sterke draai aan de Cirkelen van Tijd. Met een beweging van mijn hand doof ik alle lichten in de kamer, behalve de kaars die op mijn bureau staat. Ik bevind me in de duisternis. Maakt niet uit. Mijn bezoeker leeft in de duisternis. Misschien voelt hij zich zo op zijn gemak. Wellicht.
 Ik knip met mijn vingers. Dit is het dan. Twee mannen komen mijn vertrekken binnen. Ze zwijgen terwijl ze tegen de muur gaan staan. Ik begrijp ze helemaal. Natuurlijk zijn ze te bang om iets te zeggen. In het bijzijn van een Hoogmeester van de Kerk van Glarric, de heer van het valarisme en de erfgenaam van de kroon van alle volkeren, zeg je al gauw iets verkeerds.
 Ik zet mezelf ertoe te spreken. Het is niet makkelijk. Ik spreek te weinig de laatste jaren. Er was ooit een tijd dat ik regelmatig toespraken gaf. Ik stond op een balkon van de Kathedraal en sprak de wormen in de wereld onder mij toe met bemoedigende woorden. Die tijden zijn voorbij. Ik weet dat de mensen van Trallic mij vrezen. Misschien wel meer dan de koning. Het zal enkel goed van pas komen.
 ‘Welkom, mijn dienaren. Ik heb een opdracht voor jullie.’ Glarric. Dit gaat beter dan gedacht. Mijn stem is nog steeds stevig, merk ik. Ik ben een oude man, te oud naar mijn smaak, maar mijn oude vaardigheden zijn niet verdwenen. Mooi.
 De deur valt dicht. Eindelijk. De kamer wordt weer in duisternis geworpen. Ik zie niet wie er tegenover me staan. Maar ik weet wie ze zijn. Twee jonge bevelhebbers die het helemaal gemaakt hebben hier in Trallic. Sandor van de Koningsgarde, met zijn krullende haren en zijn zilveren wapenrusting. En Aran Jaichar, de opperste commandant van de Vuist, met zijn gouden mantel en glinsterende zwaard. Allebei zijn ze goede ridders, allebei hebben ze opmerkelijk snel sleutelposities verworven. Ze weten niet dat ik ze aan hun bekendheid heb geholpen. Laat ze het maar niet weten. Laat ze maar rondkruipen in hun onwetendheid. Hun arrogantie is mijn gewin.
Ik leun over de tafel en probeer intimiderend te lijken. Ik weet niet of het lukt. Mijn haren zijn grijs en warrig, mijn gezicht is bedekt met rimpels. Maar ik spreek.
 ‘De meesters hebben mij een bevel gegeven, en ze zijn heel duidelijk geweest.’ De twee worden een tikkeltje meer gespannen. Ik zie het aan hun lichaamstaal. Mooi. ‘Jullie moeten zorgen dat ik de jongen krijg, levend. Jullie weten over wie ik spreek. De zoon van…’
 Nee. Wacht. Dat is niet goed. Dat mag ik helemaal niet vertellen. Hoe moet ik weten of de ridders de kennis hebben waarover ik zelf beschik? Vervloekt. De Zaal heeft me weer eens te weinig informatie gegeven. Ik weet dat er iets miste in het plan!
 ‘Is dat niet zo simpel als hem gewoon arresteren, Heer Caradin? Uwe gezegende hoogheid?’
 Bah. Domme mensen. Ik had het kunnen verwachten. Iedereen is dom. Iedereen, behalve ik en mijn meesters. Ik onderdruk de neiging de idioten weg te sturen. Maar dat mag ik niet doen. Natuurlijk niet. Ze maken deel uit van het plan. Ze zitten in het Complot, of ze het nu weten of niet.
 ‘Ah. Nee, ik vrees van niet. Hij zal hulp hebben. Daarom bied ik dat jullie ook aan. Hulp van mijn… vriend hier.’
 Ik hoor dat de woorden het gewenste effect hebben, maar zelf krijg ik ze nauwelijks uit mijn mond. Ik had gewenst dat dit moment nooit zou komen. Maar nu is het toch aangebroken. Het is natuurlijk ook een beetje mijn eigen schuld, vermoed ik. Ik zit opgesloten in mijn eigen gevangenis. En ik rammel aan tralies die ik zelf gesmeed heb.
  Vanuit de schaduwen verschijnt hij. Een vierde man in mijn persoonlijke vertrekken. Hij heeft me de hele tijd al gadegeslagen. Hij houdt mij altijd in de gaten, heb ik het idee. Ik weet ergens wel dat dat niet waar kan zijn, maar toch. De laatste tijd kijk ik vaker over mijn schouder dan vroeger. En met een goede reden.
 Mijn bondgenoot is gehuld in een diepzwart gewaad. Het komt tot even voorbij zijn knieën en sleept achter hem aan over mijn fraaie marmeren vloer. Een zilveren dolk in de vorm van de kwade slang rust in de schede aan zijn zij. Een masker verhult zijn gezicht. Uiteraard. Ik krijg de rillingen van deze man. Van dit wezen. Ik ben bang voor weinig dingen. Ik vrees niet het vuur, ik vrees niet het zwaard, en ik vrees niet de dood en het bestaan in de Verdoemenis die op ons allen wacht. Maar Erin Sorac Tyranal jaagt mij de stuipen op het lijf. Hij heeft een sfeer van ijzersterke vastberadenheid om zich heen, vermengd met een vreemde zelfverzekerdheid. Dit duistere creatuur krijgt altijd wat hij wil. Op wat voor manier dan ook. Door het glinsteren van die vervloekte dolk of door het fluisteren van de schaduwen. De Jager ontziet niets.
 Ik voel een ijzige wind door de vertrekken waaien terwijl hij nadert. Een visioen van een duistere kloof verschijnt onwillekeurig, gevuld met mist en stapels levenloze lichamen met lege ogen. Misschien ligt het aan mij. Misschien ook niet.
 ‘Ik zal jullie assisteren bij het opsporen van de jongen.’ Ik krimp in elkaar. Bijna was ik die stem vergeten. Maar niet helemaal. Niet helemaal. Het herinnert mij aan mijn plaats. ‘Zouden jullie falen, zal ik doen wat jullie niet konden.’
 De mannen in de schaduwen knikken. Ik weet dat ze hun opdracht begrepen hebben. Ik weet dat zij op de hoogte zijn van hun taak. Ze mogen niet falen. Niet nu. Alles hangt af van hun slagen. Als hun opdracht mislukt, zal de overwinning- en de verlossing van deze wereld- wederom ver buiten ons bereik zijn.
‘Ga nu. Er zijn zaken die geregeld moeten worden. Vind de jongen en breng hem naar mij. In leven.’ Het is mijn stem. Maar tegelijkertijd zijn het niet mijn woorden. Vreemd. Hoe dieper ik in het complot terecht kom, hoe meer ik me in dit alles en in mijn eindeloze werk stort, hoe meer ik mezelf verlies. Ik ben niet meer de man die ik eens was. Iets anders heeft mijn lichaam overgenomen.   
 Ze knikken weer. Jaichar vormt met zijn armen het heilige kruis, om zijn respect voor me te laten zien. Sandor maakt een militair saluut. Onder andere omstandigheden zou ik beledigd zijn. Niet nu. Nu word ik gedwongen hem te vergeven. Ik hou ze strak in de gaten terwijl ze de deur openen, de vertrekken verlaten en zwijgend de marmeren zuilengang in lopen.
 O ja. Ik was het bijna vergeten. De Jager. Hij staat nog steeds in mijn kamer. Natuurlijk. Het was naïef van mij om te denken dat hij onmiddellijk weg zou gaan wanneer ik de ridders wegstuurde. Nu zijn we alleen. Een goede mogelijkheid voor hem, wellicht? Een kans om eindelijk die goddeloze dolk in me te steken en een einde te maken aan mijn waardeloze leven? We zullen zien. We zullen zien.
‘Het is begonnen. Het plan van onze meesters wordt eindelijk in werking gezet, mijn vriend. Spoedig zullen we de jongen hebben, en dan…’ Hij grinnikt. De bastaard. Ik wed dat hij breed glimlacht achter dat masker van hem. Ik lach niet met hem mee. Ik heb betere dingen te doen dan lachen.
 ‘Erin. Zorg ervoor dat ze niet falen. Ze mogen niet falen. Ik heb zo’n vermoeden dat ze jouw hulp nodig zullen hebben. Dit mag niet mislukken. Dat weet jij ook.’
‘We zullen zien, Adin Tevar. We zullen zien.’
De woorden zijn emotieloos. Niets verraadt de gevoelens van de Jager. Misschien is dat wel wat hem zo angstaanjagend maakt. Ik weet niet wat er achter dat masker schuilgaat. Niemand weet het. Niemand kan het ook weten. Het irriteert me mateloos. Ik wil alles weten. Altijd alles weten. Misschien is het een van mijn vele gebreken. De Jager blijft voor mij een mysterie. Een mysterie in een zwart gewaad. Een schaduw, een pure duisternis die is afgedaald uit de Verdoemenis om zijn woede op de wereld los te laten. Ik mag van geluk spreken dat hij mijn bondgenoot is. Al weet ik niet hoe lang dat nog zal duren.
 Hij verdwijnt. Hij verlaat de ruimte. Maar niet door de deur. Hij gaat op in de rook, een wervelwind van schaduwen. In die storm zie ik, één kort moment, bliksemschichten en hoor ik een diep gerommel. Wat is het? Ik heb geen idee. Maar ik weet dat ík heb geholpen het te maken. Ik heb de Jager omgevormd tot hetgeen dat hij nu is. Een monster. Een wapen. Een wapen om gebruikt te worden.
 En ik zal het gebruiken. O ja. Ik zal het gebruiken tegen de jongen. Die sukkel heeft geen schijn van kans. Zijn zwakheden liggen open en bloot voor de hele wereld om te zien. Ik ben dichtbij. Zo dichtbij. Dichter, en dichter, en dichter. En hoe dichter ik kom, hoe donkerder het om me heen wordt. Donkerder, donkerder, nog donkerder. Alsmaar donkerder. Ik kan het niet meer stoppen. Dit wordt heel interessant. Verlossing ligt binnen handbereik. We hoeven het enkel nog te grijpen.
 De Jager is weg. Eindelijk. Ik ben weer alleen. Althans, dat vermoed ik. Gedeeltelijk alleen. Volledig alleen ben je nooit. Daar ben ik wel achter gekomen. De meesters hebben ogen. Ogen overal. Ze houden je in de gaten. Geen ontsnapping mogelijk. Vervloekt. Wanneer ontsnap ik?
 Erin heeft gelijk. Glarric, maar hij heeft gelijk. En de meesters hebben gelijk. Het is begonnen. Ik voel de winden van verandering aanwakkeren. De Cirkelen van Tijd draaien sneller dan voorheen. Ik ben hun nieuwe meester. Spoedig zal ik de kroon van alle volkeren op mijn hoofd dragen en zetelen op de troon van de wereld. Van het universum. Heer van het heelal, dat zal ik zijn. Grootheid ligt aan mijn voeten. Grootheid, en verlossing. Ik hoef slechts nog één ding
te doen. Glarric sta me bij. Nee, ik ben mijn oude eden nog niet helemaal vergeten.
 Ik zal deze wereld op zijn knieën dwingen en het herscheppen. Ik zal de zonden wegwassen van duizend generaties. Ik zal de Duisternis verbannen en er enkel het Licht laten zijn. Ik zal uit de assen een rijk scheppen om de wereld voor eeuwig te regeren. Ik zal de Cirkelen van Tijd weer laten draaien, en deze wereld opnieuw een paradijs maken.  
 De tijd is gekomen. Het einde komt eraan. Verdoemenis nadert. En met het komt verlossing.
 
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.
Gebruikersavatar
Maaike
Beheer
Columnist
Contacteer:
Beheer:
Berichten: 715
Lid geworden op: wo nov 02, 2016 6:58 pm

Re: Erfgenaam

zo feb 12, 2017 3:56 pm

Ik vond de tweestrijd waarin het personage in verkeerde leuk om te lezen, het is op een bepaalde manier herkenbaar.
Verder weer goed geschreven :)
It always seems impossible until it's done. Keep writing!
Gebruikersavatar
JochemCommissaris
Ganzenveer
Beheer:
Berichten: 260
Lid geworden op: wo jan 04, 2017 2:08 pm

Re: Erfgenaam

zo feb 12, 2017 6:54 pm

Aha dankjewel! :lol: Deze HP, Hoogmeester Caradin, is mijn persoonlijke favoriet naast misschien Stormcaller uit "Ik ben de storm". Ik heb al héél lang een verhaal over hem willen schrijven. Ben blij dat het goed heeft uitgepakt ;)
Rivieren veranderen van richting door de generaties heen; uiteindelijk storten alle bruggen in.

Terug naar “One-shots”